Willen we in de toekomst toegang tot voldoende en schoon drinkwater behouden, dan zullen er nieuwe bronnen én nieuwe infrastructuur bij moeten komen. Met alleen korter douchen en minder beregenen redden we het niet, waarschuwde drinkwaterbedrijf Vitens afgelopen week.
Een positieve boodschap is dat niet. Toch is de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) er waarschijnlijk maar wat blij mee. Het adviesorgaan publiceerde donderdag een nieuw rapport Zorg voor water: de toekomst van ons drinkwater als gezamenlijke opgave. En wat laat de urgentie beter zien dan een drinkwaterbedrijf dat nieuwe aanvragen moet weigeren?
Die urgentie is wellicht precies wat drinkwater nodig heeft, want de omvang van het probleem wordt vaak nog niet gezien. ‘Het is nu eenmaal niet zo dat er over twee dagen geen druppel water meer uit de kraan komt’, zegt Erik Verhoef, hoogleraar ruimtelijke economie aan de Vrije Universiteit en voorzitter van de adviescommissie van Rli. ‘Daardoor delft drinkwater vaak het onderspit in de concurrentie om ruimte in Nederland. Maar we moeten wel degelijk nu actie ondernemen.’
Als het aan de Rli ligt, komt die actie er zo snel mogelijk. De raad is niet de eerste met dat advies; onder andere het RIVM en de Algemene Rekenkamer kwamen eerder tot dezelfde conclusie. Uniek aan het nieuwe advies is echter dat het niet vooruitkijkt tot 2030 of 2050, maar zeker tot het einde van de eeuw.
Wat maakt die blik op 2100 zo belangrijk?
Verhoef: ‘Kijk je naar de komende jaren, dan is vooral het opvangen van de schaarste belangrijk. Daarvoor kom je met extra vergunningen en drinkwaterbesparing een heel eind. Maar de bedreigingen voor het drinkwatersysteem blijven daarmee in stand. Klimaatverandering wordt erger, waardoor er langere perioden van droogte zijn. Het zoetwatersysteem − de bron van ons drinkwater − raakt verder vervuild. En ondertussen nemen de bevolking én het aantal economische activiteiten toe, waarmee de vraag naar drinkwater stijgt. Er zijn daarom structurele aanpassingen nodig.
Vergelijk het met de energietransitie. Decennia geleden werd al voorspeld: als we elektrificeren, lopen we tegen grenzen aan. Die grenzen zie je nu heel duidelijk in de lange wachtrijen voor een aansluiting op het stroomnet. Dat willen we voorkomen als het om drinkwater gaat. Want een avondje in het donker zitten is vervelend, maar als er geen drinkwater is, wordt het een kwestie van leven en dood.’
Welke maatregelen zijn het meest urgent?
‘We willen niet in de valstrik trappen om de ene maatregel belangrijker te maken dan de andere, want het is allemáál nodig. Maar natuurlijk moeten sommige dingen sneller gebeuren dan andere. De politiek moet bijvoorbeeld zo snel mogelijk beginnen met het opstellen van een landelijke langetermijnstrategie. Verder moeten we op de korte termijn vooral aandacht besteden aan de kwaliteit van het zoetwatersysteem. Ook wettelijk: in 2027 moeten we voldoen aan de doelen in de Europese Kaderrichtlijn Water. Van vervuiling die nu in het grondwater komt, hebben we nog heel lang last, ook in de drinkwatervoorziening.
Nu zien we ons drinkwater en onze meren en rivieren als aparte dingen. Maar we maken ons drinkwater van oppervlaktewater. Dus is het belangrijk dat we ons zoetwatersysteem beter beschermen zodat het niet vervuild raakt. Tegelijkertijd kan ons zoetwatersysteem ook helpen om extra water op te slaan voor droge periodes.’
5 aanbevelingen
Het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) is gericht aan het kabinet. De Rli doet het kabinet vijf concrete aanbevelingen:
- Zorg met spoed voor een gezond zoetwatersysteem;
- Ontwerp een landelijke strategie voor de drinkwatervoorziening;
- Zorg voor doorzettingskracht in het versnipperde bestuurlijke landschap;
- Creëer financiële ruimte voor noodzakelijke investeringen door overheid en drinkwaterbedrijven;
- Stuur met prijzen en innovatie op vermindering van waterverbruik.
Het kabinet is verplicht op het advies te reageren.
Jullie pleiten voor een landelijke strategie, maar stellen ook dat de uitdagingen per regio verschillen.
‘Het zoetwatersysteem houdt zich niet aan provinciegrenzen. Een landelijke strategie is daarnaast belangrijk omdat er nu gewerkt wordt aan de zogenoemde Nota Ruimte, waarin duidelijk moet worden hoe Nederland er in de toekomst uit gaat zien. Het zoetwatersysteem, als bron voor drinkwater, moet daarin een grotere rol krijgen dan nu het geval is.
Dat leidt tot ingewikkeld keuzes. Willen we bijvoorbeeld woningen bouwen in of langs het IJsselmeer, ook al is dat een belangrijk zoetwaterbassin? Die vraag kun je eigenlijk pas beantwoorden als je weet hoe en hoeveel water je elders in het land gaat opslaan.’
Wat betekent jullie advies voor bedrijven? Enerzijds concurreren die om ruimte met zoet- en drinkwater, anderzijds zijn ze er ook van afhankelijk.
‘Ja, dat schuurt. Uiteindelijk denk ik dat veel economische activiteiten er vooral baat bij hebben als het watersysteem op orde is. Kijk bijvoorbeeld naar boeren. Zij willen toch geen beregeningsverbod in de droogste perioden?
Daarom moeten ook bedrijven minder slordig omgaan met (drink)water. Als we er even economisch naar kijken: hoe minder vraag naar water erbij komt, hoe minder ver je hoeft te gaan in het vergroten van het aanbod. En hoe minder fel de strijd om ruimte hoeft te zijn.
Bedrijven zijn daarnaast een bron van vervuiling, in de vorm van pesticiden, pfas en medicijnresten. We pleiten niet per se voor strenge normen − die zijn er al. Maar er is wel meer opvolging van die normen en handhaving nodig.’
Hoeveel potentie hebben technische oplossingen zoals decentrale waterzuivering?
‘Daar wordt heel verschillend over gedacht. Ook dit bekijk ik economisch. Wegen de kosten van het decentraal organiseren, inclusief de mogelijke gezondheidsrisico’s, op tegen investeringen in een betere centrale voorziening? Het antwoord weet ik niet. Wij adviseren slechts om het potentieel van innovatie te evalueren.’



