Eva Segaar 12 november 2021, 14:50

Moeten er 1 miljoen nieuwe woningen komen, en hoe bouwen we die?

De komende tien jaar moeten er één miljoen woningen worden gebouwd, tenminste, dat stelt het Economisch Instituut voor de Bouw. Eén miljoen woningen, het klinkt als iets onoverkomelijks. En het bouwen van huizen zorgt voor veel extra uitstoot, waarop de vraag rijst, met het recente IPCC-rapport in het achterhoofd: moeten al die woningen wel worden gebouwd, of is er een mogelijkheid om de huidige ruimte beter te benutten? Een visie op de woningmarkt van de toekomst.

Adobe Stock 461022337 Groen bouwen of bouwen we straks ín het groen? | Credits: Adobe Stock

Het inwoneraantal in Nederland groeit nog steeds, zij het langzaam. In 2020 kwamen er 63.000 inwoners bij. En iedereen heeft een dak boven zijn hoofd nodig. Het is lastig te voorspellen met hoeveel Nederlanders we in 2050 zullen zijn. Schattingen van het CBS lopen uiteen van 17,1 tot 21,1 miljoen. En dat ten opzichte van de 17,5 miljoen Nederlanders met wie we nu zijn. “De onzekerheden zijn groot”, zegt hoogleraar aan de TU Delft en woningmarktdeskundige Peter Boelhouwer. “We weten niet of we veel te maken zullen hebben met arbeidsmigratie, misschien komen er meer vluchtelingen vanwege klimaatverandering. En aan de andere kant hebben we te maken met gezinsverdunning en de vergrijzing, wat ervoor zorgt dat de huishoudens gemiddeld kleiner worden.”

Zo bestaat een gemiddeld huishouden nu uit 2,1 persoon, en gaat dat getal waarschijnlijk zakken naar 2. Ook daarom hebben we al meer woningen nodig. “Eén miljoen is wel een reëel getal,” zegt Boelhouwer. “Maar die woningen hoeven niet allemaal nieuw te worden gebouwd.” Volgens de woningmarktexpert moeten we beter kijken naar wat we al hebben, want overal in Nederland staan panden leeg. Kantoorpanden, winkelpanden, kerken, en wat te denken van de enorme huizen waar mensen ook nog al eens alleen wonen? “Corporaties proberen dat op te lossen door doorstroommakelaars in te zetten. Die sporen de huurder aan te verhuizen naar een kleiner appartement, bijvoorbeeld door huurkorting te geven. In Engeland laten ze gezinnen die kleiner zijn geworden omdat de kinderen uit huis zijn gegaan, meer betalen als ze hetzelfde aantal kamers willen behouden.” Maar dat is lastiger in de vrije sector, erkent Boelhouwer.

Samenwonen belonen

“We moeten vanuit duurzaamheidsperspectief vooral kijken naar wat we níét hoeven te bouwen”, zegt Jan Willem van de Groep, een ondernemer die zich richt op innovaties in de bouw- en woningcorporatiesector. “De helft van die opgave van één miljoen kunnen we zeker realiseren zonder dat we in het groen hoeven te bouwen. Alleen ontbreken de prikkels om dat te stimuleren.” Volgens Van de Groep wordt samenwonen in Nederland afgestraft en wordt juist alleen-wonen beloond. “In het eerste geval gaat de AOW omlaag en zodra je inwonende kind achttien is geworden, wordt de huursubsidie gekort. We moeten het juist financieel interessanter maken om samen te wonen, met één of meerdere personen.” Het zou mooi zijn als iemand die in zijn eentje 150 vierkante meter bewoont gemakkelijker een kamer in zijn huis kan verhuren, zonder dat het invloed heeft op zijn AOW. “Dan gaan we weer terug naar de tijd van de hospita’s”, zegt Van de Groep lachend. “Maar denk ook aan het splitsen van je huis. Nu is dat een doodzonde om te doen en daarom enorm lastig. “We moeten nodig alle regels voor samenwonen overboord gooien.”

“Dat we een probleem hebben, daar zijn we het over eens”, zegt directeur Fred Schoorl van de branchevereniging voor Nederlandse architectenbureaus (BNA). “Maar bij het getal van één miljoen heb ik mijn vraagtekens. Het is een marketinggetal voor bijbouwen. Dat is fijn voor alle ontwikkelaars en anderen die daar belang bij hebben, maar volgens mij moeten we ons richten op hergebruik en bestaande voorraad.” Volgens Schoorl zitten we opgescheept met een woonvoorraad gebaseerd op de twintigste eeuw, waarin het gezin centraal stond, maar vraagt de huidige tijd om heel andere woonvormen. “Denk aan woongroepen waar bijvoorbeeld ouderen bij elkaar wonen. Maar er is niet één antwoord op de vraag.”

Minister voor wonen

Woningbouw heeft alle kabinetten beziggehouden, tot in 2007 onder het kabinet Balkenende het idee ontstond dat Nederland “af” was. Dit leidde ertoe dat tien jaar later de laatste minister van wonen, Stef Blok, zijn eigen ministerie opdoekte omdat de woningmarkt zichzelf wel kon reguleren. Een slechte ontwikkeling, vindt Boelhouwer. “De samenleving is te veel overgeleverd aan de marktwerking. Er zou een minister van ruimtelijke ordening moeten komen die de regie weer in handen neemt en diverse beleidsterreinen coördineert.”

Architect Schoorl gaat nog wat verder. “Verleg de focus van een ministerie voor alleen ‘wonen’, naar focus op de drie dingen waar het invloed op heeft: klimaat, infrastructuur en woonplezier.” Van de Groep is het daarmee eens, en pleit ook voor een programmatische aanpak in plaats van een minister. “Ik denk dat poppetjes ergens neerzetten niet de oplossing is. Alle vraagstukken van deze tijd raken meerdere ministeries, maar juist daarom kost het enorm veel moeite om iets erdoor heen te krijgen.” Het geld moet immers van verschillende ministeries komen, en ze moeten allemaal het nut ervan inzien.

Bouwen met duurzame materialen

En als we dan bouwen, laten we dat dan zo duurzaam mogelijk doen, vindt Van de Groep. Hij houdt zich bezig met biobased bouwen, en zet daarvoor een project op voor het ministerie van Landbouw. Onder biobased vallen alle duurzame grondstoffen die het ook prima doen als bouwmateriaal. Denk bijvoorbeeld aan lisdodde of hennep. Maar omdat er nog niet zoveel aanbod is, zijn deze materialen vaak wat duurder. “Het wordt al wel verbouwd, maar is nog heel erg niche. Terwijl door lisdoddeteelt bijvoorbeeld de waterstand in veenweidegebieden kan verhogen, waardoor er geen CO2 meer ontsnapt aan de bodem en er koolstof zit opgeslagen in het materiaal.” Volgens Van de Groep scheelt het veel uitstoot als we overstappen op biobased materialen. “Teeltgewassen en reststromen slaan drie keer meer CO2 op per hectare dan een bos, en die bouwmaterialen inclusief hout verdringen materialen die CO2 intensief zijn, zoals beton en staal. Ondertussen moet de veestapel omlaag, en zoeken boeren nieuwe verdienmodellen, zoals gewassen telen voor de bouw. Kortom, het is driedubbel winst.”

Om het gebruik van duurzame grondstoffen te stimuleren, bouwt Van de Groep ketens die boeren de zekerheid geven dat er afname is, en de bouw garandeert dat er genoeg aanbod is van de materialen. Het is pionieren met veel uitdagingen. “Je wilt niet weten wat je allemaal moet doen voor je een product mag gebruiken in de bouwsector. Je bent aan veel regels gebonden.”

Volgens Schoorl zijn architecten heel geïnteresseerd in biobased-materialen. “De meeste partijen kiezen vooral materialen vanwege wat er rechtsonder in de Excel-tabel staat (de prijs, red.) in plaats van perspectieven op de langere termijn. Terwijl dat laatste juist heel erg nodig is.” Hij denkt wel dat architecten daarin vooroplopen, zowel biobased
als energieneutraal. “Ze staan aan de voorkant van de ontwikkelingen, en hebben het perspectief van de opdrachtgever, gebruiker, maar ook aannemers, adviseurs en beleggers. En vooral die laatste groep hecht steeds meer waarde aan duurzaamheid. Je wilt immers niet dat je gebouw onder water komt te staan.”

Visie

En om ervoor te zorgen dat Nederland straks niet onder water komt te staan, is actie nodig. En snel een beetje. “Het is nuttig om te durven denken aan een Nederland over honderd jaar, als je ook durft actie te ondernemen binnen de komende tien jaar”, zegt Schoorl. Want als we in 2050 klimaatneutraal willen zijn, moeten we nodig versnellen, vindt ook Van de Groep. “Een goed perspectief voor het komende decennium is essentieel. Het doel moet daarom zijn om in 2030 al naar netto nul uitstoot te gaan, anders hebben we straks al veel te veel CO2 budgetten opgemaakt.”

Daarbij ziet Van de Groep een glansrol voor bouwen met duurzame grondstoffen. “Dat gaat de markt ook beseffen, zodat we in 2030 voor 70 tot 80 procent van de woningen met biobased materialen zijn gebouwd. Prijstechnisch kan het uit, zéker als je waarde gaat toekennen aan CO2 opslag.” En naast anders bouwen, zullen we ook anders gaan wonen denkt Boelhouwer. Volgens de woningmarktexpert wonen er in 2050 veel mensen in micro-appartementen met gemeenschappelijke voorzieningen. Ideaal voor de jongeren die net beginnen met werken, het segment is tussen de studentenkamer en zelfstandig wonen, dat nu nog door de markt wordt opgevangen. En daar wordt volgens Boelhouwer grof geld aan verdiend. “Dat moet daarom gereguleerd worden.” Bovendien hoeven we tegen die tijd niet allemaal hutjemutje op elkaar te wonen in de Randstad. Met openbaar vervoer dat goed en snel werkt, kunnen we de druk over het hele land spreiden. De grootste opgave is om meer geclusterde woonvormen voor ouderen te ontwikkelen. Daarmee wordt in de toenemende vraag van ouderen voorzien, kan er voor besparing in de zorg worden gerealiseerd en ontstaat er doorstroming op de woningmarkt. En dan hebben we nog een flexibele schil van huizen die neer kunnen worden gezet als er vraag naar is, en weer weg kunnen worden gehaald als die vraag opdroogt.

Maar om daar te komen, moeten ze in Den Haag nu de juiste beslissingen nemen, vindt Boelhouwer. “De tijd dringt. We moeten accepteren dat er de komende drie jaar een forse woningvraag op ons afkomt. En dat is meer dan genoeg reden om nu actie te ondernemen.”

Talitha Muusse vindt dat we goede voorouders voor de toekomstige generaties moeten zijn

“Welkom dames en heren”, opent Boudewijn van Uden, Directeur Corporate Communicatie van a.s.r., het seminar dat a.s.r. vermogensbeheer voor klanten en andere relaties organiseert. Hij kijkt rond en corrigeert zichzelf dan: “Er zijn hier wel heel weinig dames.” Hij heeft gelijk. De zaal bestaat voornamelijk uit strak-in-het-pak-gestoken witte mannen met grijs haar. De gemiddelde leeftijd ligt boven de vijftig. Talitha Muusse maakt er ook een opmerking over als zij aan het woord komt. “Mooi om hier te staan en gelijk 100 procent toe te voegen aan de diversiteit. Ik zie niet veel mensen onder de dertig, weinig mensen met een getinte huid en weinig vrouwen.” Daarmee is gelijk duidelijk dat ze niet bang is om te zeggen wat ze denkt. Rentmeesterschap Op het seminar dat a.s.r. vermogensbeheer jaarlijks organiseert voor institutionele relaties stond dit keer het thema duurzaamheid centraal. Daarbij draait het niet alleen om beleggingen in fossiele energie terugdringen, maar ook om verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. Dat laatste is een stokpaardje van a.s.r.-bestuursvoorzitter Jos Baeten, vertelt hij aan de zaal. “De kwaliteit van een rentmeester is dat hij ervoor zorgt dat wat hij beheert beter achterlaat dan hoe hij het aantrof”, vindt Baeten. "We moeten ons opstellen als rentmeester", vindt bestuursvoorzitter Jos Baeten.Het thema komt in de verhalen van de meeste sprekers wel op een of andere manier terug, maar Talitha Muusse zet het pas echt op scherp door de mensen in de zaal er door middel van een vraag haarfijn op te wijzen dat ze zich niet echt gedragen als goede voorouders. Het merendeel van de zaal denkt dat zij het beter hebben dan hun ouders, maar dat hun kinderen en kleinkinderen slechtere tijden te wachten staan. Wat betekent dat impliciet voor de mensen in de zaal? Zouden zij zich actiever in moeten zetten voor een betere toekomst van hun (klein)kinderen? “We moeten leren een goede voorouder te zijn”, stelt Muusse. Dan gaat het niet alleen over onze kleinkinderen, maar ook over de kinderen van onze kleinkinderen. “Hoe komt het dat we het zo moeilijk vinden om het belang van toekomstige generaties te respecteren?”, vraagt Muusse zich hardop af. Op die vraag komt geen antwoord, maar in een paneldiscussie gaat het wel over de vraag wat we nu al doen én zouden moeten doen.“Mooi om hier te staan en gelijk 100 procent toe te voegen aan de diversiteit", zegt Talitha Muusse aan het begin van haar speech.Het belang van versnelling “Ik denk dat wij als financiële instelling en vermogensbeheerder allang gedwongen worden die beweging te maken”, stelt Jack Julicher directeur van a.s.r. vermogensbeheer als het gaat om verantwoord beleggen. Hij herinnert zich de tijd rondom de kredietcrisis. Toen was het moreel besef binnen het financiële systeem vrijwel afwezig. Dat is nu anders, omdat klanten en medewerkers een gebrek daaraan niet pikken. Het bedrijfsleven is al in beweging, benadrukt hij. Ook a.s.r. zet stappen. De gebeurtenissen tijdens de kredietcrisis (waaronder de teloorgang van Fortis) en lessen van de woekerpolis waren redenen om te veranderen. Zo worden alle beleggingen van a.s.r. vermogensbeheer gescreend op hun impact op maatschappij, duurzaamheid en goed bestuur. Bedrijven die deze toets niet doorstaan, worden uitgesloten. Tegelijkertijd wil de verzekeraar het aantal beleggingen in bedrijven met een positieve bijdrage aan de maatschappij vergroten.Jack Julicher: “Ik denk dat wij als financiële instelling en vermogensbeheerder allang gedwongen worden die beweging te maken.”Voor Muusse gaat het niet snel genoeg. Wat haar betreft moeten we bijvoorbeeld per direct stoppen met financiering van fossiele bedrijven. “Iedere dag dat we daar inzitten, loopt de rekening voor de jongere generatie op.” Hoe snel zouden we gaan als we in de besluitvorming de belangen van toekomstige generaties meenemen en ons echt laten leiden door de wetenschap? Dat vraagt Muusse zich af. “Dat zou de snelheid moeten bepalen waarop wij ons aanpassen. Nu zie je het heel vaak andersom. Dus dat we de snelheid waarmee bedrijven, of de fossiele industrie, de transitie kunnen doormaken als basis nemen. Wat haalbaar is, in plaats van wat noodzakelijk is.”De toekomst van fossiele beleggingen In één keer compleet overstappen van fossiel naar groen is “verdraaid ingewikkeld”, stelt Julicher. “Je kan wel roepen: Ik ga uit producenten van fossiele grondstoffen, maar je hebt ook nog de exploitatie van die grondstoffen.” Daarnaast wijst hij op de discussies rondom het classificatiesysteem waar de Europese Unie aan werkt. Die taxonomie bepaalt wat geldt als groen en wat niet. “Wat kan bijdragen aan het klimaat? Die tak moet nog groter worden. Het gaat erom niet alleen die bruine tak kleiner te maken, maar vooral die groene tak moet groter worden. We kunnen niet vandaag op morgen gelijk overstappen: weg van de fossiele brandstoffen. We moeten van olie en gas naar waterstof, zon en wind. We moeten oplossingen vinden. Uit fossiel stappen moet verlopen volgens een transitiepad dat is gebaseerd op wetenschap of Europese benchmark-doelen, zodat die transitie ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.”Daarnaast helpt het volgens hem om aandelen in bezit te houden om invloed uit te oefenen en een pad uit te stippelen om (in lijn met de 1,5 graden doelen uit het Parijs-akkoord) de investeringen in fossiele energie te reduceren ten gunste van groene energie. Hij vertelt dat a.s.r. sinds een aantal jaren niet meer in Shell belegt vanwege mensenrechtenkwesties in Nigeria. Achteraf had de verzekeraar nog gesprekken met Shell, maar dat leidde niet tot beweging op het gebied van mensenrechten. “Wij hadden toen we uitgestapt waren geen invloed meer. Daar heb ik van geleerd dat het heel belangrijk is om op aandeelhoudersvergaderingen aanwezig te kunnen zijn om, samen met gelijkgestemde andere aandeelhouders, echt invloed te kunnen uitoefenen, want in ons systeem geldt toch nog steeds dat de stem van kapitaal telt.”Rick van der Ploeg vraagt zich af of bedrijven die blijven inzetten op fossiele brandstoffen een toekomst hebben.“Je kunt je ook vragen of dat soort bedrijven nog een toekomst hebben als ze niet veranderen”, reageert oud-staatssecretaris en hoogleraar Rick van der Ploeg. “Als ze niet veranderen, dan zijn ze over twintig jaar ten dode opgeschreven. Dat besef is er nog onvoldoende.” Gespreksleider Van Uden legt een ander dilemma op tafel: het waterbedeffect. Als Nederlandse beleggers uit fossiele bedrijven stappen, dan stappen andere beleggers er wel in. Los je dan het fundamentele probleem wel op? “Ik vind dat wel heel cynisch”, reageert Muusse. Daarnaast vraagt ze zich af of dat argument wel opgaat. “Als je vervolgens de keuze maakt om in duurzame bedrijven te gaan, dan vergroot je dat aandeel. Dus het is sowieso een relevante actie.” Daarnaast wijst ze erop dat het om leiderschap en verantwoordelijkheid gaat. “Dus het gaat weer over de vraag waar je je verantwoordelijk voor voelt.”De volgende generatie “aan tafel” Om verantwoorde beslissingen te nemen, is het cruciaal dat de toekomstige generatie aan tafel zit, vindt Muusse. En als het niet letterlijk is, dan figuurlijk middels een generatietoets. Dat betekent dat per beslissing het effect op toekomstige generaties wordt meegewogen. Van der Ploeg herinnert zich dat hij samen met andere Kamerleden in de jaren negentig voorstander was van generational accounting. Het Centraal Planbureau ging ermee aan de slag, maar gaandeweg sneuvelden de plannen. Vermoedelijk omdat er allerlei onaantrekkelijke uitkomsten uit de berekeningen kwamen. Voorstellen voor beslissingen die niemand wilde nemen. Kortom, het ontbrak aan verantwoordelijkheidsgevoel. Nu starten de Jonge Klimaatbeweging en mensen als Muusse de discussie rondom een generatietoets weer op. Wellicht dat de tijd er nu wel rijp voor is?