Fitria Jelyta 22 juni 2016, 09:30

‘Infrastructuur in slimme steden beter benutten met sensoren’

Britse wetenschappers van de Cambridge University ontwikkelen sensortechnologie die bestaande infrastructuur beter moet monitoren. Dit moet leiden tot aanzienlijke besparingen in onderhoudskosten.

London infrastructure

De onderzoekers van het Cambridge Center for Smart Infrastructure and Construction (CSIC) werkt samen met bedrijven in de bouw- en infrastructuursector aan slimme oplossingen die tot efficiënter gebruik van materiaal en infrastructuur moet leiden. Zo heeft het Zweedse bouwconcern Skanska een systeem met optische vezels gebruikt, dat door het CSIC is ontwikkeld.

“Als we onze infrastructuur beter leren begrijpen door data, dan ligt er een grote kans om verschil te maken met betrekking tot hoe onze steden zullen functioneren in de toekomst.”

Sloopmateriaal hergebruiken

Skanska heeft dit systeem toegepast bij de renovatie van een Londons pand met twaalf verdiepingen. Dit gebouw moest worden gesloopt om plaats te maken voor een gebouw met zestien verdiepingen. Door gebruik te maken van het CSIC-systeem, wist Skanska het sloopmateriaal te beoordelen voor hergebruik. Uiteindelijk bleek dat de gebouwfunderingen niet volledig vervangen hoefden te worden, waardoor Skanska ruim £ 6 mln (€ 7,8 mln) aan bouwkosten en –tijd bespaarde.

Daarnaast vermeed het bouwconcern het gebruik van nieuw geproduceerd beton voor dit project, waardoor Skanska een duurzaamheidsprijs won.

Infrastructuur van de toekomst

Naast het optimaliseren van bouwprocessen, verwerkt CSIC sensoren onder bestaande weginfrastructuur om daarmee de wegen te monitoren op mogelijk verval. “We moeten nadenken over de waarde die infrastructuur in de steden brengt, waardoor we vast kunnen stellen waar we geld aan uit moeten geven en welke impact we daarmee maken in de stedelijke omgeving”, zegt Jennifer Schooling, directeur van de CSIC.

“Als we onze infrastructuur beter leren begrijpen door data, dan ligt er een grote kans om verschil te maken met betrekking tot hoe onze steden zullen functioneren in de toekomst.”

Duurzame warmte

Ook ontwikkelt het centrum technologie om het gebruik van aardwarmte in de steden van het Verenigd Koninkrijk te bevorderen. Zo wil het CSIC de warmte afkomstig uit de ondergrondse metrolijnen in London omzetten tot duurzame warmte voor gebouwen.

“De stedelijke infrastructuur leveren veel afvalstromen op, zoals de warmte die de London Underground oplevert, waardoor de metrostations oververhit raken”, zegt Dr. Ruchi Choudhary van de Cambridge Department of Engineering. Door simulatiemodellen te ontwikkelen, kunnen de wetenschappers van CSIC berekenen hoeveel van de restwarmte kan worden ingezet voor het verwarmen van de gebouwen. 

Bron: University of Cambridge | Foto: Davide D'Amico, Creative Commons (Cropped by DuurzaamBedrijfsleven)

Russische paardenbloem als alternatief voor Aziatisch rubber

Natuurrubber wordt gebruik in verschillende toepassingen, van auto- en vliegtuigbanden tot medische apparatuur. Het grootste deel van dit rubber is afkomstig van rubberboomplantages in Azië. De eerste plantages bevonden zich in Zuid-Amerika, waar de grootschalige teelt later onmogelijk werd door een schimmelziekte.“Als die ziekte naar Azië overslaat, komt de productie van natuurrubber lam te liggen. Er moet een alternatief zijn”, stelt Ingrid van der Meer, vanuit Wageningen UR coördinator van Drive4EU.In het Europese project Drive4EU werkt Wageningen UR samen met internationale bedrijven en onderzoeksinstituten aan een Europees alternatief voor rubber uit Azië: natuurrubber uit de Russische paardenbloem.Grip op nat wegdekNatuurrubber komt in minstens 2.500 plantensoorten voor, maar de meeste zijn niet geschikt voor grootschalige productie van kwalitatief hoogwaardig rubber. Eerder onderzoek wees uit dat de Russische paardenbloem, Taraxacum koksaghyz, dat wel is. Voor sommige toepassingen, zoals grip op een nat wegdek, lijkt paardenbloemrubber zelfs beter geschikt.Drive4U werkt nu aan de ontwikkeling van een succesvolle productieketen in Europa. De productie vindt nu nog op kleine schaal plaats, op 2 hectare op proefvelden in Zeeland en België. Na de volgende oogst moet dat 6 hectare worden.“Er is meer biomassa nodig om een proeffabriek te kunnen bouwen”, zegt Van der Meer. “Bedrijven willen snel meer materiaal, want zij zien veel kansen voor Europees natuurrubber.” Ze verwacht binnen vijf tot tien jaar een doorbraak: “Het hangt sterk af van de rubberprijs. Die is nu erg laag. Maar stel dat de teelt in Azië last van ziekteverwekkers krijgt, dan kan de vraag naar Europees natuurrubber sterk stijgen.”Bron: Wageningen UR | Foto: public domain