Fitria Jelyta 12 mei 2017, 09:10

Sensor biedt alles-in-één-oplossing voor slimme gebouwen

Een compacte sensor die in woningen en kantoorgebouwen verschillende gegevens kan meten, zoals energieverbruik en luchtkwaliteit, maar ook laat weten wanneer de wc-rol op is. Deze sensor kan de ontwikkeling van duurzame en slimme gebouwen versnellen.

Slimme gebouwen

Dat schrijft MIT Technology Review. De compacte sensor kwam uit de koker van Gierad Laput, student computer-human interaction aan de Carnegie Mellon University. Laput werkte aan het zogeheten Synthetic Sensors-project, waarin de multifunctionele sensor werd ontwikkeld.

Volgens de student zouden gebouwen van verschillende apparaten en sensoren moeten worden voorzien om bijvoorbeeld het energieverbruik te beperken en een gezonde luchtkwaliteit te bevorderen. Laput wil dit proces vergemakkelijken door de meting van verschillende gegevens te laten plaatsvinden via één apparaat.

Slimme gebouwen

De student plaatste vijf van de compacte sensoren in vijf verschillende soorten ruimtes binnen een schoolgebouw. Gedurende twee weken maten de sensoren gegevens in de ruimtes. Zo bleek dat de sensor een lopende kraan in een van de ruimtes kon detecteren. Daarnaast kon de sensor gebruikers laten weten wanneer een keukenrol vervangen moest worden.

In de andere ruimtes bleek dat de sensor de aanwezigheid van gebouwgebruikers kon detecteren. Met deze gegevens wordt het mogelijk om het energieverbruik van het gebouw aan te passen aan de aanwezigheid van personen in de ruimtes.

Massaproductie

Naast het bieden van een alles-in-één-oplossing voor het meten van gegevens in gebouwen, is de compacte sensor goedkoop te produceren. Volgens Laput kost de sensor $ 100 om te maken, maar wanneer de productie van het apparaat wordt opgeschaald, kunnen de kosten tot $ 30 dalen.

Uit de eerste tests met de compacte sensor blijkt dat het systeem tot 96 procent nauwkeurig is in het meten van gegevens en detecteren van verschillende situaties in gebouwen. In een vervolgonderzoek wil Laput de sensor verder ontwikkelen om ook te gebruiken in seniorenwoningen. Zo zou de sensor de dagelijkse activiteiten van ouderen kunnen detecteren om efficiënte zorg te faciliteren.

Bron: MIT Technology Review | Foto: Shutterstock.com

FrieslandCampina: ‘Goed boeren voor behoud van natuurlijk kapitaal’

De Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij geeft inzicht in de activiteiten van melkveehouders die de biodiversiteit versterken. Daarbij gaat het om de biodiversiteit op het eigen bedrijf, dus op en rond het erf, op de percelen in de bodem, maar ook daarbuiten. Zo wordt gemeten wat het effect is van een bedrijf op de regio en op natuurgebieden in de omgeving.“Wij noemen biodiversiteit ook wel natuurlijk kapitaal”, zegt Jaap Petraeus, manager corporate sustainability van FrieslandCampina. “We hebben één planeet en we hebben natuurlijk kapitaal nodig om deze planeet in balans te houden. Daarom moeten we met z’n allen zorgen dat ons natuurlijk kapitaal niet vermindert.”Volgens FrieslandCampina ligt er een grote rol voor melkveehouders om de biodiversiteit te behouden en te versterken. Zo blijkt uit cijfers van het WNF dat het agrarisch gebied met twee derde van het Nederlandse landoppervlak het grootste leefgebied is voor planten en dieren. De manier waarop de sector omgaat met dit landschap is dus sterk bepalend voor het leefgebied van dieren en planten.Waardevolle biodiversiteitTegelijkertijd is biodiversiteit van grote waarde voor de landbouwsector, stelt Guus van Laarhoven, programmaleider biodiversiteit van FrieslandCampina.V.l.n.r.: Guus van Laarhoven, Jaap Petraeus van FrieslandCampina en melkveehouder Coen Wantenaar, die inzicht geeft in zijn bodembeheer.“Melkveehouders zijn afhankelijk van een vruchtbare bodem, voldoende en schoon water en mineralen. Het begint dan ook in de bodem, vooral die van het grasland. Goed beheer van grasland is veruit de beste manier om die bodemkwaliteit in stand te houden. Een gezonde bodem is de basis voor goede gewasopbrengsten en vormt een buffer bij wisselende weersomstandigheden, zoals hevige neerslag of extreme hitte. Dat staat allemaal in relatie met elkaar.”Boeren kunnen verschillende maatregelen toepassen om een positieve invloed uit te oefenen op de bodem. Van Laarhoven: “Belangrijk is om te streven naar zo weinig mogelijk graslandvernieuwing. Dat is gunstig voor de bodemkwaliteit.”De biodiversiteit in het agrarisch gebied gaat echter gestaag achteruit. De populatieomvang van broedvogels, zoogdieren en vlinders in het agrarisch gebied nam tussen 1990 en 2013 met 40 procent af. Dit heeft veel te maken met de toename van het aantal natuurlijke vijanden als vossen, kraaiachtigen en ooievaars. Maar ook onder meer schaalvergroting, verdroging, vermesting en ruilverkaveling zijn oorzaken. Daarnaast wordt grasland intensiever gebruikt: het gras wordt eerder en vaker gemaaid, en de diversiteit aan soorten gras en kruiden in het grasland neemt af.Biodiversiteitsmonitor MelkveehouderijDe Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij geeft inzicht om de negatieve invloed op de omgeving te verminderen en de positieve invloed te versterken. De monitor moet een instrument worden dat bestaat uit een aantal indicatoren: soortenbeheer, landschapsbeheer, landgebruik, uitstoot van broeikasgassen, kruidenrijk grasland, ammoniakuitstoot, bodembeheer en mineralenverlies. “Deze indicatoren zeggen iets over de impact van een individuele melkveehouderij op de biodiversiteit, zowel op het eigen bedrijf als daarbuiten”, legt Van Laarhoven uit.Volgens de programmaleider zijn de indicatoren zo gekozen dat ze elkaar in evenwicht houden en zogenaamde ‘vluchtroutes’ uitsluiten. “We willen voorkomen dat boeren de milieubelasting gaan verschuiven. Het moet bijvoorbeeld niet zo zijn dat een melkveehouder zich vooral richt op extensief beheer van grasland, met veel kruiden en bloemen, en tegelijkertijd veel soja inkoopt. Of dat boeren heel erg gaan sturen op broeikasgasemissie en daarom veel mais gaan verbouwen. Dat heeft een negatieve invloed op de bodemkwaliteit. Bovendien worden bij maisteelt meer gewasbeschermingsmiddelen gebruikt dan bij gras.”"Wij maken echt de vertaling naar handelingsperspectief voor de melkveehouder"De aanpak is gebaseerd op die van het Natural Capital Protocol, een raamwerk van het Natural Capital Coalition dat de internationale aanpak rond het behoud van natuurlijk kapitaal moet worden. Ook sluiten de indicatoren aan op de IDF Biodiversity Guide van de International Dairy Federation en het Leap-project van de Food and Agriculture Organization (FAO).“Zo kunnen we de staat van biodiversiteit volgen in lijn met de internationale richtlijnen van deze partijen. Maar deze Nederlandse aanpak is echt uniek in de wereld”, zegt Petraeus. “Wij maken echt die vertaling van de globale beschrijvingen naar handelingsperspectief voor de melkveehouder. Dat is waar de hele wereld nog naar op zoek is en daarom willen we dat graag uitdragen.”SamenwerkingDe samenwerking met Rabobank, het WNF en het Louis Bolk Instituut heeft bijgedragen aan het unieke karakter van de aanpak. “FrieslandCampina, Rabobank en WNF hebben vanuit verschillende perspectieven een gezamenlijke ambitie tot biodiversiteitherstel in de landbouw. Uitgangspunt is om dit via verdienmodellen in de keten te ontwikkelen en daarmee minder afhankelijk te zijn van beschikbare subsidies. Ik denk dat we het zonder deze partijen nooit hadden kunnen doen”, meent Van Laarhoven.“Als FrieslandCampina hebben we natuurlijk kapitaal nodig voor het produceren van melk, om onze risico’s te verlagen en voor het behoud van de planeet, waar de Rabobank en het WNF op sturen. Zij hebben ons daarnaast uitgedaagd om ons gedachtegoed juist die kant op te brengen, dus om ons wereldser te laten kijken. Die combinatie is ijzersterk geweest.”Praktische toolVoordat de Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij in de praktijk kan worden ingezet, moet er echter nog wel een en ander gebeuren. Van Laarhoven: “We hebben allerlei motoronderdelen – indicatoren – ontwikkeld en we hebben al data van melkveehouders. We hebben echter nog geen vehikel waar we die onderdelen in kunnen bouwen. Er is wel een prototype, maar hoe dat precies wordt ingezet, weten we nog niet.”Volgens Van Laarhoven is het denkbaar dat de aanpak wordt geïntegreerd in Foqus planet, het programma waarmee FrieslandCampina zijn leden-melkveehouders stimuleert om maatregelen te nemen op het gebied van thema’s als hygiëne, melkkwaliteit, dierenwelzijn, weidegang en duurzame bedrijfsvoering. Leden-melkveehouders die goed scoren op duurzame ontwikkeling ontvangen een beloning.“Een ander scenario is dat er in samenwerking met Rabobank en het WNF een centraal punt wordt gecreëerd, zoals een website, waar melkveehouders, ook van andere coöperaties, kunnen zien wat hun voetafdruk is en welke verbeterpunten er liggen”, aldus Van Laarhoven. De monitor is dan ook niet alleen een ‘FrieslandCampina-feestje’, zegt hij. “We ontwikkelen de aanpak ook binnen de Duurzame Zuivelketen, dus voor de totale melkveehouderij in Nederland.” De komende maanden worden de indicatoren daarom verder getest en wordt er met ketenpartijen besproken hoe de aanpak in de markt kan worden gezet."Wij  kunnen  alleen maar instrumenten ontwikkelen die worden geaccepteerd door die melkveehouders"Motivatie melkveehoudersWelke vorm de aanpak uiteindelijk ook krijgt, het is volgens Petraeus en Van Laarhoven nog een uitdaging om bij hun leden-melkveehouders de handen op elkaar te krijgen voor de inzet op biodiversiteit. Maar ook dat is sterk aan de Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij, meent Petraeus.“Wij kunnen laten zien dat onze melkveehouders onze aandeelhouders zijn en dat wij rekening met hen moeten houden. We kunnen dus alleen maar instrumenten ontwikkelen die worden geaccepteerd door die melkveehouders. Je ziet in de vertaling van het Natural Capital Protocol dat er nog weinig kennis is over hoe je met boeren moet omgaan en hoe je boeren kunt motiveren. Dat weten wij wel. Dat neemt niet weg dat je daar de tijd voor moet nemen; het gaat niet vanzelf.”VerdienmodelEen verdienmodel zou kunnen helpen om de melkveehouders over de streep te trekken. “Het zou mooi zijn als we de inspanningen van boeren om natuurlijk kapitaal te behouden kunnen laten terugkomen in de verkoopprijs van melk”, zegt Petraeus. “Dat wanneer een consument een pak Campina-melk koopt, hij weet dat hij meer betaalt voor het behoud van natuurlijk kapitaal, het platteland en milieukwaliteit. We moeten de toegevoegde waarde die wij van onze melkveehouders eisen wel verkopen. Anders is het niet eerlijk ten opzichte van de coöperatie.”Maar liever zien Van Laarhoven en Petraeus dat de motivatie vanuit de melkveehouder zelf komt. “Voor ons is het echt het belangrijkst dat we melkveehouders kunnen motvieren om op zo’n manier te boeren dat het hun rendement verhoogt en hun bedrijfsmanagement verbetert door behoud van natuurlijk kapitaal. En dat ze dat zelf inzien. Ik zou dus liever zien dat boeren het voor zichzelf doen en dat ze daarna de vruchten plukken van alle voordelen. Dat moet de volgorde zijn”, aldus Van Laarhoven.Petraeus is het eens: “Dan hoeven wij ook geen strafkortingsysteem in te zetten voor boeren die niet willen, maar dan belonen ze elkaar. Dan horen ze aan de keukentafel dat het werkt, dat is het mooiste.”Boeren doen al veelVolgens Van Laarhoven doen boeren bovendien al veel op gebied van biodiversiteit, al hebben ze dat zelf niet altijd door. “Ik denk dat elke boer binding heeft met de natuur. Als wij ernaar vragen, zeggen boeren altijd een beroep te doen op die natuur. Ze doen het echter al zo lang, dat ze het niet meer als bijzonder zien. Zo lang wij dus goed kunnen uitleggen wat de aanpak oplevert, zie ik niet zoveel drempels.”Foto's: Bram Petraeus, via FrieslandCampina