Jeroen de Boer
04 juni 2026, 15:01

Kansen voor verduurzaming van kunstmest: van groene ammoniak tot alternatieven in de landbouw

Kunstmest behoort net als staal, beton en plastic tot de onmisbare bouwstenen van de moderne samenleving. Maar de productie en het gebruik van kunstmest zorgen voor een hoge uitstoot van broeikasgassen. Snelle uitstootreductie blijkt lastig, maar dat betekent niet dat er geen oplossingen zijn. Welke kansen zijn er om te verduurzamen? Een overzicht.

kunstmest verduurzaming landbouw mest | Credits: Loren King / Unsplash.com

De uitvinding van synthetische kunstmest ruim een eeuw geleden heeft revolutionaire gevolgen gehad voor de groei van de wereldbevolking. Kunstmest heeft de opbrengst per hectare van de landbouwproductie drastisch verhoogd, maar is ook een belangrijke bron van de uitstoot van broeikasgassen geworden. Bovendien blijkt kunstmest niet immuun voor geopolitieke onrust.

De afgelopen maanden stegen prijzen van kunstmest fors op de wereldmarkt, omdat de blokkade van de Straat van Hormuz in het Midden-Oosten ook grote gevolgen had voor de export van kunstmest door landen uit die regio. Daar hebben onder meer Europese boeren last van.

Er zijn verschillende opties om de productie en het gebruik van mest te vergroenen en diversifiëren, maar verduurzaming op dit vlak heeft nog een flinke weg te gaan. Change Inc. dook in de cijfers.

De lastige 4: staal, beton, plastics en kunstmest

Ontwikkelde economieën draaien op een aantal onmisbare basisproducten. In zijn boek How The World Really Works stelt energie-expert Vaclav Smil dat het moderne leven ondenkbaar is zonder staal, beton, plastics en kunstmest. Tegelijk blijkt juist de productie van deze vier pijlers van welvaart gepaard te gaan met een hoge uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen.

Uitstootverlaging bij de productieprocessen van staal, beton, kunstmest en plastic behoort tot de grootste uitdagingen van deze tijd. In een vierluik belicht Change Inc. de stand van zaken, met in dit derde deel aandacht voor kunstmest.

Kunstmest: belangrijke voedingsstoffen voor planten

Kunstmest is ontworpen om planten efficiënt van een aantal essentiële voedingsstoffen te voorzien. De kunstmestindustrie richt zich hoofdzakelijk op drie bouwstenen: stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K). Kunstmestproducten worden standaard onderverdeeld op basis van deze drie hoofdklassen.

In het plaatje hieronder van de International Fertilizer Organization (IFA) is weergegeven wat de routes zijn voor de productie van de drie hoofdsoorten kunstmest. Het groene schema heeft betrekking op stikstof, het donkerblauwe diagram op fosfor en het bruine op kalium.

Credits: International Fertilizer Organization (IFA)

Voor op stikstof gebaseerde kunstmest geldt dat ammoniak de basis vormt. Ammoniakgas bestaat uit een combinatie van stikstof en waterstof (NH3). De hiervoor gebruikte waterstof wordt voor het overgrote deel onttrokken aan aardgas, terwijl de stikstof uit de lucht wordt gehaald. Met behulp van ammoniak worden diverse soorten stikstofkunstmest gemaakt, waarvan ureum het meest gebruikte product is.

Bij de productie van waterstof uit aardgas komt veel CO₂ vrij. Dat betekent dat de productie van ‘grijze ammoniak’ voor de kunstmestindustrie een grote bron van broeikasgasuitstoot is.

Fosfor en kalium zijn juist onderdeel van ertsen die via mijnbouw worden gewonnen. Vervolgens vindt verdere bewerking plaats voor de kunstmestindustrie. Van belang is dat ammoniak (Engels: ammonia) of het daarvan afgeleide salpeterzuur (nitric acid) ook bij diverse op fosfor en kalium gebaseerde kunstmestproducten een belangrijke rol speelt. Dat is te zien in de productieschema’s hierboven.

Per saldo komt het erop neer dat vergroening van de ammoniakproductie essentieel is voor de gehele kunstmestketen.

Uitstoot van broeikasgassen door kunstmest (en organische mest)

Kunstmest zorgt op twee manieren voor uitstoot van broeikasgassen: bij de productie en bij het gebruik ervan in de landbouw. Bij de productie gaat het vooral om de CO₂-uitstoot van grijze ammoniak.

Het gebruik van kunstmest gaat gepaard met bodemreacties die zorgen voor emissies van distikstofoxide (N2O) en methaan, beide broeikasgassen die veel krachtiger zijn dan CO₂. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat ook de toepassing van organische (dierlijke) mest voor dergelijke bodemreacties kan zorgen en leidt tot uitstoot van broeikasgassen.

Data van VN-landbouworganisatie FAO laten zien dat de productie van kunstmest op jaarbasis verantwoordelijk is voor ongeveer 470 miljoen ton aan uitstoot in CO₂-equivalent. Het gebruik van kunstmest is goed voor 620 miljoen ton aan emissies, en het gebruik van organische mest voor 160 miljoen ton.

De emissies van distikstofoxide en methaan zijn in onderstaande grafiek omgerekend naar CO₂-eenheden.

De 1,25 miljard ton aan emissies in CO₂-equivalent bij de productie en het gebruik van (kunst)mest zijn goed voor 2 procent van de jaarlijkse mondiale uitstoot van broeikasgassen.

Wereldmarkt voor kunstmest

De productie van kunstmest vindt in een beperkt aantal landen plaats. Een gangbare manier om naar de markt te kijken werkt met een onderverdeling op basis van de drie belangrijkste voedingsstoffen: stikstof (N), de fosforhoudende stof fosfaat (P5O2) en het op kalium gebaseerde kaliumoxide (K2O).

Voor de vergelijking van de jaarproductie van landen wordt gekeken naar het gewicht van stikstof, fosfaat en kaliumoxide. Daarbij moet je in het achterhoofd houden dat dit geen daadwerkelijke eindproducten zijn, maar voedingsstoffen die onderdeel vormen van specifieke kunstmestproducten.

In de grafieken hieronder zie je dat de kunstmestmarkt voor stikstof op basis van deze indeling het grootst is (ongeveer 120 miljoen ton per jaar). De omvang van de markten voor fosfaat en kalium bedraagt in beide gevallen ongeveer een derde van die van stikstof.

Voor elk van de drie deelmarkten geldt dat de vijf tot acht grootste spelers ongeveer 70 procent tot 80 procent van de markt in handen hebben. Tussen de markten voor stikstof-, fosfaat- en kaliumproducten zijn er wel accentverschillen.

Zo zijn China en India zowel bij stikstofkunstmest als fosfaatkunstmest dominante spelers, maar is onder meer Canada belangrijk voor kalium. Rusland is juist op alle drie de deelmarkten sterk aanwezig.

Kunstmestproducten: ureum domineert

Een andere manier om naar de markt te kijken is op productniveau. In de grafiek hieronder kun je zien wat de belangrijkste producten zijn voor kunstmest op basis van stikstof, fosfaat en kalium.

Te zien is bijvoorbeeld dat ureum het belangrijkste product is voor stikstofkunstmest, met een jaarproductie van ongeveer 200 miljoen ton. Van het totale volume aan ureum bestaat ongeveer 90 miljoen ton uit de nutriënt stikstof.

Groene ammoniak voor de kunstmestindustrie

Zoals aangegeven is vergroening van de productie van ammoniak een belangrijke route om serieuze stappen te maken met het verduurzamen van de kunstmestproductie. Dat betekent in de praktijk dat er veel meer groene waterstof nodig is die via elektrolyse aan water wordt onttrokken, in plaats van waterstofproductie op basis van aardgas.

Voor kunstmestfabrieken die ureum produceren, geldt overigens wel dat hiervoor naast ammoniak ook CO2 nodig is. Die wordt bij bestaande fabrieken doorgaans verkregen door hergebruik van een deel van de CO2 die vrijkomt bij de productie van waterstof uit aardgas. Als aardgas wegvalt in het productieproces, moet er dus voor de productie van ureum nog wel een alternatieve bron van CO2 worden gevonden.

De ontwikkelingen op het gebied van groene ammoniak gaan vooralsnog relatief traag. Een VN-rapport schat dat de jaarcapaciteit van groene ammoniak in 2024 op minder dan 100.000 ton lag, tegen een totale capaciteit voor de productie van ammoniak van ongeveer 190 miljoen ton. Slechts 0,04 procent van de mondiale productiecapaciteit van ammoniak is dus echt groen.

De International Fertilizer Organization (IFA) verwacht dat de capaciteit voor groene ammoniak kan stijgen naar 3,1 miljoen ton op jaarbasis in 2029, maar dan nog zal dat slechts 1,5 procent zijn van de wereldcapaciteit.

Positief is wel dat er volgens analisten van IFA vanaf 2030 veel projecten in de pijplijn zitten voor verdere opschaling van groene ammoniak, maar die zijn sterk afhankelijk van de groei van de markt voor groene waterstof.

Verduurzaming bij de toepassing van kunstmest en organische mest

Er wordt veel onderzoek gedaan naar mogelijkheden om de uitstoot van broeikasgassen bij de toepassing van mest terug te dringen. Voor kunstmest gaat het daarbij veelal om de afweging tussen kansen voor productiviteitsstijging in de landbouw en negatieve milieueffecten.

Er zijn sterke aanwijzingen dat in landen waar veel kunstmest wordt gebruikt, het gebruik prima kan worden teruggeschaald zonder productiviteitsverlies, onder meer door een betere afwisseling met de toepassing van organische mest. Aan de andere kant kan in sommige zeer arme landen met een slecht ontwikkelde landbouw de inzet van kunstmest nog bijdragen aan het oplossen van problemen rond de voedselvoorziening.

Uit onderzoek naar methoden om de uitstootintensiteit van (kunst)mest te verlagen, blijkt dat variatie in lokale omstandigheden een grote rol speelt bij mogelijke oplossingen. Daarbij gaat het onder meer om slimmere gewasrotatie, dosering van kunstmest en organische mest, de inzet van biochar voor verbetering van de grondkwaliteit, irrigatie en aanpassing van zaaitijden. Ook de inzet van micro-organismen ter verbetering van de bodemkwaliteit biedt kansen om het gebruik van kunstmest te verminderen.

De recente stijging van kunstmestprijzen door de ontregeling van het aanbod vanuit het Midden-Oosten maakt intussen ook iets anders duidelijk: de inzet van dierlijke mest uit de directe omgeving kan ook strategische voordelen hebben. Boeren worden hierdoor minder afhankelijk van geïmporteerde kunstmest.

Wat betreft circulaire alternatieven voor kunstmest wordt inmiddels ook serieuzer gekeken naar menselijke urine. Wetenschappers zien kansen om de landbouw hiermee te verduurzamen. Voordeel is onder meer dat meststoffen op basis van urine naast stikstof ook fosfor bevatten. Tegelijk is onderzoek naar potentiële gezondheidsrisico’s nodig, omdat bijvoorbeeld antibioticaresten niet altijd goed worden verwijderd uit menselijke urine.

Kunstmest in Nederland: de fabriek van Yara in Sluiskil

Hoe zit het tot slot met de productie van kunstmest en de daaraan gerelateerde uitstoot van broeikasgassen in Nederland? De situatie is hier vrij overzichtelijk. De belangrijkste fabriek voor kunstmest is die van de Noorse multinational Yara bij Sluiskil in Zeeland.

Vier jaar geleden heeft Yara voor de locatie in Sluiskil een Climate Roadmap 2030 opgesteld waar sindsdien aan wordt gewerkt. De fabriek in Sluiskil staat voor een flinke opgave, want met een jaarproductie van ongeveer 3,5 miljoen ton kunstmest is Yara Sluiskil een grote speler in Europa. Naast kunstmest maakt Yara in Sluiskil jaarlijks ook 1,5 miljoen ton aan industriële chemicaliën.

Yara produceert in Sluiskil grijze ammoniak, op basis van uit aardgas gewonnen waterstof. Het bedrijf werkt aan mogelijkheden om dat proces te vergroenen, onder meer door gebruik te maken van biogas.

De grootste bijdrage van de reductie van CO₂-emissies van Yara komt de komende jaren van het industrieel hergebruik van afgevangen CO2 (1,4 miljoen ton op jaarbasis) en de gedeeltelijke opslag van CO₂ in lege gasvelden onder de zeebodem (0,8 miljoen ton). Mede vanwege de connectie met het Noorse moederbedrijf heeft Yara voor de opslag van CO2 gekozen om mee te doen aan een groot project voor de CO2-opslag bij de Noorse kust, en niet aan het Nederlandse Porthos-project.

Met de reductieplannen wil Yara in 2030 netto op een uitstoot van 0,7 miljoen ton uitkomen in CO₂-equivalent. De feitelijke uitstoot bedraagt dan nog 2,9 miljoen ton op jaarbasis, maar daarvan wordt 2,2 miljoen ton CO₂ deels hergebruikt, dan wel afgevangen en opgeslagen onder de zeebodem.

De transformatie bij Yara laat zien dat hergbruik en opslag van uitgestoten CO₂ op de korte termijn relatief veel impact kan hebben. Daadwerkelijke verduurzaming van de productie en het gebruik van kunstmest is een kwestie van langere adem.

Meer lezen over het voedselsysteem van de toekomst? In de nieuwsbrief Kweekvlees & Kool schrijft Change Inc.-redacteur Maaike Kooijman over nieuwe ontwikkelingen en interessante updates. Schrijf je hier in.

Lees ook:

Hoofd duurzaamheid Sandra Phlippen (ABN Amro): 'Ik wilde niet alleen praten over klimaatverandering, maar iets doen'

Een stukje New York in Rotterdam. Dat is wat Little C, een nieuwbouwwijk aan de Coolhaven, wil zijn. Het complex bestaat uit vijftien ‘pakhuizen’ van roodbruine baksteen, die zijn verbonden door stalen bruggen. Het buurtje ademt The Village, met een belangrijk verschil: het is een stuk groener. Op de pleinen tussen de woon- en werktorens staan grote plantenbakken, langs de muren kruipen klimplanten omhoog.Sandra Phlippen – zelf Rotterdammer – komt hier graag. Kijk, wijst ze vanaf het terras waar we zitten, in een koffietent met uitzicht op de haven. ‘Die planten krijgen regenwater. Onder het complex zit een retentielaag, een laag met kratten eigenlijk, waarin dat water wordt opgevangen. Heel ingenieus.’Een schoolvoorbeeld van duurzaam bouwen, vindt de voormalig hoofdeconoom van ABN Amro. Grappig genoeg is dat precies waarmee ze huiseigenaren in haar nieuwe rol bij de bank helpt.Sinds januari 2026 is Phlippen chief sustainability officer bij ABN Amro. Die maand kon ze direct haar eerste wapenfeit presenteren: het Beter Wonen-project, dat huiseigenaren met een hypotheek bij de bank zo ongeveer alles uit handen wil nemen bij het verduurzamen van hun woning. ‘Hele slechte kaarten’ Op Linkedin kondigde ze haar overstap bijna achteloos aan (‘Nieuwe baan!’). Maar zo vanzelfsprekend is de stap niet, zeggen mensen om haar heen. De positie van hoofdeconoom is een rol met veel status binnen de bank. Terwijl in de duurzaamheidsafdeling net het mes is gezet; bij een reorganisatie verdwenen vorig jaar bijna 70 van de 400 banen.Ga er maar aan staan. ‘Sommigen zouden ervoor bedanken’, zegt collega Puk de Jong. ‘Maar zo denkt Sandra niet.’Phlippen moet erom lachen. ‘Ik weet het: ik geef een prestigieuze baan op en ik ga een kleiner team leiden. Op papier heb ik hele slechte kaarten. En toch zie ik het helemaal zitten. Ik ben helemaal niet zo met mezelf bezig. Ik ben vooral bezig met iets voor elkaar krijgen.’Ze wil impact maken. Die rode draad valt ook op als je haar carrière bekijkt. Na haar studies sociologie en economie besluit Phlippen de academische wereld met de praktijk te combineren: ze gaat lesgeven bij de Erasmus School of Economics én wordt hoofdredacteur bij economenvakblad ESB. Het grote publiek bereikt ze daar alleen niet, terwijl ze dat wel wil. Dus maakt ze de overstap naar het AD, waar ze chef van de economieredactie wordt.Het is dan 2016 en Phlippen maakt zich zorgen over het oprukkende populisme in Nederland. Die opmars wordt gevoed, zo is haar overtuiging, doordat mensen zich economisch niet veilig voelen. Als economiechef ontwikkelt ze een ‘groots plan’ rondom zeven thema’s, zoals hoe technologie de arbeidsmarkt verandert en hoe je welvarend oud wordt.Zo wil ze lezers helpen om meer grip te krijgen op hun financiën, en daarmee op hun leven – om er al doende achter te komen dat het nieuws zich niet zo makkelijk in een keurslijf laat persen. Sandra Phlippen op Transition2026 Sandra Phlippen is op 23 juni een van de hoofdsprekers tijdens Transition2026. Daar deelt ze haar visie op de duurzame transitie – die volgens haar geen keuze is, maar een economische noodzaak. Verwacht geen abstracte vergezichten, maar een nuchter, prikkelend en data-gedreven betoog over hoe markten, banken en beleidsmakers samen het verschil kunnen maken. ‘Mits we durven erkennen dat echte verandering begingt bij structureel en eerlijk beleid.’ Koop nu je tickets met 50 euro korting met de kortingscode CHANGE50.Niet praten, maar doen ABN Amro is dan al een tijdje aan haar aan het trekken. Bij de bank kan ze zich óók richten op de financiële zekerheid van mensen, realiseert ze, en tegelijkertijd werken aan een nieuw onderwerp dat haar heeft gegrepen. Namelijk klimaateconomie, het vakgebied dat de wisselwerking tussen economie en klimaatverandering onderzoekt.Bij het Economisch Bureau is dat op dat moment nog een blinde vlek. Ook in haar nieuwe rol blijft ze de verbinding met de wetenschap maken, als ze in 2023 wordt benoemd tot bijzonder hoogleraar Duurzaam Bankieren aan de Rijksuniversiteit Groningen.‘Ik kwam binnen als een econoom die geïnteresseerd was in klimaat, en heb me bij ABN Amro ontwikkeld tot klimaateconoom’, vertelt ze. ‘Maar ik heb de gewoonte om elke vijf jaar iets anders te doen en merkte vorig jaar dat dat weer nodig was. Ik voelde dat ik onrustig werd. Ik had ook het gevoel dat ik de boel een beetje aan het mooipraten was. Ik wilde niet alleen maar praten over klimaatverandering, ik wilde iets doen.’Met dat verhaal stapte ze naar de toenmalige ceo, Robert Swaak. ‘Ik heb hem drie ideeën voorgelegd en gevraagd in welke van de plannen hij brood zag. Dat was dus het Beter Wonen-project. Je krijgt een half jaar en acht mensen, zei hij. Daar ben ik hem zo dankbaar voor.’ Het moest alleen wel snel. ‘Robert wist al dat hij weg zou gaan. Voor hij de deur achter zich dicht zou trekken, wilde hij weten of het een goed idee was.’ Vergroenen van woningvoorraad ABN Amro wil in 2050 netto-nul uitstoten. Dat geldt zowel voor de eigen bedrijfsvoering als de leningen- en beleggingsportefeuille. ‘Dat is een juridisch bindend commitment’, zegt Phlippen. ‘Zelf zijn we al in 2030 of 2035 CO2-neutraal. Maar dat komt vooral neer op het vergroenen van onze kantoren en het wagenpark. Dáár zit de uitdaging niet. Die zit bij onze klanten, bij de uitstoot die we financieren.’De hoofdmoot bestaat uit woninghypotheken: van de 264,1 miljard euro die ABN Amro eind 2025 aan leningen had uitstaan, zit 163,2 miljard euro in huizenfinancieringen. De verduurzaming van die woningvoorraad is een belangrijke knop om aan te draaien om te vergroenen.De bank heeft daar volgens Phlippen ook een direct financieel belang bij. ‘Zonder neemt het risico op stranded assets toe. We weten dat woningen met een laag energielabel in tijden van recessie als eerste en het sterkst in waarde dalen. Terwijl elke sprong omhoog – van C naar B, van B naar A – gemiddeld een waardestijging van 5 procent oplevert.’Duurzaamheid als businesscase, in plaats van ideologisch doel. Met die benadering weet Phlippen niet alleen Robert Swaak, maar ook diens opvolger Marguerite Bérard te overtuigen. ‘Marguerite was erbij toen we onze bevindingen aan de raad van bestuur presenteerden; ze was toen al aan het warmdraaien. Ze heeft het initiatief helemaal omarmd. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik me enorm door haar gesteund voel.’ Brug naar de business In het najaar van 2025 zette Phlippen haar functie als hoofdeconoom twee maanden stop om lijstduwer voor D66 te worden. ‘Waarop Marguerite zei: “Nou, ik ga je tijd goed gebruiken, want ondertussen kun je ook nadenken over de nieuwe klimaatstrategie.” Dat heb ik gedaan, en een voorstel geschreven. Al wist ik toen nog niet dat ik het ook zou gaan uitvoeren. De reorganisatie op de duurzaamheidsafdeling en mijn komst hebben elkaar ook niet gekruist.’Die ingreep maakte deel uit van de bredere strategie van de nieuwe ceo, gericht op minder kosten en meer rendement. Vooral bij het Sustainability Center of Excellence, dat verantwoordelijk is voor de duurzaamheidsrapportages van de bank, verdwenen banen.‘Die afdeling was mede door de CSRD-rapportageplicht uitgegroeid tot een team van zo’n honderd mensen’, vertelt Phlippen. ‘Er zat enorm veel expertise over het volledige spectrum van E, S en G (environmental, social en governance, red.). Alleen was daar onder de bankers niet zo’n vraag naar. Al die zorgvuldig opgebouwde kennis landde onvoldoende in de business.’Hoe dat kwam? ‘Het eerlijke verhaal is dat niet alle aspecten van duurzaamheid binnen de bank even zwaar wegen. In de nieuwe strategie gaan we daarom niet meer op alles focussen. Dan krijg je misschien een groene reputatie, maar kom je niet zo hard vooruit. En ik wil hard vooruit.’ Duurzaamheid nog steeds chefsache De nieuwe koers sluit volgens Phlippen beter aan op bestaand overheidsbeleid, zodat de bank ‘haar rol kan pakken’ op terreinen waar het kabinet ‘duidelijke kaders’ stelt. ‘We richten ons op wat materieel is: CO₂-reductie, maar ook het terugdringen van biodiversiteitsverlies in sectoren waar dat een belangrijk thema is, zoals de landbouw en scheepvaart.’Haar opdracht als cso is om te onderzoeken welke ‘grote, impactvolle stappen’ de bank kan zetten, deze samen met de betrokken afdelingen uit te werken tot een businesscase en die vervolgens aan het bestuur voor te leggen.Dat duurzaamheid ondanks de reorganisatie nog steeds chefsache is, maakte Bérard afgelopen april duidelijk met de aankondiging dat ABN Amro een zogeheten ‘absoluut doel’ stelt voor de hele kredietportefeuille, in lijn met klimaatscenario’s die de opwarming van de aarde tot ‘ruim onder de 2 graden’ beperken. Concreet betekent dit dat de totale uitstoot die de bank financiert, de komende jaren stapsgewijs moet krimpen.Milieudefensie juicht de stap toe. Duurzame banken als Triodos en pensioenfondsen ABP en PFZW hebben al zo’n doel, maar ABN Amro is de eerste grote Nederlandse bank die dit doet. De milieuorganisatie is wel kritisch op het feit dat het exacte reductiedoel en afbouwpad nog tot drie jaar op zich laten wachten.‘We beschikken pas sinds drie jaar over goede data’, zegt Phlippen. ‘Dat is genoeg voor een betrouwbare schatting, maar nog wat glad ijs om een hard target op te baseren. Ik denk dat we het al kunnen, maar we willen het eerst zeker weten.’ Niet op een 1,5°C -pad Milieudefensie plaatst ook een kanttekening bij het ‘ruim onder de 2 graden’-doel. Dat verschilt volgens de milieuorganisatie wezenlijk van het streven naar ‘maximaal 1,5 graden’.De realiteit is dat de wereld niet op een 1,5°C -pad zit, reageert Phlippen. ‘Wat niet wegneemt dat we er alsnog alles aan moeten doen om onder de grens te blijven. Maar een absoluut doel op basis van 1,5°C voor de héle balans is niet realistisch, en niet sociaal. Het zou bijvoorbeeld betekenen dat we iedereen die een hypotheek wil voor een woning met een energielabel lager dan A+++, moeten afwijzen. Daarmee zouden we de maatschappij van ons vervreemden.’Het is niet aan de bank om die beslissing voor bedrijven of burgers te maken, vindt Phlippen. Dat is de taak van de overheid. ‘We hebben jaren gezien dat overheden een beetje achteroverleunden vanuit de gedachte: de banken lossen het wel op.’Ze denkt dat de sector die afwachtende houding deels aan zichzelf te danken heeft. ‘Banken moeten stoppen te doen alsof ze in hun eentje de aarde gaan redden. Ze kunnen de transitie niet sturen, alleen financieren. De overheid moet de vangrails verleggen, zodat de autootjes de goede kant op gaan rijden. De financiële sector moet vervolgens zorgen voor het benodigde kapitaal, tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden. Dat is onze rol.’Dit artikel verscheen eerder op MT/Sprout. Lees ook:Wie nu fossiel financiert, heeft straks een probleem, zegt ceo Marcel Zuidam van Triodos Bank Jan Rotmans over klimaatactivisme en kansen voor positieve verandering: 'Ik wil niet boos oud worden' Ceo Cindy Kroon van Vattenfall Nederland: ‘De energietransitie leent zich niet voor politiek zigzagbeleid’