Maaike Kooijman
04 maart 2026, 10:46

Geen coöps, maar zoöps: zo nemen bedrijven de natuur mee in hun besluitvorming

Veel organisaties zijn schadelijk voor hun omgeving, terwijl ze ook een positieve impact kunnen hebben. Changemaker Klaas Kuitenbrouwer helpt hen om biodiversiteit te omarmen én stimuleren.

Changemaker Klaas Kuitenbrouwer, het Zoönomisch Instituut | Credits: Maarten Zeehandelaar, bewerking Change Inc.

Wereldwijd dragen bedrijven en hun financierders sterk bij aan biodiversiteitsverlies, concludeerde de biodiversiteitsorganisatie van de VN (Ipbes) vorige maand. In 2023 ging 7,3 biljoen dollar aan publieke en private geldstromen naar activiteiten die biodiversiteit schaden, tegenover slechts 220 miljard dollar voor duurzame initiatieven. Bovendien hebben bedrijven vaak onvoldoende inzicht in hun impact.

Toch kunnen organisaties de biodiversiteit ook ondersteunen in plaats van ondermijnen, stelt Ipbes. Daar is ook Klaas Kuitenbrouwer van overtuigd. Hij is directeur van het Zoönomisch Instituut, dat organisaties helpt om ‘zoöperaties’ te worden. Een soort coöperatie, maar dan in samenwerking met alles wat leeft: planten, dieren en ecosystemen. Het woord komt van ‘zoë’: ‘leven’ in het Grieks.

De organisatievorm is ontwikkeld door het Nieuwe Instituut, het Rotterdamse museum voor architectuur, design en digitale cultuur. Het Zoönomisch Instituut is opgericht als onafhankelijke organisatie om het model verder te ontwikkelen, organisaties te helpen om zoöp te worden en certificaten uit te geven. Het Nieuwe Instituut werd in 2022 de eerste zoöp ter wereld.

Wat is een zoöperatie precies?

‘Zoöps hebben een zogenoemde spreker voor de levenden ingesteld: een woordvoerder die binnen de organisatie de belangen van alle levende dingen intern vertegenwoordigt. De belangen van planten, dieren en bodem worden zo deel van de bedrijfsvoering.

Als vertrekpunt worden alle manieren in kaart gebracht waarop bedrijven hun omgeving beïnvloeden. Vervolgens gaan zoöps aan de slag met het verkleinen van hun negatieve impact en het vergroten van de positieve impact. De status ‘zoöp’ kijkt niet zozeer naar wat je al behaald hebt, maar vooral naar inspanningen om te verbeteren.

Daarmee worden zoöps onderdeel van een ecosysteem waarin alles samenwerkt en nut heeft. In de natuur geldt: wat afval is voor de één, is bruikbaar voor de ander. Mensen zijn de enige levende wezens op aarde die afval produceren waar niemand iets mee kan. Zelfs de mens niet. Terwijl juist organisaties ook een positieve impact kunnen maken binnen een ecosysteem.

Organisaties zullen altijd impact hebben op hun omgeving. Het is niet de vraag of dat mag of niet, maar hóe ze dat doen. Je kunt het zo doen dat ander leven er ook iets aan heeft.’

Hoe kwam je op dit idee?

‘Bijna acht jaar geleden las ik het toen meest recente rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Het verlies aan ecologische robuustheid − biodiversiteit, maar zeker ook biomassa − werd gepresenteerd als de moeder van alle crises. Dat wist ik al wel, maar nu kwam het echt binnen. Ik wist: we moeten het heel anders gaan doen dan we tot nu toe hebben gedaan. Maar hoe dan?

In dezelfde periode kwam ik in aanraking met de beweging voor rechten voor de natuur. De Whanganui-rivier was enkele jaren eerder als rechtspersoon erkend in de Nieuw-Zeelandse wet. Ik zag voor het eerst dat het mogelijk was om dingen zo fundamenteel te veranderen dat er ruimte komt voor niet-menselijk leven. Maar als je in Nederland iets wilt met rechten voor de natuur, moet je door de Tweede en de Eerste Kamer; toen al niet heel kansrijk. Daarom gingen we op zoek naar wat er al wél kon.’

Hoe ziet dat eruit?

‘We hebben het vaak over het verkleinen van onze ecologische voetafdruk. Maar we moeten tegelijkertijd ook onze positieve impact vergróten. Daarvoor moet je je afvragen: wat hebben anderen nodig?

Het Nieuwe Instituut constateerde bijvoorbeeld dat de eigen parkeerplaats niet langer houdbaar was. Die hield niet alleen mensen in de auto, maar zat ook allerlei andere vormen van leven in de weg. De parkeerplaats is nu een tuin. Goed voor de insecten, vogels én waterhuishouding. En het stimuleert mensen om met de fiets of het ov te komen.

Ook het Amstelpark in Amsterdam is een zoöp. Samen pakken we vragen aan als: waarom staan de lantaarns ‘s nachts aan in een park dat gesloten is, terwijl dat zo slecht is voor de biodiversiteit?’

Ik kan me voorstellen dat het moeilijk is om op die manier te gaan denken.

‘We ontdekten vrij snel dat het niet begint met organiseren, maar met sensibiliseren. Het is heel belangrijk dat de medewerkers van een organisatie verbinding leggen met de wereld om hen heen. Dat ze niet alleen snappen, maar ook voelen dat ze onderdeel zijn van een ecosysteem.

Nu zien we planten en dieren als gratis arbeiders die mensen bedienen met schone lucht en schoon water. Het is belangrijk dat mensen zich realiseren dat ze ook iets terug kunnen en moeten doen. Voor dat sensibiliseren gebruiken we onder meer ecosysteem-opstellingen. Mensen leven zich dan in in de rol van bijvoorbeeld planten, bodemleven of gebouwen.’

Treden jullie hiermee in de voetsporen van inheemse gemeenschappen?

‘Veel van de sprekers voor de levenden ontlenen kennis en gedachtegoed aan inheemse gemeenschappen. Dat gaat vooral om verbondenheid met het ecosysteem waarin je je bevindt.’

De huidige zestien zoöps zijn vooral missiegedreven organisaties. Heb je de ambitie om ook bedrijven mee te krijgen die vooral gericht zijn op winst maken?

‘Deels. Er kloppen veel B Corps en familiebedrijven bij ons aan, vaak met circulaire praktijken of ambities. Dat betekent overigens lang niet altijd dat ze al regeneratief werken. Kijk naar Creative Coding Utrecht. Zij hebben een gevel die gemaakt is van oude NS-borden. Vanuit circulair oogpunt is dat fantastisch, maar nu het kunststof afbrokkelt heeft het negatieve gevolgen voor de bodem. Eén van hun doelen als zoöp is daarom de gevel te veranderen in een gevel die leven ondersteunt.

We streven ernaar dat zeker 25 procent van de organisaties zoöp is. Dat staat bekend als het sociale kantelpunt, waarna een ontwikkeling zichzelf gaat versterken en de norm verandert. Het helpt natuurlijk als grote organisaties zich aansluiten, vooral als zij de rest van hun sector inspireren. Een voorbeeld is drainagebedrijf AllDrain. Maar ook de Breda University of Applied Sciences is recent, als eerste hogeschool, een zoöp geworden. Aan het einde van dit jaar willen we met dertig zoöps zijn.’

Met wie wil je graag nog samenwerken?

‘Ik vind het belangrijk om de landbouw mee te krijgen. Daar zou ik graag een nog grotere regeneratieve beweging zien. Maar ook gezondheidszorg is zeer interessant. Zoöp zijn gaat prachtig samen met werken aan gezondheid.’

Lees ook:

Rift kan nu fabriek bouwen voor ijzerpoeder om industrie van het gas af te helpen

Liefst 114 miljoen euro haalde de Eindhovense scale-up Rift op voor een nieuwe fabriek, bleek dinsdag. Rift werkt aan een compleet nieuwe brandstof voor de industrie op basis van ijzerpoeder. De investeerders die al aan boord waren – Invest-NL, Rubio, regionale investeerders Oost NL, BOM, Energietransitiefonds Rotterdam en pensioenuitvoerder PGGM – geven dit keer een fors commitment af.Daarnaast kreeg Rift nog een subsidie van ruim 30 miljoen euro van het EU Innovation Fund. Een bewijs dat ceo en medeoprichter Mark Verhagen ze ervan heeft weten te overtuigen dat zijn team op de goede weg is om straks, in 2029, een fabriek neer te zetten. Kip-en-eiprobleem doorbroken De afgelopen tijd hebben scaleups achter andere circulaire fabrieken, van plasticrecycling tot fosfaatwinning uit afvalwater en het upcyclen van voedselresten, juist de grootst mogelijke moeite hebben om overeind te blijven. Laat staan een fabriek voorbij het stadium van de rekentafel te krijgen.‘We moesten dat kip-en-eiprobleem doorbreken’, bevestigt Verhagen. Want ook bij nieuwe energie loop je tegen hetzelfde aan: klanten willen geen brandstofcontract tekenen als de fabriek er nog niet staat. En financiers willen geen fabriek financieren als er nog geen klanten zijn.Verhagen: ‘Risico’s spelen ook bij een installatie die Shell neerzet, maar met nieuwe technologie is dat veel hoger.’ Rift heeft dat probleem opgelost door het ‘terug te leggen bij de financiers’: er is nu voldoende geld tot de eerste fabriek ‘gaat draaien en er geld uit de schoorsteen komt.’ IJzerpoeder als alternatief voor gas Het principe klinkt prachtig: een fabriek die warmte nodig heeft, kan in plaats van aardgas het ijzerpoeder van Rift in een Iron Fuel Boiler verbranden. Daarna komt de magie: de roest die daarbij overblijft, gaat voor verwerking terug naar Rift, dat met behulp van (groene) waterstof weer ijzerpoeder produceert. Een gesloten cirkel waarmee pakweg een papierfabriek of bierbrouwer die minder CO2 wil uitstoten, van het gas af kan.Het maakt ijzerpoeder voor industriële bedrijven die proceswarmte nodig hebben een veelbelovende optie. Niet onbelangrijk, want industriële warmte is verantwoordelijk voor ruwweg 20 procent van alle CO2-uitstoot wereldwijd. Rift: € 2,5 miljard aan contracten Hier zit niet alleen de energietransitie op te wachten, de industrie zelf lijkt ook te popelen. Verhagen heeft voor 2,5 miljard euro aan contracten binnen in de vorm van een 'letter of intent', toezeggingen van klanten die wel aan het ijzerpoeder willen zodra Rift kan leveren.‘De wil om te decarboniseren is groter dan ooit’, stelt Verhagen. ‘De industrie blijft op dit moment vooral achter doordat de pijn en de problemen die dat oplevert, zichtbaar worden.’Ze moeten wel even geduld hebben, want de fabriek waarvoor Rift nu financiering regelt, gaat pas in 2029 draaien. Waarschijnlijk komt hij in Antwerpen (‘We maken parallel plannen voor Rotterdam, maar België ligt voor, mede dankzij de Europese subsidie.’) en produceert dan voldoende alternatieve brandstof voor 8 à 10 boilers bij klanten die van het gas af willen, zegt Verhagen. IJzerbrandstof mag klant niet op kosten jagen Dat het principe van ijzerbrandstof werkt, is één ding. Dat het in een industriële installatie kan worden ingepast, is natuurlijk ook een absolute voorwaarde. Maar Verhagen moet ook voor elkaar krijgen dat zo’n ijzerboiler economisch rond rekent.Plat gezegd: het mag zijn klanten geen extra geld kosten. ‘We willen niet dat ons voedsel duurder wordt. En het is essentieel voor bedrijven om te kunnen overleven. Als jij een warmtepomp overweegt, ga je ook eerst een sommetje maken: ben ik wel voordeliger uit?.’Het zijn nogal wat vakken op het schaakbord die Rift moet invullen: waterstof en ijzerpoeder moeten tegen de juiste prijzen kunnen worden geleverd door de juiste partijen, de investering in de boilers moet renderen, en dat geldt natuurlijk ook voor de brandstoffabriek, waarvoor nu al plannen op diverse locaties worden ontwikkeld.Het is de bedoeling dat klanten langjarige contracten tekenen voor de afname van de ijzerbrandstof, liefst klanten die aantrekkelijk zijn in de ogen van de financiers. Duurzame fabriek voor ijzerpoeder ‘Uiteindelijk zijn we een nieuwe Shell, al leveren we geen olie of gas, maar ijzerbrandstof. We bouwen een duurzame raffinaderij.’ Waar je raffinaderijen ziet, kun je in de toekomst dus ook Rift-fabrieken tegenkomen, schetst hij.Klanten zitten in een energie-intensief industriecluster van bedrijven in voedsel, papier, glas en bouwmaterialen die vaak buiten die havengebieden actief zijn. ‘Tot een afstand van 500 kilometer komt ons model uit, het ijzer kan met trucks worden vervoerd.’ Over water rekent alles zelfs tot over een afstand van 10.000 kilometer rond. ‘Dan ben je LNG-achtig bezig.’Een uitgebreid versie van dit artikel verscheen eerder op MT/Sprout Lees ook:Industrie klaar om schoon ijzerpoeder van RIFT te gebruiken als energiebron: voor € 3 miljard aan contracten op stapel 3 jonge energietechbedrijven slaan met warmtebatterijen een brug tussen duurzame stroom en industriële warmte Industrie kan energiekosten flink drukken dankzij thermische warmteopslag