Maaike Kooijman
15 april 2026, 12:38

Als kind wilde Nynke Eggen al in de modewereld werken, nu zet ze diezelfde wereld op z'n kop

Catwalks en fashion weeks stralen glitter en glamour uit. Maar daarachter gaat een wrede, vervuilende industrie schuil, weet changemaker Nynke Eggen. Zij adviseert Kuyichi en andere kledingmerken over hun duurzaamheidsstrategie − en hoe daarover te communiceren. ‘Niemand is geïnteresseerd in een rapport vol duurzaamheidsjargon, maar mensen houden wél van mooie verhalen.’

Changemaker Nynke Eggen Changemaker Nynke Eggen: 'Sommige duurzame merken verwachten dat duurzaamheid een goed unique selling point is, maar alleen daarmee bereik je de massa niet.' | Credits: Linda Hastrich/bewerking Change Inc.

Je begon je carrière als modeontwerper, maar houdt je nu bezig met strategie. Vanwaar die switch?

‘Na mijn opleiding begon ik als zelfstandig ontwerper. Voor mijn zero waste modelabel werkte ik alleen met deadstock: stoffen die andere designers niet konden gebruiken. En door veel met plooien en inkepingen te werken, kon ik ervoor zorgen dat stoffen mooi om het lichaam vielen zonder dat er snijafval overbleef.

Ik verdiende daar wel wat geld mee, maar niet veel. Voor een baas gaan werken stelde me in staat om te wonen op meer dan tien vierkante meter. In eerste instantie nog steeds als ontwerper, pas later ging ik me bezighouden met maatschappelijk verantwoord ondernemen, zoals dat toen nog heette. Het bedrijf waar ik werkte, LaDress, sloot zich aan bij het Convenant voor duurzame kleding en textiel. Zodoende werden we door overheid en ngo’s geholpen socialer en duurzamer te worden. Daar heb ik veel van geleerd.’

Wat opende je ogen voor de misstanden in de kledingindustrie?

‘Al toen ik een jong meisje was, was ik verliefd op mode. Mooie kleding, mooie mensen, spannende nieuwe dingen. Ik wilde heel graag die prachtige wereld in. Pas later kwam ik erachter dat er een veel minder prachtige wereld achter zat. Ongelijkheid, vervuiling, noem maar op.

Dat komt met name door een docent die ik had op de kunstacademie. Duurzaamheid was nog geen onderdeel van het curriculum, had nog een geitenwollensokkenimago. Hij besteedde er wel aandacht aan, zij het tussen neus en lippen door. Ik ben me er toen zelf meer in gaan verdiepen. Heb boeken gelezen, documentaires gekeken. Met name The True Cost vond ik heel verhelderend.’

Hoe neem je anderen mee in de verduurzaming van de modewereld?

‘Het is belangrijk om de arbeidsomstandigheden en milieu-impact in je keten in kaart te brengen, maar in zulke rapportages gaat ook veel geld zitten. Bedrijven willen dat geld natuurlijk terugverdienen. Storytelling is daarvoor heel belangrijk. Niemand is geïnteresseerd in een zwart-wit rapport vol MVO-jargon, maar mensen houden wél van mooie verhalen.

Verhalen laten duurzaamheid leven. Dat maakt een merk sterker richting de klant, maar zorgt ook binnen bedrijven voor draagkracht. Duurzaamheid moet geen taaie compliance-opgave zijn, maar iets wat enthousiast en positief stemt.’

Je zet je ook sterk in voor het gangbaar maken van duurzame merken.

‘Als ik nieuwe laarzen wil kopen, focus ik in eerste instantie op hoe die eruit moeten zien en wat de kwaliteit moet zijn. En dat geldt voor iedereen. Daarom is het belangrijk dat producten niet alleen duurzaam zijn, maar vooral gewild. Alleen dan kunnen duurzame merken groeien.

Sommige duurzame merken verwachten dat duurzaamheid een goed unique selling point is, maar alleen daarmee bereik je de massa niet. Het is heel belangrijk om je merkverhaal goed neer te zetten. Duurzaamheid kan daar een onderdeel van zijn, maar niet het hele verhaal.’

Hoe kunnen duurzame modemerken nog overleven in het tijdperk van Shein en Temu?

‘Het is een mythe dat je niet goedkoop én duurzaam kunt zijn. Kijk naar Zeeman. Zij kunnen voor 4 euro een rompertje aanbieden van gecertificeerd biologisch katoen, waarbij fabrieksarbeiders ook nog eens een leefbaar loon krijgen. Fastfashionmerken hebben dus geen enkele reden om niet duurzaam te opereren. Dat ze dat niet doen, ligt vooral aan hun verdienmodel. Met elke week een nieuwe collectie wordt het lastig de goede certificaten te regelen.

Schaal is hierbij wel een belangrijke factor. Zeeman opereert op grote schaal, Kuyichi niet. Daarom moeten we ondanks lage marges een hogere prijs vragen.’

Moet Kuyichi weleens wat laten schieten om het hoofd boven water te houden?

‘We zamelen oude Kuyichi-spijkerbroeken in en zouden die heel graag verwerken tot nieuwe, om tot een volledig circulair systeem te komen. Dat is nog niet haalbaar voor ons. Het gaat simpelweg om te kleine aantallen, waardoor de kosten van het opzetten van zo’n systeem niet in verhouding zijn.

Ook voor andere dingen is niet altijd budget. Hoe cool zou het zijn om een eigen duurzaam materiaal te ontwikkelen en daaromheen een grote campagne op te zetten? Dat kan helaas niet. Want we willen weliswaar zo veel mogelijk het goede doen, maar uiteindelijk concurreren we met een heleboel niet-duurzame merken. Het moet niet zo zijn dat wij gestraft worden omdat we het beste kindje van de klas willen zijn.’

Hoe kijk je naar de toekomst van textiel?

‘Het is niet bemoedigend dat duurzaamheid wereldwijd minder aandacht krijgt dan een paar jaar geleden. Tegelijkertijd zie ik de toekomst positief in. Er is bijvoorbeeld veel wet- en regelgeving in de maak die bedrijven gaat dwingen te verduurzamen. Denk aan het digitale productpaspoort voor textiel en de forced labour regulation, die ervoor zorgt dat producten op de Europese markt straks aantoonbaar zonder gedwongen arbeid geproduceerd moeten zijn.

Steeds meer bedrijven brengen ook de mogelijke risico’s in hun toeleveringsketen in kaart. Daarop heeft klimaatverandering veel impact. Is er straks nog wel genoeg aardolie om polyester te maken, en wat doet extreem weer met de katoenteelt? Het wordt steeds duidelijker dat een duurzaam alternatief vaak goedkoper is dan een crisis oplossen. Duurzaamheid wordt daardoor iets waar niet alleen de duurzaamheidsmanager zich mee bezighoudt, maar ook de ceo en de cfo. Het gaat immers om het voortbestaan van het bedrijf.

Tegelijkertijd zie je dat bedrijven te vaak in rapportages blijven hangen en dat de impact niet daalt. Plannen maken is natuurlijk lekker veilig, maar uiteindelijk moeten we ook gaan dóen. Grappig genoeg zijn juist die rapportagetools eigenlijk ontworpen om impact gestructureerd te verlagen. Daar kan nog veel meer gebruik van worden gemaakt.’

Met wie zou je graag nog samenwerken?

‘Pangaia en Ganni zijn merken die ik heel inspirerend vind. Zij zijn niet alleen duurzaam, maar maken ook echt coole producten en creëren daar een soort hype omheen. Van hen zou ik wel willen leren.’

Lees ook:

Op scholen sneeuwt duurzaamheid makkelijk onder, maar: 'Toekomstgeletterdheid is belangrijk voor jongeren'

De leerling van vandaag is de werknemer van morgen. Of nou ja, van het volgende decennium. Maar worden leerlingen wel voorbereid op een duurzame toekomst?Deels, blijkt uit het woensdag gepubliceerde rapport Staat van het Duurzaam Onderwijs. Dat is een aanvulling op de eveneens woensdag gepresenteerde Staat van het Onderwijs 2026. Want 'wie onderwijskwaliteit onderzoekt, moet ook kijken in hoeverre onderwijs jongeren voorbereidt op hun toekomst in een wereld met ecologische grenzen, sociale rechtvaardigheid en economische veranderingen', luidt de toelichting.De toon van het rapport is positief: er zijn al een heleboel duurzame initiatieven. Maar echt snel gaat het allemaal niet, lees je tussen de regels door. Wel aandacht voor duurzaamheid, maar praktijk blijft achter De Staat van het Duurzaam Onderwijs wordt jaarlijks uitgebracht door Leren voor Morgen, een coöperatie van onderwijsinstellingen en andere organisaties die werken aan de verduurzaming van het onderwijs.Dit jaar werd er voor het eerst geen kwantitatief, maar kwalitatief onderzoek gedaan. Daardoor is het lastig de voortgang ten opzichte van voorgaande jaren te zien. Tegelijkertijd kunnen zo trends worden gezien die uit de cijfers (nog) niet blijken, zegt projectleider Nelleke Jacobs. Zoals een voorzichtige ontwikkeling bij gemeenten. 'We zien dat gemeenten duurzaam onderwijs vaker koppelen aan andere beleidsagenda's, zoals cultuur en gezondheid. Dat vergroot het draagvlak voor duurzaamheidseducatie.'Aandacht voor duurzaamheid in het onderwijs is er dus wel degelijk, zowel op scholen als daarbuiten. Maar er zijn ook flinke uitdagingen.De grootste daarvan is de kloof tussen beleid en uitvoering. Die is in het onderwijs net zo aanwezig als in het bedrijfsleven – of misschien zelfs groter, ziet Leren voor Morgen. Duurzaamheid wordt bijvoorbeeld wel opgenomen in zogenoemde koersplannen van scholen, maar die visies zijn te algemeen om handvatten te bieden in de klaslokalen. Jacobs: 'In de praktijk worden schoolleiders en opleidingsmanagers daardoor geleefd door andere dingen, zoals doorstroomtoetsen en slagingspercentages.'Docenten die duurzame ontwikkeling belangrijk vinden zijn daardoor vaak aangewezen op zichzelf. Ze zoeken elkaar wel steeds vaker op om van elkaar te leren, blijkt uit het onderzoek. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij netwerkorganisaties als Teachers for Climate. Vrijheid van onderwijs als vloek en zegen Die netwerken raken aan een tweede drempel voor verduurzaming. Om kennis en vaardigheden over te kunnen dragen, moeten docenten ze zelf wel hebben.Docenten kunnen zich bijscholen. Daarvoor is bijvoorbeeld de Masterclass duurzaam onderwijs opgericht. En de Wageningen Pre-University organiseert docentendagen in het kader van onder meer buitenonderwijs en de eiwittransitie. Voor zulke bijscholing is tijd en geld beschikbaar, zegt Giuseppe van der Helm, directeur van Leren voor Morgen. 'Maar dat geld wordt bijna nooit uitgegeven.'Scholen zeggen vaak dat er geen tijd voor is, legt Van der Helm uit. 'Ze vergeten dat ze die tijd zelf kunnen maken. Ik ken scholen die een aantal weken lang hun lessen verkort hebben, zodat docenten de overgebleven tijd konden besteden aan bijleren of het ontwikkelen van eigen lesmethoden.'De vrijheid van onderwijs is hierin zowel een vloek als een zegen. Enerzijds mag het Ministerie van Onderwijs niet te veel opleggen, waardoor scholen en docenten vaak aangewezen zijn op zichzelf. Tegelijkertijd is er daardoor veel ruimte om te experimenteren met nieuwe lesmethoden, zegt Van der Helm. 'Dat maakt het leuk voor leerling én docent. Een docent die veertig jaar lang bestaande methoden gebruikt heeft misschien een makelijk leven, maar geen léuk leven.' Duurzaamheid? Nee, toekomstgeletterdheid Hoe moeten die nieuwe methoden eruit zien? Volgens Van der Helm moeten scholen duurzaamheid breder gaan zien dan ze nu doen. Het klimaat wordt nu gezien als een apart thema, naast bijvoorbeeld emancipatie, kolonialisme en circulariteit, zegt hij. 'Maar duurzaamheid omvat ál die dingen. Het gaat in feite om toekomstgeletterdheid. Duurzaamheid is daarmee geen thema, maar de kern van het onderwijs: kinderen en jongeren voorbereiden op de toekomst.'Een oplossing is om de focus te verschuiven van kennis naar vaardigheden, zegt Van der Helm. Ja, jongeren moeten weten dat de aarde opwarmt en waar dat door komt. Maar ze moeten vooral weten hoe ze daarmee om moeten gaan en hoe het met andere dingen samenhangt, zoals geopolitiek en vluchtelingenstromen. Van der Helm: 'Systeemdenken en leren bijdragen aan oplossingen is cruciaal. Dat geeft jongeren ook grip op hun zorgen om klimaat en geopolitiek, die nog boven op de prestatiedruk op scholen komen.' En de leerling zelf? De vraag rest: zitten jongeren daar wel op te wachten? Studies naar klimaatstress bij jongeren zijn verre van eenduidig, erkent Jacobs. En recent bleek dat duurzame opleidingen in het hoger onderwijs kampen met flink teruglopende studentenaantallen.'Waar leerlingen vroeger een belangrijke drijvende kracht waren achter de aandacht voor duurzaamheid, lijkt dit tegenwoordig minder het geval te zijn', schrijft Leren voor Morgen in haar rapport. En over de aandacht voor handelingsperspectief: 'Of deze vraagstukken en didactische aanpak aansluiten bij de belevingswereld van leerlingen is onbekend.'Maar misschien doet het er ook niet zo veel toe of leerlingen wel of niet meer duurzaamheid willen, zegt Jacobs. Net als in de rest van de wereld ziet zij onder leerlingen twee soorten stemmen die heel erg voor of tegen duurzaamheid zijn. 'Maar er is ook een heel grote, stille groep die zoekend is. Die zich zorgen maakt, maar zich niet durft uit te spreken. Het is een heel belangrijke taak van het onderwijs om ook die jongeren te helpen hun eigen mening te vormen en hen te leren hoe je een gesprek voert over gepolariseerde onderwerpen. Dat is waar duurzaam onderwijs over gaat.' Lees ook:Tekort aan technisch personeel? Deze scholen leiden de groene chemici van de toekomst op Economieonderwijs is toe aan vernieuwing