Rianne Lachmeijer 15 augustus 2022, 08:00

Rabobank gaat CO2-opslag van kleine boeren veilen aan bedrijven

Rabobank start een veiling voor CO2-certificaten. Bedrijven kunnen ‘opgeslagen CO2’ kopen van kleinschalige boeren in ontwikkelingslanden. Dit moet het verdienmodel van de boeren verbeteren en de biodiversiteit vergroten. De compensatiemarkt is booming, omdat steeds meer bedrijven doelen stellen om hun CO2-uitstoot te verminderen. De bank speelt hierop in.

BBC Colombia 00 59 05 colombiaanse boerin die meedoet met het acorn programma “Boeren halen bij ons écht CO2 uit de lucht", benadrukt Jelmer van de Mortel. | Credits: Acorn

“We zien dat er veel vraag is in de markt”, vertelt Jelmer van de Mortel, Innovation Lead bij Rabobank en coördinator van het CO2-programma Acorn. “Er zijn de afgelopen jaren veel bedrijven die zeggen dat ze CO2-neutraal willen zijn en daarom hun CO2 moeten reduceren”, zegt Van de Mortel. Hij merkt dat ze minder vaak vliegen, duurzame energie inkopen en hun wagenpark elektrificeren. Maar de CO2-uitstoot met 100 procent terugbrengen lukt vaak (nog) niet. Hun oplossing: compenseren. Bijvoorbeeld door via Trees for All bomen te planten in droge gebieden of door via Acorn boeren in ontwikkelingslanden te stimuleren om met bosbouw aan de slag te gaan.

Door de grote vraag naar compensatieprojecten zijn er veel partijen die gouden bergen beloven. Van de Mortel kent de kritiek: “De markt is niet transparant en er zit veel verschil in kwaliteit waardoor bedrijven niet goed weten wat ze kopen.” Bedrijven die hun CO2 willen compenseren worden zich steeds meer bewust van die risico’s. “Daardoor zie je dat bedrijven ook veel meer eisen stellen.”

Eén van die eisen is dat bedrijven willen dat projecten daadwerkelijk bijdragen aan minder CO2 in de lucht. Rabobank voldoet met het programma Acorn aan die wens, zegt Van de Mortel. “Boeren halen bij ons écht CO2 uit de lucht.”

Lees ook: Pensioenfonds plant bomen met pensioengeld

Hoe werkt het?

Rabobank lanceerde het programma twee jaar geleden. Sindsdien planten kleinschalige boeren in Afrika, Azië en Latijns-Amerika nieuwe bomen en gewassen op hun land. Zij merken de negatieve gevolgen van klimaatverandering, maar hebben vaak te weinig middelen om daar iets aan te doen.

Wat ze precies planten verschilt per boer. “Voor een koffieboer zijn dat schaduwbomen en voor een maisboer juist avocado- en mangobomen die vaak alleen voor lokaal gebruik zijn.”

In de eerste jaren groeien er nog geen vruchten aan de nieuwe bomen, maar ze nemen wel CO2 op. Met satelliet-gestuurde systemen en data berekent de Acorn om hoeveel CO2 het gaat. Deze CO2 zetten ze om in zogenoemde Carbon Removal Units (CRU’s). Eén CRU staat gelijk aan 1.000 kilogram CO2-opslag. Acorn gaat nu 100.000 CRU’s veilen.

Een CO2-veiling

De minimumprijs voor een CRU is 20 euro. Een koper moet minimaal 1.000 CRU’s afnemen. Acorn sorteert de biedingen op prijs van hoog naar laag totdat de te verdelen certificaten op zijn. Dus als partij A 50.000 credits wil voor 45 euro, partij B 30.000 credits voor 35 euro en partij C 20.000 credits voor 30 euro dan krijgen partij A, B en C allemaal het aantal certificaten dat ze willen voor 30 euro per certificaat. “Op die manier betalen bedrijven nooit meer dan de prijs die ze boden, maar misschien wel minder.”

Volgens Van de Mortel is het systeem heel transparant: “We weten precies waar, wanneer en door wie die CO2 is opgeslagen. De koper kan dat ook in zijn portaal zien.” Dat ziet hij of zij via een bolletje op een virtuele kaart.

Ene CO2-opslag is de ander niet

Bij een congres van Foodlog over CO2-kredieten was de toon kritisch. De experts legden de nadruk op de uitdagingen. Zo is de ene boom de ander niet. “Er is niet één oplossing voor elke boer, je moet zoeken naar de juiste bomen voor de grond en de juiste combinaties van bomen en andere gewassen”, zei Peter van Bodegom, hoogleraar Milieubiologie aan de Universiteit Leiden.

Hoeveel CO2 een boom opneemt is afhankelijk van een heleboel factoren, zoals soort, hoogte en leeftijd. Acorn neemt deze mee in de biomassamodellen die het vervolgens op grote schaal inzet, zegt Van de Mortel. “Wij ontwikkelden een technologie die CO2-opslag objectief kan meten aan de hand van satellietbeelden. Daardoor hebben we de kosten van certificering en monitoring onder de 10 procent gekregen. Daardoor kunnen we op veel grotere schaal boeren toegang geven tot die vrijwillige koolstofmarkt.” Volgens hem gaat 80 procent van de opbrengst naar de boeren, 10 procent naar Acorn en 10 procent naar samenwerkingspartners als Solidaridad, Farmstrong en Kaderes.

Hoe werkt CO2-opslag door planten?

Planten en bomen nemen CO2 op en zetten dit met behulp van zonlicht om in zuurstof en wortels en bladeren. Een deel van de door planten vastgelegde koolstof komt in de grond, bijvoorbeeld doordat wortels CO2 uitscheiden. Daarnaast komt koolstof in de bodem via dode plantenresten en via uitwerpselen van organismen die planten eten.

Acorn meet en noteert minder CO2-opname dan er waarschijnlijk plaatsvindt. “Wij meten inderdaad alleen wat wij ‘de bovengrondse biomassa van die boom’ noemen. Die meten we met die satellietbeelden en we pakken een factor voor de ondergrond van de biomassa: dat zijn de wortels. Daarnaast zit er nog een grote component CO2 die wordt opgeslagen in de bodem. Die maken we niet te gelde op dit moment, omdat we die nog niet op een schaalbare manier kunnen meten en certificeren.”

Acorn neemt alleen de bomen mee die de boer plantte als onderdeel van het programma. Daarnaast kijkt het programma naar de jaren vóór de start van het programma. Zo mag er in de vijf jaar voorafgaand aan de verkoop van de CO2-certificaten geen ontbossing zijn geweest op het land van de boer. Ook wordt gekeken of de boer niet in de omgeving alsnog bos kapt voor extra nieuwe landbouwgrond.

Als het mis gaat

Van de CO2 die boeren op deze manier opslaan zet Acorn 85 procent om in credits. De andere 15 procent gaat in een buffer die de bank kan aanspreken als het misgaat. Bijvoorbeeld doordat er toch bomen zijn gekapt of als deze door een bosbrand worden verwoest. “De bedoeling is om twintig jaar lang te meten of die CO2 terugkomt. Mocht dat zo zijn dan halen we credits uit de buffer.”

Als coördinator van het programma is Van de Mortel natuurlijk erg positief. “Op wereldwijdniveau draagt het bij aan klimaatmitigatie. Op regionaal niveau aan voedselzekerheid, landschaps- en biodiversiteitsherstel. En op individueel niveau is het goed voor die boer.” Zo is deze bijvoorbeeld beter bestand tegen plagen doordat hij meer dan één soort plant op zijn grond heeft staan. “Je hebt geen sprinkhaan die alles in een keer kaalvreet, want de teelt is diverser. En door de betere bodemkwaliteit heeft de boer op de lange termijn ook minder behoefte aan kunstmest.”

Ondanks zijn enthousiasme over de compensatiemethode plaatst Van de Mortel er ook een kanttekening bij. “Het belangrijkste is dat we met zijn allen CO2 gaan reduceren.” Desondanks denkt hij dat er ook een markt nodig blijft voor compensatie. “Nu stoten we als mensheid jaarlijks 30 tot 40 gigaton uit. Met alle reductie-inspanningen is dat over tien tot twintig jaar nog steeds 5 tot 10 gigaton. Dus naast reductie moeten we een markt op gang krijgen om CO2-opslag te financieren.” En dat is precies wat Rabobank met de CO2-veiling aan het doen is.

“Het mag zeker geen aflaat zijn”, zei Van de Mortel in een eerder artikel. Lees het hier.

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws

Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.

Lage waterstanden probleem voor Duitse chemiebedrijven

De Rijn stroomt van de Zwitserse Alpen naar de Noordzee via Duitse industriegebieden. Daarmee is het een belangrijke doorvoerroute voor producten zoals graan, steenkool en chemicaliën. Moody’s onderzocht de effecten van de lage waterstanden voor bedrijven actief in de laatste twee sectoren. In het rapport legt de kredietbeoordelaar de nadruk op de risico’s voor chemiebedrijven. De kans is groot dat hun kosten zullen stijgen door de lage Rijnwaterstanden. Dat geldt vooral voor de chemiebedrijven met productiefaciliteiten aan het begin van het Duitse deel van de Rijn. Hogere kosten zorgen voor een lagere cashflow en zouden ervoor kunnen zorgen dat bedrijven hun schulden minder goed kunnen afbetalen. Ondanks zijn waarschuwingen, maakt de kredietbeoordelaar zich nog niet al te veel zorgen. De negatieve effecten van een lage waterstand De lage waterstand heeft om verschillende redenen een negatief effect op bedrijven. Ten eerste kan het tot productieverminderingen leiden, omdat schepen minder grondstoffen kunnen vervoeren. Zo sprak Reuters met een schipper die ijzererts vervoert voor de Duitse staalproducent Thyssenkrupp. De schipper kon het schip slechts 30 tot 40 procent vullen. "Normaalgesproken heb je meer dan twee meter onder het schip, maar nu heb je op sommige plaatsen nog maar 40 centimeter", vertelde kapitein Peter Claereboets aan Reuters. Het is een uitdaging om door die ondiepten te varen zonder het schip te beschadigen. Een waterstand van 130 centimeter wordt al als laag gezien, 40 centimeter is dus opvallend laag. "Vanwege de lage waterstanden wordt de vaarroute smaller en gaan we als een soort treinen reizen: in een konvooi", legt Claereboets uit. Er zijn ook boten die helemaal niet meer kunnen varen. Door deze problemen kost vrachtvervoer nu soms al 110 euro per ton vloeistof bijvoorbeeld. Terwijl een vloeistoftankschip in juni daar ongeveer 20 euro voor rekende. Ten tweede gaan lage waterstanden vaak gepaard met hoge luchttemperaturen. Hierdoor wordt de rivier ook warmer. De regering heeft bepaald dat het rivierwater niet warmer dan 28 graden mag worden om het waterleven niet te schaden. Als de temperatuur zich richting dit kritieke punt beweegt, mogen chemiebedrijven hun koelwater niet meer lozen. Daar komen waarschijnlijk nog hogere elektriciteitsprijzen bovenop, omdat elektriciteitsbedrijven die gebruikmaken van steenkolen ook problemen ondervinden van de lage Rijn-standen. Chemiegroep BASF vooral de pineut Eén van de bedrijven die productieverlagingen niet meer uitsluit is Chemiegroep BASF. In 2018 kreeg het bedrijf ook al te maken met lage waterstanden. Toen daalde de winst van het chemieconcern met 250 miljoen euro. Moody’s verwacht dat Roehm ook geraakt zal worden. Voor bedrijven als Bayer, Covestro en Lanxess zijn de effecten waarschijnlijk kleiner, omdat zij zich lager aan de Rijn bevinden. Klimaatverandering als oorzaak Moody’s noemt klimaatverandering als oorzaak voor de lage waterstanden en benadrukt dat fysieke klimaatrisico’s zoals deze van invloed kunnen zijn op bedrijfsoperaties, winst en kredietwaardigheid. Volgens het Duitse Federale Instituut voor Hydrologie (Bundesanstalt für Gewässerkunde, afgekort: BfG) kunnen de lage waterstanden nog zes weken aanhouden. Andere klimaatmodellen, waaronder één van BfG, geven aan dat dit soort problemen waarschijnlijk veel vaker zullen voorkomen. Klimaatadaptieve maatregelen door bedrijven Een aantal bedrijven hebben sinds 2018 - een ander opvallend droog jaar - veranderingen doorgevoerd om de negatieve effecten van lage waterstanden te verminderen. BASF is één van hen. Het chemieconcern heeft een systeem dat waarschuwt als er lage waterstanden dreigen. In 2021 kondigde het bedrijf aan tankers te bestellen die goederen kunnen vervoeren in ondieper water. De eerste daarvan is nu in gebruik. Voor volgend jaar staan er nog twee op de planning. Dit soort tankers kunnen echter wel minder vracht vervoeren dan conventionele tankers. Om in de buurt te komen van de normale hoeveelheid vracht huurt BASF extra binnenvaartschepen in en vervoert het bedrijf meer per trein en vrachtwagen. Tot slot investeerde BASF in zijn fabriek in Ludwigshafen in gesloten koelsystemen. Daardoor is het bedrijf minder afhankelijk van de temperatuurniveaus van de Rijn. Moody’s verwacht dat extra investeringen in klimaatbestendigheid de cashflow van het bedrijf zullen verminderen, maar de kredietbeoordelaar maakt zich niet al te veel zorgen. ‘We verwachten dat de financiële impact van deze investeringen in 2022 te verwaarlozen is en de operationele veerkracht verbetert’, schrijft de kredietbeoordelaar. Anders gezegd: door dit soort maatregelen denkt Moody’s dat het bedrijf in de toekomst minder last zal hebben van negatieve effecten door lage waterstanden. De kredietbeoordelaar verwacht dat meer bedrijven dit soort maatregelen zullen moeten treffen. Lees ook: Vier redenen waarom beleggers hun waterrisico’s beter moeten metenSchrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.