Grote bedrijven brengen spullen op de markt en spullen worden afval. Lang was het aan de maatschappij − inzamelaars, recyclers, afvalverbranders − om voor dat afval op te draaien. Maar tegenwoordig zijn het steeds vaker de producenten of importeurs zelf bij wie de juridische en financiële verantwoordelijkheid ligt.
Vergelijk het met een studentenhuis waarin de vieze afwas uit de gemeenschappelijke keuken pal voor ieders kamerdeur wordt gezet. Afwassen zul je − of toch ten minste iemand inhuren om het voor je te doen.
Dat systeem wordt UPV genoemd: Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid. Het bestaat onder meer in de markt voor textiel, elektronische producten, matrassen en verpakkingen. Ook voor meubels is een UPV in de maak, die uiterlijk in 2030 in werking moet treden.
Producenten in die sectoren moeten een zogenoemde afvalbeheerbijdrage betalen voor elk product dat ze op de markt brengen. Die betalen ze aan de producentenorganisatie waarbij ze zijn aangesloten, die op haar beurt inzamelaars en recyclers betaalt om het ontstane afval te verwerken.
Het middel is een belangrijke pijler in het beleid richting een circulaire economie. De vraag is: zorgt dit echt voor grote veranderingen bij bedrijven, of kopen ze hun verantwoordelijkheid simpelweg af?
Recycling van afval stijgt snel
Op het eerste oog lijkt UPV een groot succes: in veel sectoren is het recyclepercentage flink omhooggegaan.
Zo werd vorig jaar 63 procent van de in de handel gebrachte matrassen ingezameld voor recycling, tegenover slechts 42 procent in 2022. Ook de recycledoelstellingen voor verpakkingen werden in Nederland ruimschoots behaald. Waar voorheen het meeste afval werd verbrand, loont het nu steeds meer om producten uit elkaar te (laten) halen en los te recyclen.
Edwin Verhoef hoopt dat dat ook gaat gebeuren bij luiers en incontinentiemateriaal. Ook voor die sector wordt gesproken over UPV.
Verhoef is oprichter van Diaper Recycling Europe en is fervent voorstander van UPV. ‘Jaarlijks ontstaat in Nederland circa 400.000 ton afval van babyluiers en incontinentiemateriaal. Slechts circa 15.000 ton daarvan wordt gerecycled. De rest wordt verbrand. Daarmee verdwijnen op grote schaal waardevolle grondstoffen en ontstaat CO2-uitstoot die met recycling kan worden verminderd’, schreef hij vorige maand in een open brief aan klimaatminister Stientje van Veldhoven.
Diaper Recycling Europe ontwikkelt een technologie waarmee verschillende grondstoffen teruggehaald kunnen worden uit luiers, zoals plastics, cellulosevezels en zogenoemde superabsorberende polymeren (SAPs). Vergeleken met verbranding zorgt dat voor een besparing van 70 procent op de CO2-uitstoot, zegt Verhoef.
De pilots zijn geslaagd, een grote installatie is er nog niet. Verhoef: ‘Luiers zijn heel ingenieus ontworpen. Ze zijn daardoor makkelijk in gebruik, maar moeilijk om te recyclen. De aanvangsinvestering van installaties is dus serieus.’ Hij is momenteel op zoek naar investeerders voor zijn bedrijf, maar weet dat het verdienmodel daarvoor wel in orde moet zijn. ‘Een UPV met marktconforme verwerkingstarieven kan de zekerheid bieden die we nodig hebben om op te schalen. Hoe langer we wachten, hoe meer grondstoffen er verloren gaan.’

In veel sectoren is het recyclepercentage flink omhooggegaan sinds de invoer van UPV. | Credits: Getty Images
Afval wordt niet voorkomen
Ook veel andere circulaire bedrijven zien UPV als een belangrijk middel richting een circulaire economie, zegt Klaske Kruk. Maar ze wijst ook een belangrijke tekortkoming: er zit een groot verschil tussen afval recyclen en afval voorkomen.
Kruk is directeur van de Nederlandse Vereniging Circulaire Economie (NVCE). Ze spreekt veel met bedrijven over de stappen die ze zetten richting een economisch systeem waarin grondstoffen en producten in principe worden hergebruikt. Dat was ook het hoofddoel van UPV, zegt ze: producenten financieel prikkelen om hun producten zo te ontwerpen dat ze langer meegaan. Zodra die afval werden, zouden ze er immers voor moeten betalen.
In de praktijk ontbreekt dat effect vaak. UPV is minder gericht op hergebruik van producten, en meer op inzameling en recycling, ziet Kruk. ‘Dat is ook belangrijk, maar hergebruik zorgt voor veel minder CO2-uitstoot dan recycling.’
Kleding wordt poetsdoek
Recycling is bovendien niet het eindstation in een circulaire economie, zegt Kruk. Om werkelijk tot een closed loop te komen, moet dat gerecyclede materiaal ook weer in nieuwe producten worden gebruikt. Daar schort het vaak nog aan.
Onder andere voor textiel zijn nieuwe grondstoffen veel goedkoper dan zogenoemd post-consumer recyclaat. Daardoor worden gerecyclede vezels nu gebruikt in poetsdoeken of isolatiemateriaal, en weinig in nieuwe kleding. ‘Als je circulair werken echt wilt stimuleren, hoort daar ook een verplicht percentage recyclaat in nieuwe producten bij’, zegt Kruk. ‘Investeerders in recyclingtechnologie kijken niet alleen naar wetgeving, maar ook naar afzet.’
De afzetkwestie speelt ook bij bedrijven die geen recyclede grondstoffen, maar juist herbruikbare producten als meubels en kleding leveren voor herverkoop. Vooral de match tussen vraag en aanbod is daarbij een uitdaging, zegt Cas Raedts, die aan de Universiteit Utrecht onderzoek doet naar de circulaire transitie. ‘Inkopers van herbruikbare producten hebben behoefte aan een constante invoerstroom, terwijl inzamelaars en recyclingcentra afhankelijk zijn van wat er binnenkomt.’
Duurzaamheidskorting op je afvaltarief
Wie een circulaire economie wil, moet dus verder denken dan alleen ‘klaarmaken voor recycling’: de huidige doelstelling van veel UPV’s. En er is nog iets wat nodig is om werkelijke circulariteit te stimuleren: verschillen in de afvalbeheerbijdrage voor duurzame en niet-duurzame bedrijven.
Als bedrijven minder hoeven te betalen voor het op de markt brengen van lang bruikbare producten van duurzame materialen dan voor hun vervuilendere evenknie, is dat immers een directe financiële prikkel om hun processen en producten te verduurzamen. Tegelijkertijd krijgen circulaire pioniers een financieel voordeel. Dat principe wordt ook wel ecomodulatie genoemd.
Lara-Marie Bodirsky ziet wel wat in zulke ecomodulatie. Ze doet onderzoek naar de circulaire transitie in de textielketen aan de Universiteit Utrecht. De textielketen valt sinds 2023 onder een UPV, al laten de resultaten nog te wensen over, schrijft NRC in een reconstructie.
‘Korting op de afvalbeheerbijdrage kan zeker helpen om circulairder te gaan werken,’ weet Bodirsky, ‘mits de korting hoog genoeg is. Bovendien is het een extra argument voor de duurzaamheidsmanagers van bedrijven die hun bestuur moeten overtuigen. Het helpt een level playing field te creëren voor degenen die willen verduurzamen.’
Sinds 2020 is het voor producentenorganisaties verplicht om ‘indien mogelijk’ verschillende prijzen voor verschillende producten te hanteren, rekening houdend met ‘de gehele levenscyclus van producten en de duurzaamheid, repareerbaarheid, herbruikbaarheid, recyclebaarheid en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen’. Maar de organisaties hoeven prijzen nog niet te baseren op de duurzaamheid van een product of verpakking.
Over op andere verdienmodellen
Voor de meubelsector wordt wel ecomodulatie voorgesteld. Dat stemt hoopvol, zegt Dionne Ewen, duurzaamheidsmanager bij kantoormeubelbedrijf Koninklijke Ahrend. Ahrend werkt actief aan een duurzame economie, onder meer door gebruikt kantoormeubilair op te halen en te verkopen als refurbished.
Net als Kruk vindt ook Ewen dat UPV nuttig kan zijn, maar onvoldoende om circulair werken aantrekkelijker te maken. ‘UPV is uiteindelijk slechts een afvalwetgeving. Er moeten ook prikkels zijn om afval juist te voorkomen. Denk aan het aantrekkelijk maken van dienstverlening op producten, waardoor bedrijven een alternatief verdienmodel gaan zien.’
B2B-bedrijf Ahrend sluit langdurige contracten af met grote afnemers. Het onderhoud van meubels is daar vaak al onderdeel van. Voor bedrijven die aan consumenten leveren is dat anders, weet ze. ‘Maar in beide markten ligt nog een grote kans voor bijvoorbeeld statiegeldregelingen en leasing. Dat zorgt voor een marktwerking op hergebruik. Je kunt prima verdienen aan dienstverlening, maar UPV stimuleert dat nu niet.’
In gesprekken over een circulaire economie wordt nog te vaak gesproken over afvalverwerking óf productontwerp, ziet Ewen. ‘Daartussenin zit nog een hele wereld waar we iets aan kunnen doen.’

Sommige UPV’s bestaan al decennia, zoals die voor papier en karton. | Credits: Jenya Shportiak via Unsplash
De juiste mensen aan tafel
Een verplicht percentage gerecycled materiaal, korting voor duurzame producenten, nieuwe verdienmodellen stimuleren: zulke details bepalen uiteindelijk het effect van UPV. ‘Het belangrijkste is dat het doel van UPV en het ontwerp ervan goed op elkaar zijn afgestemd’, zegt onderzoeker Bodirsky. ‘Je kunt een UPV ontwerpen die alleen voldoet aan de wettelijke verplichtingen, maar het heeft ook de potentie om bijvoorbeeld reparatie, ecodesign en hergebruik echt te stimuleren.’
Het ontwerp gaat bijvoorbeeld over de doelstellingen en de uitvoering, maar ook over de vraag door wie die bepaald worden. ‘Als het doel is om reparatie te stimuleren, moeten er ook reparateurs bij het beleidsontwerp betrokken zijn’, zegt Bodirsky.
Vaak is de gevestigde orde goed vertegenwoordigd bij een ketenoverleg over UPV, daar waar circulaire initiatieven minder zeggenschap krijgen. Dat kan leiden tot minder ambitieuze inzamel- en recycledoelen of een (te) lage afvalbeheerbijdrage voor bedrijven. Terwijl het juist ook interessant kan zijn om de financiële bijdrage te verhogen, zegt Bodirsky.
‘Dat hebben ze in Frankrijk bijvoorbeeld gedaan met textiel. Het geld dat bedrijven afdragen dient niet meer alleen om de kosten van inzameling en recycling te dekken, maar wordt ook gebruikt voor initiatieven rondom bijvoorbeeld reparatie.’ Ook wordt er in Frankrijk geld gestoken in R&D voor recyclingtechnologie.
Uitdagingen in de organisatie
Aan de effectiviteit van UPV zitten dus nogal wat haken en ogen. Dat hoeft geen reden te zijn om ervan af te zien, zegt Kruk van de NVCE, maar wél om goed te kijken naar welke doelen behaald moeten worden en hoe.
Bovendien staat de wetgeving niet op zichzelf. ‘Je kunt een perfecte UPV ontwerpen, maar daar heb je veel meer aan als de rest van het ecosysteem óók op orde is’, zegt onderzoeker Raedts. ‘Denk alleen al aan de fysieke infrastructuur om producten in te zamelen. Voor de UPV meubels is dat een flinke uitdaging, want het vervoeren en opslaan van afgedankte meubels neemt heel wat ruimte in beslag.’
‘Uitdagingen in de uitvoering van een UPV hangen vaak samen met het herstructureren van de hele keten, zoals het creëren van nieuwe samenwerkingen. Puur technologische barrières spelen minder vaak een rol’, zegt Raedts. ‘De effectiviteit van UPV hangt daarmee − net als bij ander beleid − sterk af van het systeem waarin het middel wordt toegepast. Een UPV kan slechts zo sterk zijn als het systeem erachter.’



