Sebastian Maks
16 mei 2024, 14:33

Nieuw kabinet, nieuw klimaatbeleid: dit willen de partijen veranderen

Gisteren bereikten de fracties van PVV, VVD, NSC en BBB een hoofdlijnenakkoord voor hun ‘programkabinet’. Onder de titel ‘Hoop, lef en trots’ presenteerden ze de plannen voor de komende jaren. Zo ziet hun klimaatbeleid eruit.

Getty Images 1148982603 Volgens het nieuwe kabinet moeten er ‘geen nieuwe nationale koppen op Europees beleid’ worden gezet.

‘Het meest rechtse kabinet ooit’. Met die woorden werd de samenwerking tussen PVV, VVD, NSC en BBB al veelvuldig aangekondigd. Vannacht kwamen de partijen tot een hoofdlijnenakkoord van 26 pagina’s waarmee alle vier de fracties uiteindelijk akkoord konden gaan. PVV-voorman Geert Wilders noemde het moment ‘historisch’. Niet alleen omdat zijn regeringsdeelname en de gekozen vorm (een extraparlementair kabinet) ongewoon zijn in Nederland, maar ook omdat het aanstaande kabinet zijn migratieplannen bestempelt als ‘de strengste ooit’. Bij de presentatie van het akkoord herhaalde Wilders de belofte die hij zijn kiezers al jaren maakt: de Nederlander komt weer op één. Maar op welke plek stellen de vier partijen het veranderende klimaat?

Niet vooroplopen

Of de klimaatplannen van het nieuwe kabinet ambitieus te noemen zijn, hangt af van het vergelijkingsmateriaal. Is dat met de welbekende ‘shredder’ waar Wilders het Nederlandse klimaatbeleid doorheen wilde halen, dan ligt er een ambitieus pakket op tafel. Maar is dat met de wensen van partijen als GroenLinks-PvdA, D66, Volt of Partij voor de Dieren, dan zijn de plannen niet erg vergaand. Voorop staat in ieder geval dat de formerende partijen af willen van de rol van Nederland als ‘beste jongetje van de klas’. Bestaande klimaatafspraken moeten in stand gehouden worden, maar daar moeten geen nieuwe regels bovenop komen. Er wordt bij veel thema’s geschreven dat er ‘geen nieuwe nationale koppen op Europees beleid’ moeten worden gezet. Daarmee willen de coalitiepartners zorgen dat klimaatbeleid ‘draagbaar, haalbaar en uitvoerbaar’ is. Uit het hoofdlijnenakkoord blijkt dat er toch een streep gaat door een aantal bestaande regels.

Energietransitie

Wat betreft (hernieuwbare) energie- en warmtebronnen komen veel gezamenlijke punten uit de verkiezingsprogramma’s terug. De partijen benadrukken het belang van een eigen, duurzame energieproductie om niet afhankelijk te zijn van andere landen voor energie. De gaswinning in Groningen wordt gestaakt, maar de Noordzeekraan gaat daarentegen verder open. Het kabinet moet het oplossen van netcongestie prioriteren en de regie daarover in handen houden. Windmolenparken worden zoveel mogelijk op zee gebouwd, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de visserij. Over zonnepanelen en -parken staat niets in het akkoord, behalve dat de salderingsregeling per 2027 in één keer wordt geschrapt. De partijen willen vol inzetten op kernenergie; de bestaande centrale in Borssele blijft open, de bouw van twee nieuwe centrales gaat door en daar moeten bovendien nog twee centrales bij komen. De subsidie van biomassa als energiebron wordt zo snel mogelijk gestaakt. Ook willen de partijen een streep zetten door de verplichting om vanaf 2026 cv-ketels te vervangen door warmtepompen.

Het Klimaatfonds verdwijnt niet, zoals de PVV tijdens de verkiezingen wilde, maar wordt ingezet voor technieken als de opvang en opslag van CO2 (CCS) en groene waterstof. Wel is in de financiële bijlage van het hoofdlijnenakkoord te lezen dat het budget van het Klimaatfonds met 1,2 miljard euro wordt verlaagd. Over het Nationaal Groeifonds wordt in het akkoord niet gerept, maar in de financiële bijlage staat vermeld dat rondes vier en vijf komen te vervallen, waardoor er 6,8 miljard euro minder wordt uitgegeven. Wel gaat er 1 miljard euro extra naar staatsinvesteerder Invest-NL.

Benieuwd wat het akkoord betekent voor het bedrijfsleven? Lees er meer over in dit artikel van MT/Sprout.

Duurzaamheidswetgeving voor de gebouwde omgeving wordt in het akkoord niet uitgebreid belicht, behalve dat de partijen aangeven geen extra, nationale regels op dat gebied te zullen gaan opstellen. Wel moet het huurbeleid van sociale huurders rekening houden met het verduurzamen van wijken. Over de grondstoffentransitie wordt niet meer gezegd dan dat ‘materialen waar mogelijk worden hergebruikt’

Landbouw en stikstof

Misschien wel de grootste verandering ten opzichte van voorgaand beleid zit hem in de regels op het gebied van landbouw en stikstof. De deelname van de BBB aan het nieuwe kabinet schemert daarmee flink door in het hoofdlijnenakkoord. Allereerst gaat het stikstofbeleid op de schop. De Nitraatrichtlijn, een Europese wetgeving die het gebruik van stikstof in de landbouw reguleert, moet worden aangepast en regio-specifiek worden gemaakt. De huidige maximale hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest moet bovendien uit die richtlijn worden geschrapt. Ook moet de lijst van beschermde Natura 2000-gebieden worden ‘herijkt’. De partijen schrijven dat ze ‘alles op alles gaan zetten om de afbouw van de huidige derogatie terug te draaien’ (derogatie is een uitzondering om als boer meer stikstof uit te stoten dan wettelijk is toegestaan). Met die waslijst aan eisen zal de nieuwe minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (visserij is een toevoeging van het nieuwe kabinet) het naar verwachting niet makkelijk krijgen in Brussel.

Verder gaan de coalitiepartners niet aansturen op het gedwongen uitkopen van boeren, maar bieden ze als laatste redmiddel wel vrijwillige uitkoop aan. Er komt aandacht voor jonge boeren om hen te begeleiden bij het overnemen of oprichten van bedrijven. Rode diesel, een dieselsoort waar een lager accijnstarief voor geldt, maakt zijn herintrede in de land- en tuinbouw. En hoewel er niet zal worden ingezet op een gedwongen krimp van de veestapel, wil het aanstaande kabinet wel ‘concrete stappen’ zetten om de veehouderij toekomstbestendig en dierwaardiger te maken. Daarbij wordt ‘bezien’ hoe het vervoer van dieren over lange afstanden beëindigd kan worden.

Mobiliteit

In de paragraaf ‘Infrastructuur, openbaar vervoer en luchtvaart’ wordt nauwelijks expliciet gesproken over het verduurzamen van de mobiliteit. Alleen over het wagenpark zijn de partijen duidelijk: de elektrische rijder moet tot 2025 gestimuleerd blijven worden met subsidies. Het thema verduurzaming lijkt wel in andere plannen verscholen te zitten. Zo moet internationaal treinvervoer gestimuleerd worden door struikelblokken voor nieuwe partijen weg te nemen. Vijf nieuwe Nederlandse treinstations moeten worden aangesloten op internationale hogesnelheidslijnen. Daarnaast wordt de bereikbaarheid van landelijke gebieden verbeterd door meer buslijnen op te tuigen, wat gezien zou kunnen worden als een manier om zulke gebieden minder afhankelijk te maken van de auto.

Op sommige punten willen de partijen het nadrukkelijk anders aanpakken dan voorgaande kabinetten. Zo moet de maximumsnelheid weer omhoog naar 130 kilometer per uur en wordt gekeken naar het uitstellen van zero-emissiezones voor wegvervoer. Ook lijkt het erop dat Schiphol niet hoeft te krimpen. De netwerkkwaliteit van Schiphol moet behouden worden – met geluidshinder voor omwonenden als aandachtspunt – en op de lange termijn is doorgroei van de luchthaven mogelijk (waarbij wel wordt gesproken over stillere en schonere vliegtuigen).

Lees ook:

Wat is thermische energieopslag en kan het de industrie op korte termijn verduurzamen?

Industriële warmte en -koeling zijn lang een vergeten aspect van de energietransitie geweest. De industrie, goed voor maar liefst 26 procent van het totale eindverbruik van energie in Europa, is sterk afhankelijk van fossiele brandstoffen, en stoot jaarlijks meer dan 500 miljoen ton CO2 uit. Meer dan 60 procent van deze emissies zijn afkomstig van 'hoge-temperatuur'-processen zoals staal (tot 1.500 graden Celsius), bio-raffinage (tot 600 graden Celsius) en voedsel- en drankproductie (tot 400 graden Celsius). Aardgas en steenkool zijn nog steeds de leverancier van warmte in deze industrieën, en verandering is lastig. Schonere verwarmingsoplossingen zoals industriële warmtepompen op groene stroom, of geconcentreerde zonne-energie kunnen een oplossing bieden voor 'lage-temperatuur'-verwarmingbehoeftes tot 200 graden Celsius, maar er zijn maar weinig alternatieven voor het 'hetere' werk. Industriële warmteopslag Het is vooral voor deze hogere temperaturen (hoger dan 200 graden Celsius), dat industriële warmteopslag, ook wel thermische energieopslag (TES) genoemd, een mogelijke oplossing biedt. Net zoals de batterij in je telefoon energie oplaadt en opslaat voor later gebruik, kunnen we warmte opslaan als energie voor later gebruik. Dit maakt het mogelijk om hernieuwbare energiebronnen te gebruiken voor warmteopwekking en -opslag, of om restwarmte op te vangen voor hergebruik, waarbij elk beetje energie weer een beetje fossiel vervangt. Er zijn in de basis drie technieken om warmte op te slaan die in verschillende fase van volwassenheid zijn. Op volgorde van meest naar minst volwassen zijn dat: Voelbaar; het opwarmen van zand, stenen, of andere massaLatent; gebruik van materialen die een fase veranderen met temperatuurThermochemisch; via chemische reacties zoals bijvoorbeeld zout-oplossingen Combinatie met hernieuwbare energie In combinatie met hernieuwbare energie kan TES meer dan 50 procent van het huidige brandstofverbruik van industriële verwarming processen bij ijzer-, staal-, cement-, en chemische productie vervangen zonder deze processen fundamenteel te veranderen. Verder zien we ook potentie voor bijvoorbeeld het verwarmen van huizen. Deze twee maatregelen kunnen samen het wereldwijde gasverbruik tot wel 40 procent terugdringen in 2050. Om deze significante reductie te behalen, moeten we verschillende vormen van industriële warmteopslag, voelbaar, latent en thermochemische processen, combineren. Hieronder zet Rubio per TES-innovatie uiteen voor welke temperatuur de toepassing is, wat de geschatte kosten per kilowattuur zijn en in hoeverre de innovatie volwassen is. 1: Opslag met voelbare warmte Voelbare warmteopslag is eenvoudig: verwarm materialen die een hoge warmteopslagcapaciteit hebben, zoals zand of zout, en gebruik deze warmte wanneer je het weer nodig hebt. Temperatuurbereik: 0 tot 1.000 graden CelsiusKosten: 0,10 tot 35 euro per kilowattuurMate van volwassenheid: commercieel bewezen Een voorbeeld van een start-up die hier aan werkt, is Energynest (Noorwegen) dat HEATCRETE heeft ontwikkeld. Hiermee kunnen ze temperaturen tot 400 graden Celsius opslaan. Het Deense KraftBlock gebruikt gerecycled staal voor warmteopslag tot 1.300 graden. Antora (Verenigde Staten) werkt dan weer met geïsoleerde koolstof blokken tot wel 1.500 graden. Voelbare warmte is een goedkope en relatief volwassen technologie die al op commerciële schaal wordt toegepast. Het nadeel aan deze aanpak is dat opslag vluchtig is, vooral op hogere temperaturen. Dit maakt het minder interessant voor opslag op de langere termijn. 2: Latente opslag Latente energieopslag maakt gebruik van de energie die opgeslagen wordt of vrijkomt als een materiaal een faseovergang doormaakt (bijvoorbeeld van vloeistof naar vast). Temperatuurbereik: -100 tot 1.000 graden CelsiusKosten: 60 tot 230 euro per kilowattuurMate van volwassenheid: technologie moet nog opschalen Zo ontwikkelde Energy Dome (zie hoofdafbeelding) een demonstratieopstelling in Italië, die warmte op kamertemperatuur opslaat in de vorm van vloeibare CO2. Als de druk afneemt, en de CO2 weer een gasvorm aanneemt, komt warmte vrij, en kan een turbine aangedreven worden. Een ander voorbeeld is MGA Thermal uit Australië. Dit bedrijf werkt met gesmolten legeringen die latente energie opslaan tussen vaste en vloeibare toestand. Vergeleken met voelbare warmteopslag heeft latente warmteopslag een veel hogere energiedichtheid, waardoor minder ruimte nodig is voor dezelfde opslagcapaciteit. Daarnaast behoudt latente warmte een constante temperatuur, waardoor het meer geschikt is voor stabiele industriële processen. Het is echter alleen effectief binnen een klein temperatuurbereik waarin de faseovergang plaatsvindt, en de specifieke materialen die nodig zijn, kunnen afhankelijk van de situatie zeldzaam en duur zijn. 3: Thermochemische opslag Thermochemische opslag vangt warmte op uit de reactie tussen twee (of meer) stoffen die omkeerbaar is. Thermochemische opslag onderscheidt zich van meer klassieke batterijen en brandstoffen in dat de primaire input ook warmte is in plaats van een 'hogere' vorm van energie zoals elektriciteit of waterstof. Temperatuurbereik: 50 tot 1.800 graden CelsiusKosten: nog niet bekendMate van volwassenheid: vroege onderzoeksfase Hoewel de meeste technologieën zich nog in de onderzoeksfase bevinden, zijn er wel veelbelovende projecten. In Nederland is er onder andere Cellcius, dat aan een zoutbatterij werkt die warmte genereert als er water aan toegevoegd wordt. Thermochemie heeft de potentie om de hoogste energiedichtheid van alle technologieën te hebben, en tegelijkertijd de hogere (meer dan 1.000 graden Celsius) temperaturen te leveren die processen zoals cement- en staalproductie vereisen. De meeste toepassingen zijn echter nog theoretisch en hebben nog een lange weg te gaan.Rubio Impact Ventures Investeerder Rubio Impact Ventures richt zich op schaalbare innovaties van bedrijven die oplossingen ontwikkelen die een concrete positieve bijdragen leveren aan mens en/of milieu. Maar hoe beoordeelt Rubio welke innovaties impactvol en kansrijk zijn? Wanneer is een bedrijf het investeren waard? Aan de hand van deepdives in specifieke sectoren hoopt Rubio antwoord te krijgen op deze vragen. En deze deepdives deelt het met de redactie van Change Inc. Zo krijgen wij een kijkje in de keuken van een impactinvesteerder. Het markt- en concurrentielandschap De European Energy Research Alliance schat dat TES tot 1.793 terawattuur aan fossiele brandstoffen kan vervangen, met een waarde van 200 miljard euro tegen de huidige prijzen van fossiele brandstoffen alleen al in Europa. Dat is een grote kans. Maar de technologie heeft nog een lange weg te gaan om competitief te worden met de fossiele standaard. De all-inprijs voor warmte op gas ligt op dit moment rond de 45 euro per megawattuur. Op dit moment komt alleen voelbare warmte in de buurt, en omdat de investering hier voor de baten uit loopt, zit er een lange terugverdientijd op. Subsidies en wetgeving zoals de Inflation Reduction Act in Amerika en ETS (Emissions Trading System) in Europa zorgen ervoor dat significante investeringen in TES-demonstratieprojecten mogelijk gemaakt worden. Zo verwacht Rubio dat er meer dan 400 megawattuur aan opslagcapaciteit tegen eind 2024 beschikbaar komt in allerlei sectoren. Wat is er nodig om investeerders aan te trekken? Terwijl de industrie worstelt met zijn enorme ecologische voetafdruk, kan de combinatie van elektrificatie en TES een potentiële gamechanger zijn. Gesmolten zouten en thermochemische oplossingen kunnen moeilijk te decarboniseren processen boven 200 tot 500 graden Celsius eindelijk uitstootvrij maken en tegelijkertijd nieuwe systemen creëren die efficiënter gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen. Vanuit een impact perspectief geldt: hoe hoger de vereiste temperatuur, hoe meer waarde in TES, omdat deze processen meer energie nodig hebben en moeilijker te elektrificeren zijn. Vanuit commercieel oogpunt moeten TES-technologieën concurreren met gasprijzen en tegelijkertijd aantrekkelijke rendabele activa bieden voor investeringen (het Rubio-standpunt is dat een terugverdientijd van 10 jaar of minder het minimum is om te wedijveren met de best presterende gasturbines, en idealiter 5 tot 8 jaar om adoptie een 'no-brainer' te maken). Bovendien zullen de meeste industriële toepassingen minstens een capaciteit van voldoende omvang vereisen om een soepele continuïteit van de thermische energielevering te garanderen. Technologische en commerciële voorwaarden Wanneer is een TES-bedrijf volgens Rubio dan interessant? Technologisch moet het in ieder geval het volgende aantonen: Een systeem dat temperaturen kan bereiken van 500 graden Celsius of meer. Hier is het effect van industriële TES het grootst.Energiecapaciteit (opschaling tot 150 megawattuur). Dit is nodig om te voldoen aan aan de minimale eisen van de meeste industriële processen.Het systeem moet uit materialen bestaan die makkelijk te verkrijgen zijn. Zo worden lage kosten en voldoende marktgroei gegarandeerd. Commercieel gezien moeten interessante bedrijven het volgende kunnen aantonen: Onderweg naar een prijsniveau dat kan concurreren met gas.Terugverdientijd op CAPEX (de investering in de machines, red.) maximaal 5 tot 8 jaar zodat je kapitaalinvesteringen kunt aantrekken.Een bedrijfsmodel dat de hoge aanvankelijke CAPEX-kosten dekt. Op die manier zorgt kapitaalverhoging er niet direct voor dat de groei van het bedrijf vertraagt.Ben jij een ondernemer en ben je van mening dat jouw TES-oplossing voldoet aan deze criteria? Neem dan vooral contact met Rubio op. Lees ook: Changemaker Kadir van Lohuizen legt met zijn camera de wereldwijde voedselketen vast: ‘Beelden zeggen veel’ Drijvende radar voorkomt dat vogels en vleermuizen botsen met windparken op zee Met een bus vol Milieudefensie-activisten naar Unilever in Londen: ‘Ongemakkelijker dan ik van tevoren had gedacht’