Rianne Lachmeijer 12 december 2019, 11:25

Van agrobosbouw tot lab-landbouw: De potentie van nieuwe productiesystemen

Het huidige voedselsysteem moet op de schop om de wereldbevolking te kunnen voeden én de milieuschade te beperken. Tegelijkertijd worden de gevolgen van klimaatverandering steeds merkbaarder. Voldoende voedsel, duurzaam geproduceerd. Hoe doen we dat? Drie voorbeelden van vernieuwing in de landbouw.

Credits adobe stock agroforestry in amazonegebied

Het doel om in 2050 tien miljard mensen van voedzame voeding te voorzien zonder daarbij de aarde uit te putten, vraagt om grote veranderingen in het landbouwsysteem. Een paar mogelijke oplossingen worden nu al (op kleine schaal) toegepast. Wat is de potentie van deze landbouwvormen?

Agrobosbouw: De boer als bosbouwer

Bij agrobosbouw combineren boeren de teelt van meerjarige planten, zoals bomen en struiken, met eenjarige gewassen, zoals groenten en granen. Ook een combinatie met veeteelt of aardappelteelt is mogelijk. Wereldwijd passen boeren deze manier van werken al vaker toe, maar in Nederland zelden. Een boerenbedrijf dat het wel op kleine schaal toepast is Doornik Natuurakkers. Het bedrijf combineert graanteelt met een voedselbos.

Agrobosbouw kan een positieve impact op biodiversiteit, milieuvriendelijke gewasbescherming, waterkwaliteit en financiële opbrengsten opleveren. Zo zitten er allerlei nuttige biologische bestrijders in bomen en struiken. Daardoor hoeven boeren minder vaak insectenplagen chemisch te bestrijden. Dat is goed voor het milieu, maar ook voor de portemonnee van de boer. Vanwege de mix aan gewassen en betere bodemkwaliteit die dit tot gevolg heeft is deze vorm van landbouw weerbaarder tegen klimaat-gerelateerde weersextremen zoals droogte en piekbuien.

Wat de beste aanpak voor Nederland is, wil de Wageningen University & Research in samenwerking met akkerbouwers en het bedrijfsleven verder onderzoeken. Vooral in overgangsgebieden tussen natuur en landbouw en stad en landbouw zou bosbouw al op korte termijn kunnen worden toegepast. Op de langere termijn kan het door kennisvergroting en door de toepassing van innovatieve technieken als drones, satellietbeelden en GPS-gestuurde en zelfrijdende lichtgewicht tractoren ook interessant worden voor grootschalige landbouw.

Zilte landbouw: Inspelen op klimaatverandering

Door bodemdaling en zeespiegelstijging wordt de grond zouter. Door verzilting werd wereldwijd al 1 tot 1,5 miljard hectare grond onbruikbaar voor gangbare landbouw en deze trend zet door. Ook Nederland ontkomt er niet aan: in 2030 is ruim 125.000 hectare grond zouter. Voor de gebruikelijke landbouwgewassen is zout water schadelijk. Daarom is de reguliere landbouw erop gericht verzilting zo veel mogelijk te voorkomen.

In plaats van verzilting tegen te gaan, zet het Zilt Proefbedrijf Tested on Texel dit probleem juist om in een kans. Het bedrijf onderzoekt welke gangbare landbouwgewassen én nieuwe planten geschikt zijn voor zilte teelt. Zo verdragen bepaalde gewassen zout water als de juiste irrigatiemethode wordt toegepast: aan de wortel met zout water geïrrigeerd in plaats van sproeien op het blad. Het gaat onder andere om specifieke aardappelrassen, wortels, rode uien, witte kool en broccoli. Ook zoekt het Zilt Proefbedrijf nieuwe planten die geschikt zijn voor zilte teelt én bedenkt het nieuwe recepten op basis van zout-liefhebbende planten, zoals een kruidige zilte salade van jong strandbietblad.

Uit onderzoek uitgevoerd in opdracht van voormalig staatssecretaris Martijn van Dam van Economische Zaken blijkt dat zilte landbouw een belangrijke bijdrage kan leveren aan de wereldvoedselvoorziening, omdat het landbouw (weer) mogelijk maakt in verzilte gebieden. "Wereldwijd is een miljard hectare aan landbouwgrond door verzilting afgeschreven. Met onze kennis en onze gewassen kan die grond weer gebruikt worden om voedsel te produceren. Het gebruik van onze kennis en gewassen biedt exportkansen voor de Nederlandse agro-sector, maar is vooral een belangrijke doorbraak in de wereldvoedselvoorziening", zei hij toentertijd.

Lab-landbouw: De wetenschapper als vleesproducent

Mensen hebben eiwitten nodig. Vooral arme mensen krijgen nu te weinig eiwitten binnen en met de groeiende wereldbevolking lopen de tekorten op. Een bekende eiwitbron is vlees, maar de impact van de (intensieve) veehouderij op het klimaat is groot. Zo is er voor de productie van 100 gram rundvlees 1.500 liter water nodig. Naast inzetten op plantaardige eiwitten, zoals zeewierteelt, kan vlees uit het laboratorium een bijdrage leveren. Dit zogenoemde kweekvlees wordt in het laboratorium uit enkele dierlijke stamcellen opgekweekt.

Mark Post, hoogleraar vasculaire fysiologie, is een van de eerste wetenschappers die een kweekvleesproduct presenteerde. Dat deed hij in 2013 op een persconferentie in Londen. Over 2,5 jaar hoopt hij met zijn start-up Mosa Meat de eerste hamburgers te produceren tegen een acceptabele prijs voor exclusievere restaurants.

In een veel-gestelde-vragen-document van Mosa Meat staat dat voor de productie van kweekvlees substantieel minder land en water nodig is. Nu komt het nog weleens voor dat bos wordt gekapt voor de uitbreiding van de veestapel. Met kweekvlees is dat verleden tijd. Op het gebied van energieverbruik verschillen de meningen. Zo staat in het document dat overstappen op kweekvlees een maximale energiebesparing van 60 procent kan opleveren, maar dat het ook mogelijk is dat er helemaal geen energie wordt bespaard. Twee wetenschappers van de universiteit van Oxford stellen juist dat kweekvlees energie-intensiever kan zijn dan de reguliere veehouderij. Dit kan bij opschaling dusdanig meer CO2-uitstoot opleveren dat de klimaatwinst door de vermindering van methaan te niet wordt gedaan. Om kweekvlees klimaatvriendelijker te maken zou de toepassing van hernieuwbare energie een oplossing kunnen bieden.

De beste oplossing is een mix

Met één van deze oplossingen gaan we het niet redden om de groeiende wereldbevolking op een duurzame manier van voedzaam voedsel te voorzien. Juist door tegelijkertijd in te zetten op verschillende oplossingen vermindert de impact van landbouw op het klimaat én de impact van klimaatverandering op de landbouw.

In dit artikel gaan wij in op drie productiesystemen, maar er gebeurt natuurlijk veel meer. Denk bijvoorbeeld aan biologische landbouw, verticale landbouw of kringlooplandbouw. Sommige systemen grijpen in elkaar of zijn overkoepelend. Zaak blijft om een continue afweging te maken tussen de voor- en nadelen.

Dit artikel maakt onderdeel uit van de themamaand Food & Health. Lees ook:

Afbeeldingen: Adobe Stock & Mosa Meat

Hoe kan Nederland in de toekomst de wereld blijven voeden?

Volgens Marian Geluk, directeur van de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI), zijn we in Europa reeds koploper. “Al zijn er natuurlijk ook bij ons nog volop uitdagingen. Maar als ik in Brussel ben, dan merk ik dat qua zelfregulering en onze wetgeving Nederland vooroploopt.” Ook wereldwijd loopt Nederland voorop met innovatieve, gezonde producten, meent Geluk. “Onze voedselproductie staat op een zeer hoog niveau.”BabymelkpoederDe kwaliteit van Nederlandse voedingsmiddelen staat internationaal in hoog aanzien, bevestigt Cor Pierik, projectleider milieupublicaties en woordvoerder bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). “Als we bijvoorbeeld kijken naar de export van babymelkpoeder dan is dat de laatste tien jaar geëxplodeerd. Dat komt omdat het imago van Nederlandse babymelkpoeder – vooral in China en Hongkong – enorm hoog is.”Ook de robotisering speelt een belangrijke rol, meent Pierik. “Door allerlei innovatieve technologieën kunnen producten worden gescreend. En ook de precisielandbouw neemt een hoge vlucht in Nederland: dat je ieder plantje op het juiste moment de juiste voedingsmiddelen en de juiste hoeveelheid licht geeft om zo optimaal mogelijk te kunnen groeien. Op die manier kun je een extra slinger geven aan de voedselveiligheid en gezondheid.”Efficiënte productieVolgens Pierik is Nederland wereldwijd nog niet helemaal koploper. “In ons land is behoorlijk ingezet op het produceren van duurzame voedingsmiddelen. Je ziet dat in supermarkten al veel voedingsmiddelen worden verkocht die een duurzaamheidslabel hebben. Je hebt wel een stuk of tien tot vijftien verschillende duurzaamheidslabels in de voedingsmiddelenwereld. En dat gaat best hard. Maar wanneer ben je koploper in de wereld? Dat is eigenlijk op het moment dat je voetafdruk van wat je produceert zo klein mogelijk is; dat het product de minste milieubelasting veroorzaakt.” “Onze voedselproductie staat op een zeer hoog niveau"Volgens Pierik doet Nederland aardig zijn best om zo efficiënt mogelijk te produceren. “Dat zien we aan verschillende dingen, onder andere wanneer je kijkt naar hoeveel energie we vroeger in een eenheid stopten en hoeveel energie we er nu in stoppen. Gewone fossiele brandstoffen maar ook elektriciteit en gas. Dan zien we inderdaad dat de energie-efficiency toeneemt, en dat we ook steeds meer in staat zijn met zo weinig mogelijk milieubelasting onze landbouwproducten te produceren.”Veiligheid, gezondheid en duurzaamheidOm de koppositie van Nederland op het gebied van een veiliger, gezonder en duurzamer voedselsysteem verder te versterken, moeten volgens Pierik verschillende maatregelen worden genomen. “Er zijn talloze knoppen waar je aan kunt draaien. Je moet ervoor zorgen dat de milieudruk beperkt blijft, dus dat de stikstofverliezen omlaag gaan. Dat de emissie van fijnstof wordt gereduceerd. Ook de uitstoot van broeikasgassen moet omlaag. Verder wil je dat er minder energie wordt gebruikt; dat men nog efficiënter gaat produceren. Je wilt dat er met minimale input van grondstoffen maximale landbouwproducten worden geproduceerd, dus je kijkt ook naar je grondstoffenbalans.”Ook binnen FNLI spelen de thema’s veiligheid, gezondheid en duurzaamheid een grote rol, vertelt Geluk. “FNLI is een koepel waar negentien branches lid van zijn. Wij zijn de vertegenwoordiger en belangenbehartiger van de levensmiddelenindustrie in Den Haag maar ook in Brussel. Er is een enorme roep om transparantie in voedselketens, dus dat is ook gelinkt aan duurzaamheid. De drie belangrijkste duurzaamheidszaken binnen FNLI zijn Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), reductie van CO2 uitstoot en verpakkingsvraagstukken.”Reduce, reuse en renewHet mantra van verpakken is reduce, reuse en renew, aldus Geluk. “Dus hoe kunnen we verpakkingsmateriaal verminderen, hoe kunnen we ervoor zorgen dat het wordt gerecycled en hoe zorgen we ervoor dat we het op een goede manier kunnen gebruiken.” De grootste uitdagingen zijn plastics: “De plastic recycling is nog verre van voldoende en dat is een uitdaging voor iedereen. Voor degenen die materialen maken en voor de levensmiddelenindustrie die op dit moment nog verschillende plastics door elkaar gebruikt, wat de afvalscheiding veel moeilijker maakt.”De grootste uitdaging is de recycling van plasticsHet is belangrijk dat we reduceren, maar plastic zal blijven bestaan, meent Geluk. “Daar ben ik van overtuigd. Het is een ongelooflijk nuttig en efficiënt verpakkingsmateriaal waarmee we verspilling kunnen voorkomen en waarmee we voedsel veilig houden. Je ziet de hernieuwbare plastics eerder terugkomen in non-food verpakkingen, want voedselverpakkingen staan natuurlijk rechtstreeks in contact met het levensmiddel. Daarvoor gelden hele strenge eisen. Die moeten we ook niet versoepelen, maar dat maakt het circulair zijn van plastic wel heel lastig”.Verantwoord ondernemenIMVO is eveneens een belangrijk dossier binnen FNLI. “IMVO gaat over verantwoordelijkheid in de internationale keten. Ben je bijvoorbeeld als Nederlandse ontbijtkoekbakker verantwoordelijk voor een leefbaar loon van een individuele kaneelboer in Sri Lanka? Uiteraard ben je niet rechtstreeks verantwoordelijk voor die ondernemer, maar je bent wel een speler in de keten, aldus Geluk.Lees meer: Jaap Korteweg verkocht De Vegetarische Slager om de grootste slager ter wereld te worden“En met een inkoopbeleid heb je enige impact; blijven misstanden in stand of kun je via je inkoop invloed uitoefenen zodat zaken veranderen? FNLI probeert daarom om zaken in de volle breedte aan te jagen in de industrie. Wij hebben tussen de vijfhonderd en zeshonderd leden. Daarmee vertegenwoordigen we – zeker qua omzet – een groot deel van de levensmiddelenindustrie. Er zijn wel een aantal witte vlekken moet ik eerlijk bekennen, want de branches van de vleesindustrie zijn niet aangesloten bij ons.”Reductie van CO2 uitstootHet dossier klimaatbeleid richt zich met name op de uitstoot van broeikasgassen. De levensmiddelenindustrie wil 50 procent minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990. Geluk: “Dit kan onder meer door (nog verdere) energiebesparing en overschakelen op duurzame elektriciteit. Dit klinkt simpel, maar het is een enorme opgave. Dit kunnen we niet alleen. En het gaat natuurlijk ook over eiwittransitie, dus willen we zorgen voor een aantrekkelijk aanbod van plantaardige eiwitrijke producten.”De levensmiddelenindustrie wil 50 procent minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990Vergeleken met andere landen doet Nederland het echt heel goed, aldus Geluk. “In het buitenland wordt vaak naar Nederland gekeken. Niet alleen hoe we produceren, maar ook hoe we met elkaar omgaan: het publiek-private overleg dat in Nederland plaatsvindt en lobbyorganisaties waar onder andere LTO, CBL en FNLI onderdeel van zijn. Ook in ketenverband loopt het in Nederland stukken soepeler dan in andere landen. Daar durf ik mijn hand voor in het vuur te steken.”Unieke prestatieDat Nederland de op één na grootste landbouwexporteur van de wereld is, is best uniek, vindt Pierik. “Ik kan niet anders zeggen. Nederland past qua oppervlakte ruim tweehonderd keer in de Verenigde Staten, die op nummer één staat, dus ons totale exportpakket van landbouwproducten is naar verhouding veel groter. De Nederlandse economie verdient bovendien behoorlijk aan die landbouwexport”, aldus Pierik.Lees ook: Boeren over duurzame landbouw: “De waarde van voedsel moet omhoog”In 2018 bedroeg dit ongeveer 45 miljard euro. De toegevoegde waarde van alle landbouwproducten die we exporteren is substantieel. “Als we kijken naar de totale Nederlandse economie dan is landbouw slechts 1,5 procent en het agrocomplex goed voor ruim 7,5 procent van de economie. En als je je dan realiseert dat de exportwaarde van landbouwproducten 90,3 miljard euro bedraagt, bijna 20 procent van het totale nationale goederenexport, dan is dat een bijzondere prestatie.”Het moet wel enigszins worden genuanceerd, meldt Pierik. “Want we zijn natuurlijk ook wel een handelsland, dus van die 90,3 miljard euro worden ook wel wat landbouwproducten geïmporteerd en vervolgens doorgevoerd naar het Europese achterland. Het is dus niet zo dat van die 90,3 miljard euro export van landbouwproducten echt alles van Nederlandse bodem afkomstig is. Dat is nog weleens een misvatting. Voor de vuist weg is ongeveer 65 miljard euro export van producten van Nederlandse makelij.”Auteur: Ingrid Rompa Beeld: Adobe Stock.