Sebastian Maks
07 maart 2024, 12:30

Openbare laadpalen uitschakelen tussen 16 en 21 uur? Dit vinden experts ervan

Vorige week kwam netbeheerder Stedin met een idee dat veel stof deed opwaaien. Om netcongestie het hoofd te bieden, zouden openbare laadpalen voor elektrische auto’s niet gebruikt moeten worden tussen vier uur ’s middags en negen uur ’s avonds. Met het voorstel zouden huishoudens en bedrijven die nog zonder stroomaansluiting zitten, sneller geholpen kunnen worden. Hoe kijken prominenten uit de energiesector naar deze maatregel?

Getty Images 1363743129 "Uiteindelijk zou het me beter lijken als automobilisten hun auto wel tijdens spitsuren kunnen laden, maar daar dan een stevige spitsheffing voor betalen." | Credits: Getty Images

Het stroomnet staat op springen, stelt
Koen Bogers, CEO van Stedin. Het bedrijf zou er momenteel alles aan doen om het probleem van een overvol elektriciteitsnet aan te pakken, waaronder het bouwen van honderden transformatorhuisjes en het aanleggen van kilometers stroomkabel. Maar aan alles zit een grens, ook aan het kunnen van netbeheerders. Alliander, moederbedrijf van de netbeheerder Liander, vertolkte deze week een vergelijkbare boodschap.

“Met name in de avondpiek, tussen 16.00 en 21.00 uur, en op zonnige voorjaars- en zomerdagen barst het net uit z’n voegen”, aldus Bogers. “Dit wordt een steeds groter maatschappelijk probleem. We vragen consumenten en bedrijven hun gedrag aan te passen en te bedenken wanneer ze veel elektriciteit nodig hebben.”

Laadpalen uit

Die gedragsaanpassing zou volgens Stedin onder andere vanuit gemeenten, laadpaalexploitanten, EV-bestuurders en bedrijven moeten komen. Een idee dat de netbeheerder daarbij opperde, is om openbare laadpalen niet te gebruiken tijdens piekuren op het stroomnet. Dat zou een boel netcongestie schelen, wat ruimte geeft om nieuwe aansluitingen te bieden aan bedrijven, nieuwbouwwoningen en scholen. Het voorstel maakte veel los bij automobilisten, die zich afvragen waar en wanneer ze dán hun elektrische auto moeten opladen. Maar zou het effectief kunnen zijn bij het verminderen van netcongestie? We maakten een rondgang bij energie-experts.

Verlagen piek

“Het is een feit dat we met elkaar een grote piek in netgebruik veroorzaken in de avonduren”, vertelt Nancy Kabalt, oprichter van adviesbureau Windkrachtvijf en oud-CEO van Stedin. “Het is ook een feit dat die piek als basis wordt genomen bij de aanleg van het elektriciteitsnet. Het verlagen van de piek scheelt dus op veel fronten. Het ontlast op dit moment het te volle net, en voorkomt dat we het net meer moeten uitbreiden dan wellicht noodzakelijk. De twee grootste zaken die bijdragen aan de elektriciteitspiek in woonwijken zijn warmtepompen en laadpalen. Als we het gebruik van laadpalen anders gaan organiseren met elkaar, kan netcongestie dus inderdaad verzacht worden.”

Opladen in de daluren

Laurens de Vries, hoogleraar complexe energietransities aan de TU Delft, denkt ook dat het voorstel van Stedin zoden aan de dijk kan zetten. “Twee elektrische auto’s verbruiken jaarlijks ongeveer evenveel energie als een huishouden. Het laden van auto’s vormt dus een wezenlijke belasting voor het elektriciteitsnet. Naarmate er meer elektrische auto’s komen, wordt het steeds belangrijker om ervoor te zorgen dat ze buiten de spits laden.”

Opladen in de daluren kan dus zeker effect sorteren, maar dwangmatig laadpalen afschakelen is misschien niet de beste optie om dat te bewerkstelligen. “Het voorstel is zeker haalbaar”, stelt Maarten Steinbuch, hoogleraar automotive aan de TU Eindhoven. “Maar ik twijfel eraan of het wenselijk is. Ik zou zulke zaken liever aan mensen zelf overlaten, met daarbij een financiële prikkel zodat autogebruikers er ook wat aan kunnen verdienen.”

De Vries is dat met hem eens. “Uiteindelijk zou het me beter lijken als automobilisten hun auto wel tijdens spitsuren kunnen laden, maar daar dan een stevige spitsheffing voor betalen. Die heffing moet zo hoog zijn dat automobilisten die geen haast hebben met het laden, hun auto buiten de spitsuren laden. Bijvoorbeeld midden op de dag als het zonnig is of anders ‘s nachts. Dan is de elektriciteit ook goedkoper, maar op dit moment zijn de prijsverschillen klein. Als de gascentrales in het volgende decennium uitgefaseerd worden, zal de stroomprijs omhoog gaan op momenten dat er weinig zonne- en windenergie beschikbaar is. Dan zal de beloning voor flexibel laden toenemen.”

Verkeerd opgepakt

Kabalt kijkt er hetzelfde naar. “Ik geloof echt in een oplossing via prijsprikkels. Via slim laden kunnen mensen dan juist spelen en profiteren van de capaciteit. Dus lage kosten als er veel beschikbare capaciteit is en hoge prijs als dat niet zo is. Dat maakt een elektrische auto juist een heel handige oplossing voor het voorkomen van netcongestie. Die bril ontbreekt in het verhaal van Stedin volledig.”

Overigens stelt ze dat het voorstel van de netbeheerder geheel verkeerd begrepen is en ten onrechte is bestempeld als dwangregeling. “Het is een oproep voor een gedragsverandering. Stedin gaat niets uitzetten, dat hebben ze ook nergens gezegd. Dus dat is een misvatting.” Wel denkt ze dat het bericht bijgedragen heeft aan een onaantrekkelijker beeld van elektrische auto’s. “Het wekt volledig de verkeerde suggestie en heeft onbedoeld echt de verkeerde boodschap gestuurd. Nederland is van gidsland (op het gebied van elektrische auto’s, red.) inmiddels in de middenmoot beland. Onduidelijk beleid voor na 2025 en dit soort negatieve frames helpen daar totaal niet bij. Ik was dan ook erg ongelukkig met het bericht en hoe het is opgepakt.”

Gratis opladen?

Dat automobilisten uiteindelijk spekkoper kunnen worden door buiten piekuren hun auto op te laden, is een breder gedeelde mening. Olof van der Gaag (voorzitter van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie), vertelde tegen BNR een vergelijkbaar verhaal. “Je kunt dus eigenlijk goedkoper opladen, of als je het heel slim doet: gratis opladen”, meende hij.

“Daar ben ik het dus mee eens”, zegt Kabalt. “Als je elektrische auto’s inzet als oplossing voor netcongestie, gaan rijders van EV’s daar ontzettend van profiteren. En de maatschappij profiteert mee, doordat er meer op de netten kan, en uiteindelijk minder in uitbreidingen geïnvesteerd hoeft te worden. Dat zou het frame moeten zijn van een dergelijk bericht.”

“Je ziet nu al dat de elektriciteitsprijs op zonnige dagen midden op de dag heel laag is”, zegt De Vries. “Dat geldt ook voor nachten met veel wind. Auto’s zouden op die tijdstippen moeten laden. Het voorstel van Stedin helpt hierbij.”

Lees ook:

Nederlandse modeontwerper maakt Parijse couture van gerecycled textielafval

De designs van Van der Kemp vormen het voorlopige hoogtepunt van het project Trashure. Dat poogt een eind te maken aan de enorme berg textielafval die Nederlanders en Europeanen jaarlijks weggooien. Hoe? Door textielafval te recyclen en weer te gebruiken voor nieuwe mode en kleding. Het project is een samenwerking tussen de beroemde modeontwerper, leerlingen van de Haagse Hogeschool onder leiding van duurzame mode-expert professor dr. Kim Poldner, textielinzamelaar Sympany en sociaal recyclingbedrijf i-did. Première Vision Parijs Het doel: van vilt uit gerecycled textielafval een stof op de markt brengen, die modebedrijven als H&M gaan gebruiken voor hun kleding. De plaats en tijd van de lancering van die stof hebben de initiatiefnemers al in hun agenda genoteerd: Première Vision in Parijs, van 2 tot en met 4 juli, de grootste modestoffenbeurs ter wereld. “Waar we met Trashure op inzoomen is vooral het textielafval. Op dit moment wordt 1 procent van nieuw textiel gemaakt van gerecycled materiaal. Dat moet significant omhoog, want de Nederlandse overheid wil in 2050 volledig circulair zijn. Wij onderzoeken of we van vilt een verkoopbare, draagbare stof in de markt kunnen zetten”, zegt Poldner, de drijvende kracht achter het project. Vieste van het vieste Trashure wordt gefinancierd door RVO via de Kennis en Innovatie Agenda Circulaire Economie (KIA CE). i-did vormt de spil in Trashure. Het bedrijf opende in mei 2022 een fabriek voor textielrecycling in The New Farm in Den Haag, een verzamelgebouw voor innovatieve, sociale en circulaire maakbedrijven. In een grote hal op de begane grond staan nu twee lange rijen machines achter elkaar opgesteld. Aan de voorkant gaat er textielafval in dat door Sympany wordt ingezameld en aangeleverd. Veelal kapotte stukken textiel, oude spijkerbroeken en afgedragen werkkleding. Zo’n beetje het vieste van het vieste textielafval denkbaar. “Wij kunnen de laagste kwaliteit textielafval verwerken, dat normaal wordt verbrand”, zegt Anna Schilizzi, projectmanager innovatie bij i-did.Van tassen tot kussens Aan het eind van de recyclingstraat komen er rollen vilt uit de machines: i-felt. Een sterk design materiaal dat zacht aanvoelt en dezelfde kleur heeft als het oorspronkelijke textiel. Het vilt wordt boven in het atelier verwerkt tot tassen, plantenbakken, gordijnen, lamellen, kussens, laptop-hoezen, akoestische panelen en nog tal van andere artikelen. i-did in Den Haag verwerkt de laagste kwaliteit textielafval tot rollen viltSociale en duurzame missie Het werk wordt gedaan door langdurig werklozen die i-did als springplank gebruiken naar een nieuwe baan. Sinds de start in 2009 heeft i-did al bijna 500 mensen uit de bijstand of met een andere uitkering aan werk geholpen. “Dat sociale doel is onze primaire missie. Wat we doen rondom duurzaamheid is superbelangrijk en is onze secundaire missie” legt Schilizzi uit. Die combinatie maakt het bedrijf volgens Poldner juist zo speciaal. Ze schreef er een teaching case over met de titel ‘i-did: social impact through circular business’. “Die wordt in collegezalen wereldwijd gebruikt”, zegt ze. Duurzame modepionier i-did laat zien dat laagwaardig textielafval nog prima gerecycled kan worden. Maar de grote vraag was tot nu toe: kun je er ook textiel voor kleding van maken? Iets wat mensen willen dragen? Dat is wat Trashure wil gaan bewijzen. Ronald van der Kemp nam het initiatief tot het project toen hij drie jaar geleden bij i-did aanklopte om met gerecycled vilt te gaan werken. De Nederlander werkt alleen met overgebleven reststoffen - zogeheten deadstock - en gerecycled materiaal. In 2014 lanceerde hij met zijn merk RVDK het eerste duurzame couture label ter wereld. Van der Kemp wordt gezien als een duurzame pionier in de internationale modebranche. Hij wil de wereld laten zien dat ethische mode ook glamorous en exciting kan zijn. Zijn creaties worden gedragen door beroemdheden als Gwen Stefani, Céline Dion, Katy Perry en Michelle Obama. Gwen Stefani in Vogue In 2021 ging Van der Kemp voor het eerst experimenteren met vilt van i-did. Hij maakte een korset van vilt waarin popster Gwen Stefani zich liet fotograferen voor modeblad Vogue. Daarna haakte Poldner aan en benaderden zij samen met i-did de andere partners in het project, zoals Sympany. Vilt wordt nu vooral gebruikt in auto’s, als isolatiemateriaal en voor poetsdoeken. i-did is het eerste bedrijf dat er een designstof van heeft gemaakt voor tassen, accessoires en interieur producten. “Vilt heeft in Nederland nog een stoffig imago. In dit project wilden wij kijken of er iets draagbaars van te maken valt”, zegt Schilizzi. Awareness via beroemdheden Van der Kemp begon met accessoires als hoedjes en kettingen van i-felt. Hij toonde zijn eerste jurk van vilt van i-did in juli 2021 tijdens de Parijse coutureweken. Die werd later als museumstuk tentoongesteld. De afgelopen coutureweken presenteerde de modeontwerper vaker kleding van vilt. Ook beroemde sterren showden ze. In mei 2022 droeg de Cubaans-Amerikaanse zangeres Camila Cabello een jurk van i-did vilt tijdens de presentatie van haar nieuwe album op TikTok. Zij heeft alleen op Instagram al 66,5 miljoen volgers. Afgelopen kerst droeg wederom Gwen Stefani – 17,6 miljoen volgers - een speciale Trashure jurk van stukjes textielafval, ontworpen door Van der Kemp. “Door dit soort exposure creëer je bij een hele generatie een stukje awareness en maak je het bespreekbaar”, zegt Poldner. “Ronald laat zien dat duurzaam en gerecycled textiel fashionable kan zijn.” Statementtassen In november 2022 lanceerden Van der Kemp en i-did samen dertien zogeheten statementtassen. Als een protest tegen de uitpuilende textielberg. “Die waren op de dag van lancering uitverkocht. Voor het Trashure project was dat een soort try-out hoe zoiets werkt”, zegt Poldner. Kim PoldnerStrijd voor circulaire mode Kim Poldner strijdt als serial entrepreneur en onderzoeker al ruim twintig jaar voor een meer circulaire en duurzame mode-industrie. Bij Wageningen University & Research (WUR) richtte ze in 2017 het Circular Fashion Lab op. Sinds 2019 is ze lector Circular Business aan The Hague University of Applied Sciences en per 1 januari 2024 is ze daarnaast benoemd tot bijzonder hoogleraar Regional and Circular Economic Development aan the University of Groningen (RUG). Eind vorig jaar bracht ze het boek ‘Love Letters to my Clothes’ uit. Een intiem boek over het herwaarderen van afgedankte kleding.Vervuilende industrie “De kledingindustrie is met jaarlijks 10 procent van de mondiale CO₂-uitstoot een van de meest vervuilende sectoren ter wereld”, stelt Poldner. De cijfers daarover zeggen genoeg. Voor één T-shirt is al 2.700 liter water nodig, verven van stoffen zorgt voor 20 procent van alle watervervuiling en polyesterdeeltjes die bij het wassen vrijkomen belanden als microplastics in de oceanen en via visconsumptie ook in het bloed van mensen. In Nederland belandt jaarlijks ruim 300 miljoen kilo textielafval in de verbrandingsoven. Daarom voert de hele EU – na Nederland dit jaar - de zogeheten Uitgebreide Product Verantwoordelijkheid (UPV) in. Die verplicht producenten om gebruikt textiel in te nemen, zodat in 2030 driekwart gerecycled kan worden. In juli op de catwalk Ronald van der Kemp gaat de designs met Trashure vilt van i-did weer presenteren tijdens de Paris coutureweek in juli. “Dan zijn we een stap verder met de ontwikkeling van het materiaal. Ik had het in januari willen gebruiken in mijn show, maar toen waren we nog niet zover”, zegt hij. “Het mooie van Trashure is het hele verhaal erachter. Dat je van iets wat eigenlijk afgedankt is toch hele mooie dingen kunt maken. Dat hebben we elke keer laten zien tijdens de coutureweek, maar ik ben altijd aan het proberen om weer een stap verder te gaan. De sterren zijn daarvoor ambassadeurs. Door hen wordt het verhaal verspreid en gaan mensen hopelijk anders denken over duurzaamheid, doordat ze het in een meer glamoureus daglicht kunnen zien.”Modeontwerper Ronald van der Kemp met leerlingen van de Haagse HogeschoolBusinesscase voor duurzame mode Van der Kemp is een fantastisch uithangbord voor Trashure en i-did, maar veel geld levert dat het project tot nu toe niet op. Om de stof daadwerkelijk in juli op de markt te brengen via de Parijse beurs, is een businesscase nodig. Daar begint de rol van de studenten Circular Business van de Haagse Hogeschool. Voor hen is Trashure een praktijkcasus om onderzoek, onderwijs en praktijk te combineren. De studenten kregen in mei 2022 een inspirerende keynote speech van Van der Kemp. Daarna gingen ze spelen met zijn ontwerpen om te kijken of ze er betaalbare mode en accessoires van konden maken. Betere reputatie Eind vorig jaar onderzochten studenten of een keten als H&M items met Trashure vilt zou kunnen produceren. “Over een paar maanden is dat hopelijk zover”, zegt Poldner. “Ons doel is om een steentje bij te dragen om circulair te worden in Nederland en daarbuiten. De 1 procent gerecycled textiel die op dit moment in onze kleding zit, willen we helpen omhoog te brengen. Zo leveren we een bijdrage aan de transitie naar een meer duurzame mode-industrie. Op dit moment is de reputatie van gerecycled textiel niet al te best. Zowel consumenten als modemerken vinden het nog niet zo aantrekkelijk. Zo zijn er veel vooroordelen. Gerecycled textiel zou niet mooi genoeg zijn en de kwaliteit niet goed genoeg. Wij bewijzen graag het tegendeel.” Lees ook: Hoe dichtbij is circulair textiel in Nederland? 'We moeten aan de voorkant gaan nadenken'Primeur: deze recyclemachine kan van elke textielvezel stukjes stof makenPodcast: wat kan de textielindustrie leren van het recyclen van verpakkingen?Frankrijk betaalt mee aan kledingreparaties om circulaire economie te versnellen