Marc Seijlhouwer 15 november 2021, 11:54

De Nederlandse industrie kan veel groener worden dan we dachten

Uit een analyse van het Planbureau voor de Leefomgeving, TNO en en Rijksdienst voor ondernemen blijkt dat de plannen van de Nederlandse industrie om duurzamer te worden kunnen werken. Er kan maarliefst 30 megaton CO2 bespaard worden. Maar dan moet de overheid wel zorgen voor subsidie én goede infrastructuur.

Industriegebied duitsland zon adobe stock change inc De industrie is een van de grote vervuilers van Nederland, maar het kan andersm | Credits: Adobe Stock

Er zijn maar weinig plannen concreet, of terug te voeren op individuele bedrijven. Maar de zes industrieclusters die Nederland kent hebben collectief grote plannen. De uitstoot zou in 2030 31 megaton (miljard kilo) lager moeten zijn dan nu. Dat is een aanzienlijk grotere ambitie dan het kabinet opstelde in het Klimaatakkoord van 2019; daarom hoefde de uitstoot van de industrie met slechts 19 megaton te dalen. Ter vergelijking: in 2020 was de uitstoot 53,5 megaton.

CO2 in de industrie

Dat de industrie zoveel meer ambitie laat zien dan de overheid, toont aan dat de sector wel degelijk weet hoe de uitstoot omlaag kan. Chemie en industrie geldt als hoofdpijndossier in de klimaatkwestie, omdat veel processen om warmte vragen. En warmte opwekken zonder fossiele energie is lastig. Ook zijn er veel bedrijven die fossiele materialen als grondstof gebruiken. Denk aan de kunstmestproductie, een belangrijke bron van uitstoot.

Een groot deel van de uitstootreductie hangt op de introductie van groene waterstof. Met groene stroom kun je waterstof maken zonder uitstoot, die je als alternatief voor aardgas kan gebruiken. Ook het afvangen van CO2 bij de schoorstenen speelt tot 2030 een belangrijke rol.

Beide technieken vragen om nieuwe infrastructuur, en die moet zo snel mogelijk worden aangelegd om de reductie te bewerkstelligen. Volgens het PBL moet de overheid helpen met vergunningen en planning van de grote infra-projecten, om zeker te weten dat er niet te veel tijd zit tussen de bouw van een waterstoffabriek en de aanleg van pijpleidingen om het waterstof te vervoeren.

Subsidie voor waterstof

Naast infrastructuur speelt financiering vanuit de overheid een belangrijke rol. Groene waterstof is nu nog veel te duur en ook het afvangen van CO2 vraagt om (te) grote investeringen. Bedrijven kijken daarom massaal naar Vadertje Staat, die met subsidies de industrie groener moet maken. Het is de vraag in hoeverre dat zal gebeuren; mogelijk zal het nieuwe kabinet alleen subsidie geven om de eigen klimaatdoelen voor de industrie te halen.

Zelfs als de infrastructuur en financiering op orde is, zal verduurzaming niet makkelijk zijn. Grootschalige productie van groene waterstof vraagt om veel groene stroom. De elektriciteitsbehoefte van de industrie verdubbelt tot 2030, aldus de doorrekening van het PBL. 40 procent van die stijging komt door groene waterstofproductie. De rest komt door de elektrificatie van processen die nu nog met fossiele brandstof werken.

En het afvangen van CO2, de andere pijler onder de mogelijke uitstootvermindering? Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de effectiviteit van de techniek, zoals wij eerder al analyseerden. Toch is het onvermijdelijk dat er CCS-projecten komen; anders zou CO2-reductie op korte termijn onmogelijk worden.

Slokakkoord COP26: wat levert het op?

Twee weken geleden, op 31 oktober, ging de COP26 in het Schotse Glasgow van start. Leiders uit zowel het bedrijfsleven als van nationale overheden onderhandelden om het laatste beetje eruit te halen wat erin zit. Dit is wat er is bereikt. Veel deelakkoorden De klimaattop heeft, meer dan andere klimaatconferenties, veel deelakkoorden opgeleverd. Zo spraken wereldleiders af om ontbossing te stoppen; tekenden zo’n 100 landen het ‘methaanpact’; stoppen 18 landen met het bouwen van kolencentrales; moeten alle nieuwe vrachtwagens en bussen in 2040 uitstootvrij zijn; sloten China en de VS een klimaatdeal; en tekenden Nederland en Namibië een intentieverklaring om samen aan waterstof te werken. Toch zijn die deelakkoorden en toezeggingen geen harde afspraken. Ze zijn een stuk vrijblijvender dan het slotakkoord, dat met twee dagen uitstel zondag is ondertekend. In het akkoord is onder meer opgenomen dat arme landen financieel tegemoet moeten worden gekomen. Er staat voor het eerst expliciet in de tekst dat ook iets als klimaatschade betaald moet worden in de toekomst. Hoe dat eruitziet, moet nog geregeld worden. Daarnaast hadden India en China op het laatste moment bezwaar op de tekst over het gebruik van steenkool. De formulering “towards phase out” werd op het laatste moment veranderd in "to phase down", ofwel het 'verminderen' in plaats van 'uiteindelijk stoppen' met het gebruik van steenkool. Wereldwijde CO2-markt Een doorbraak in het slotakkoord is artikel 6, dat gaat over een wereldwijde markt voor CO2. Nu bestaat in Europa het emissiehandelssysteem, maar landen tekenen nu voor een wereldwijde markt. Daarmee krijgen landen die hun klimaatdoelen halen, rechten voor wat zij extra aan CO2 hebben bespaard. Landen die de eigen klimaatdoelen niet halen, kunnen rechten kopen. In het artikel liggen regels vast over wat landen mogen meetellen als gereduceerde uitstoot, en wat niet. De volgende klimaattop is volgend jaar in Egypte. Voor het eind van 2022 moeten landen met aangescherpte klimaatdoelen komen, zodat de druk op de volgende klimaattop wordt opgevoerd. ‘Een feest met nationale belangen’ Er wordt veel gespeculeerd of de klimaattop in Glasgow een succes was of niet. “Ja, er zijn stappen gemaakt, ambities zijn verhoogd, het rulebook (noodzakelijke afspraken om de doelen van Parijs te halen red.) is verder ontwikkeld”, ziet Werner Schouten, voormalig voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging. “Maar tegelijkertijd is de COP nog steeds een feest gebleken waar de nationale belangen met hand en tand worden verdedigd ten koste van de mondiale belangen. Duitsland verdedigt auto-industrie, Brazilië en Argentinië de vleesindustrie, Australië de kolen, Saoedi-Arabië en Noorwegen de olie.”