Hannah van der Korput
11 november 2024, 15:30

Weggooien is zonde: bedrijven die de hele vrucht verwerken

Wat hebben limoncello, olijfolie en chocolade met elkaar gemeen? In al deze eindproducten wordt maar een klein deel van de vrucht verwerkt. De rest eindigt vaak in de prullenbak. Deze bedrijven doen het anders en gebruiken de hele vrucht. Dat betekent minder voedselverspilling én meer inkomen voor de boer.

Getty Images 1353349245 Voor olijfolie wordt maar 15 procent van de olijf gebruikt. | Credits: Getty Images

Roze Bunker

Veel restfruit eindigt in de frisdranksiropen van het Nederlandse merk Roze Bunker. De citroenen zijn bijvoorbeeld afkomstig van limoncellomakers, vertelde medeoprichter Emile Corre in een eerder interview: “Voor limoncello wordt alleen de schil gebruikt. De rest van de citroen wordt weggepleurd. Hier maken wij onze citroensiroop van. Want hallo, dit zijn de mooiste citroenen die er zijn. Nog biologisch ook, want voor limoncello mogen uitsluitend biologische citroenen worden gebruikt. Die gooien we natuurlijk niet weg.”

Het merk maakt meerdere siropen. Elk lost een ander probleem op. “Ik word wel eens gebeld door partijen, grote inkopers van groenten en fruit. Ze vragen dan casual of ik 400.000 kilo limoen wil hebben omdat er een ‘partijtje’ is afgekeurd. Dan schrik ik wel. What the fuck zijn we aan het doen met elkaar? Mijn ondernemingsdrang schiet dan aan. Ik wil een bestemming vinden voor deze producten.”

PhenOlives

Ook bij de productie van olijfolie komt vaak verspilling kijken. Is de olie geperst, dan blijft zo’n 85 procent van de olijven over. Dit restant wordt vaak weggegooid, omdat de pulp snel oxideert en giftig wordt.

Het Israelische bedrijf PhenOlives doet het anders. Met een gepatenteerde technologie stopt het de oxidatie en verwerkt de pulp, de pitten en het afvalwater van de olijven tot meel. Dat olijvenmeel heeft volgens de start-up goede eigenschappen. Het is glutenvrij, bevat 80 procent vezels en veel antioxidanten. De smaak van het meel is neutraal, waardoor het in veel producten kan worden toegepast. PhenOlives richt zich vooral op de bakkerijsector.

Naast minder afval wil PhenOlives ook meer inkomen voor de boeren realiseren. Door meer van de olijf te gebruiken, kan er ook meer verdiend worden. Bij de start-up zijn ze ervan overtuigd dat de opbrengsten van het olijvenmeel een leuk extraatje voor boeren kan zijn.

Kumasi

De cacaoboon waar chocolade van gemaakt wordt, zit in een tropische vrucht. Die vrucht werd eeuwenlang weggegooid, maar het Nederlandse Kumasi maakt er een fruitdrankje van.

“Dat alles om de boon draait, is heel raar. In landen als Ghana en Ivoorkust alleen al wordt jaarlijks 2 miljard liter heerlijk cacaovruchtensap verspild”, weet journalist Lars Gierveld, oprichter van Kumasi Drinks. Het drankje – een mix van cacaovruchtensap en ander fruit – is inmiddels te koop in 1.200 winkels en supermarkten in Nederland. Door die verkopen krijgen inmiddels meer dan 450 cacaoboeren tot 30 procent meer inkomen per kilo cacao.

De komende tijd gaat het bedrijf zich meer focussen op Ivoorkust, de grootste producent van cacao ter wereld. Daar bouwt medeoprichter Linda Klunder – die in 2023 naar Ivoorkust emigreerde – een fabriek waar de vruchten van 5.000 boeren ter plekke geperst en verwerkt kunnen worden.

PeelPioneers

PeelPioneers profileerde zich na de oprichting in 2017 als moderne schillenboer. Inmiddels verwerkt de Nederlandse fabriek 30.000 kilo sinaasappelschillen per dag. Uit het ‘afval’ van cateraars, supermarkten en de horeca haalt PeelPioneers ingrediënten voor nieuwe producten. Denk aan etherische oliën en natuurlijke vezels.

Dit jaar haalde het bedrijf nog een flinke investering op. Met het miljoenenbedrag moet PeelPioneers gaan opschalen. Het circulaire bedrijf wil niet alleen sinaasappelschillen verwerken in Den Bosch, maar vanaf 2027 ook in Spanje.

Lees ook:

Gevolgen klimaatverandering op extreem weer veel scherper duidelijk dankzij nieuwe simulatie

‘Weersextremen in alle hevigheden hebben altijd al voorgekomen, ongeacht klimaatverandering’. Het is een redenering die maar wat graag gebruikt wordt door klimaatsceptici als er weer eens een natuurramp heeft plaatsgevonden. Ondanks dat het internationale klimaatpanel IPCC steeds uitgesprokener is over de relatie tussen weersextremen en klimaatverandering, blijft het voor wetenschappers lastig precies te beoordelen hoe temperatuurstijgingen weersomstandigheden beïnvloeden. Eén van de problemen is dat dergelijke conclusies pas weken na een storm, overstroming of extreem hoge temperaturen adequaat berekend kunnen worden. Wat als? Daar lijkt verandering in te komen, dankzij een nieuw model van het gerenommeerde Duitse Alfred Wegener Instituut (AWI) dat onderzoek doet naar de gevolgen van klimaatverandering. Het instituut ontwikkelde een nieuwe rekenmethode, genaamd de ‘storyline-benadering’. “In essentie passen we het 'wat als-principe' toe”, zegt Dr. Antonio Sánchez-Benítez, een van de auteurs van het onderzoek. “Hoe zou een bepaalde catastrofe eruitzien in een wereld zonder klimaatverandering? En wat zou er gebeurd zijn in een klimaat dat nog warmer was? Door de hypothetische scenario's te vergelijken met de realiteit, kunnen we heel duidelijk de vingerafdrukken van klimaatverandering identificeren. Niet alleen voor extreme weergebeurtenissen, maar ook voor het dagelijkse weer." Storm Boris als testcase Als testcase bestudeerden de onderzoekers de gevolgen van storm Boris die in september voor extreme regenval en overstromingen zorgde in Midden-Europa. Bij de storm kwamen 27 mensen om het leven en grote delen van Duitsland, Polen en Tsjechië kwamen onder water te staan. AWI-experts concluderen dat er in het scenario waarin er geen sprake is van klimaatopwarming, storm Boris 9 procent minder regen zou hebben gebracht. In werkelijkheid kon de storm namelijk op zijn weg van de oostelijke Middellandse Zee en de Zwarte Zee naar Midden-Europa aan kracht winnen, omdat het water ongeveer twee graden Celsius warmer was dan op pre-industrieel niveau. Dit betekent dat er een overeenkomstig hoger percentage waterdamp in de lucht boven het gebied was. Hoewel 9 procent misschien niet als veel klinkt, kunnen enkele percentages al het verschil maken of iets uitloopt op een ramp of niet. Een procentpunt meer of minder bepaalt namelijk of een dam, rivier, of rioolsysteem het water aankan, of juist overstroomt. Realtime-weerdata Anders dan andere weermodellen, maken de AWI-simulaties gebruik van realtime weerdata die het ophaalt bij weerinstituten wereldwijd. "We hebben het systeem inmiddels zo geautomatiseerd dat er dagelijks analyses van het huidige weer worden uitgevoerd op de supercomputer van het Duitse Klimaat Rekencentrum (DKRZ)”, zegt hoofdauteur Marylou Athanase. "De gegevens worden vervolgens overgebracht naar een online tool die op de servers van het AWI draait en voor iedereen vrij toegankelijk is. De analyses worden uitgevoerd met een vertraging van drie dagen ten opzichte van 'real-time', waarna ze online beschikbaar zijn. Hierdoor kunnen geïnteresseerde gebruikers op elk moment inloggen om het 'Klimaatveranderingssignaal van de Dag' te zien voor weersextremen en dagelijks weer, wereldwijd en bijna real-time.” Met dit project wil AWI mensen helpen beter te begrijpen hoe klimaatverandering ons dagelijks weer en extreme weersituaties beïnvloedt. Ook kan deze informatie direct gebruikt worden door journalisten en nieuwsmedia als ze over het weersextremen berichten. Lees ook: 20 jaar klimaatverandering en weersextremen: dit zijn 5 glasheldere conclusiesSlimme bodem geeft zichzelf precies genoeg water en voedingsstoffenKlimaatadaptatie bij boerenbedrijven: van zilt Zeeland tot nat Flevoland