Willemijn van Benthem 15 september 2021, 12:11

Dubbelinterview: Praktische routekaart voor het oplossen van de blinde CO2-vlek

Elk materiaal heeft een CO2-voetafdruk, veel materialen zijn verantwoordelijk voor CO2-uitstoot en biobased materialen zoals hout leggen juist CO2 vast. Om de bouw te verduurzamen, werkt de Green Building Council daarom internationaal aan regelgeving en beleid om de materiaalgebonden CO2-voetafdruk te verminderen. Vanuit Nederland is Janneke Leenaars van Interface ambassadeur van dit project. “De CO2-voetafdruk van materialen en producten waarmee gebouwd en ingericht wordt is te lang een blinde vlek geweest.”

Wereldwijd wordt er naar verwachting nog veel gebouwd tot 2050

In de bouw is er sprake van twee soorten CO2-uitstoot: de CO2 gerelateerd aan materialen en processen in de gehele keten én de CO2-uitstoot veroorzaakt door het operationele energiegebruik van gebouwen – bijvoorbeeld voor verwarming en verlichting. Bij de Dutch Green Building Council (DGBC) werkt projectmanager Laetitia Nossek samen met partners in de bouwketen aan een routekaart om de sector CO2 neutraal te krijgen. “In Nederland is voor het operationele gedeelte redelijk duidelijk wat er moet gebeuren, dus we richten ons meer op de materiaalgebonden CO2, ofwel embodied carbon, in ons jargon.” Haar idee: als de gebouwde omgeving onderdeel wil zijn van de oplossing en wil bijdragen aan het Parijs Akkoord, dan moet er ook serieus gekeken worden naar materiaalgebruik.

Door de samenwerking met de World Green Building Council en Europese zusterorganisaties, wil DGBC vastleggen waar de grootste hobbels op de weg liggen, en wat eraan kan worden gedaan. Janneke Leenaars is vanuit haar rol als Sustainability Manager Noord-Europa bij Interface aangesloten als building life ambassadeur: “De CO2-voetafdruk van materialen en producten waarmee gebouwd en ingericht wordt is te lang een blinde vlek geweest. Het is van groot belang hier aandacht voor te vragen.”

Materiaalgebonden CO2 als hoofdrolspeler

Leenaars is door haar kennis en enthousiasme gevraagd als ambassadeur. “Omdat Interface al zo lang bezig is met het steeds verder verlagen van de CO2-voetafdruk van onze producten om daarmee de CO2-voetafdruk van de ruimtes van onze klanten te verminderen, viel het me op dat hier in Nederland nog weinig aandacht was voor embodied carbon. Leenaars noemt een voorbeeld uit het bredere bouwveld: “Er is altijd veel aandacht uitgegaan naar isolatie van panden, maar eigenlijk is inmiddels bekend dat de productie van sommige isolatiematerialen zoveel CO2-uitstoot hebben veroorzaakt, dat je dat niet makkelijk terugverdient met je operationele CO2-besparing. Juist natuurlijke materialen zoals vlas en hennep zijn hiervoor een goede vervanging. Deze leggen CO2 vast.” Leenaars vindt dat áls het dan de ‘decade to act’ is waar de gebouwde omgeving wezenlijk onderdeel van wil en moet zijn, dat materiaalgebonden CO2 de hoofdrolspeler is.

De impact van CO2

Embodied Carbon is zeker de hoofdrolspeler, zegt Nossek, die vanuit haar studie Future Planet Studies al jaren gemotiveerd is om in actie te komen voor de Klimaatdoelstellingen van 2050. “De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor 39 procent van de gehele CO2-uitstoot, operationeel energieverbruik zorgt voor 28 procent van de gehele uitstoot en embodied carbon voor 11 procent. Als je echt Paris proof wilt zijn, moet je dus ook de materialen in de bouwkolom meenemen. Interface, maar ook Arcadis, Colliers en The Edge zijn koplopers op dit gebied”, zegt Nossek. “Het heeft met een andere manier van denken te maken. Het betekent anders bouwen, anders nadenken over het proces en anders kijken naar de gehele keten om zo te bepalen hoe je per stakeholder de uitstoot naar beneden kunt brengen.”

Zeker als je bedenkt dat in de komende decennia nog veel bouwprojecten in de steigers staan. Leenaars: “Wereldwijd wordt er naar verwachting nog veel gebouwd tot 2050. De Stichting Architecture 2030 berekende dat de materiaal gebonden CO2-impact van die nieuwe gebouwen dan ook nagenoeg even groot zal zijn als de operationele CO2-emissies. In de komende tien jaar, als we het tij moeten zien te keren, schatten ze de materiaal gebonden CO2-impact van de wereldwijde nieuwbouw zelfs op 74 procent.” Vandaar haar gedrevenheid om nu te handelen, erover te vertellen en te laten zien wat de impact is. “En welk scala aan mogelijkheden er zijn om mee te werken.” Want er zijn oplossingen.

Behoud en onderhoud

Zo is hout van duurzame bosbouw een veelbelovend materiaal om de CO2-impact te verminderen in de gebouwde omgeving. Dit omdat CO2 in het hout ligt opgeslagen. Een andere manier is urban mining: hergebruik van bestaande bouwmaterialen. Nossek noemt nog een passend voorbeeld dat te simpel lijkt om waar te zijn: “Als een gebouw een goed fundament en een goede constructie heeft, is het qua CO2 veel beter om te renoveren, in plaats van het gebouw plat te gooien en er een energie-efficiënt gebouw voor in de plaats te zetten. Dat zijn werkwijzen waar kennelijk het bewustzijn nooit zo groot over is geweest.”

Leenaars vult Nossek aan: “Een belangrijk aspect is levensduurverlenging: dat je de juiste manieren van onderhoud inzet. Interface heeft bijvoorbeeld een zogeheten “schoonloopmat”, die je gebruikt bij de ingang van panden. Die mat moet lang genoeg zijn en houdt veel vuil en zand tegen waardoor de rest van de vloeren minder beschadigd worden en je dus zorgt voor levensduurverlenging. Goed onderhoud is eveneens cruciaal.” Het valt Leenaars op dat er in discussies over circulariteit vaak wordt gegrepen naar grote interventies of discussies over spannende businessmodellen. “Terwijl er juist zoveel profijt valt te halen uit snel over het oog geziene, zogenaamd simpele oplossingen zoals behoud en onderhoud.”

Laetitia Nossek van Janneke Leenaars (rechts) zijn beide betrokken om aandacht te vragen voor de CO2-voetafdruk van bouwmaterialen

Meten is weten

Volgens Nossek is het dan ook van belang dat er op een andere manier wordt nagedacht, zowel door uitvoerende partijen als door opdrachtgevers. Leenaars: “Ik wil mijn kinderen later kunnen vertellen dat ik geprobeerd heb onderdeel te zijn van de oplossing.” Bij Interface is Leenaars dan ook goed op haar plek. “Het is altijd onze strategie geweest om minder grondstoffen te gebruiken en het percentage gerecyclede en biobased materiaal te verhogen.”

De inmiddels overleden oprichter Ray Anderson van Interface zei in 1994 al: “We have a choice to make during our brief visit to this beautiful blue and green living planet: to hurt it or to help it.” Leenaars werkt net als haar collega’s hard aan de laatste optie die hij noemt. En met succes. “De CO2-impact van de tapijttegels van Interface is 76 procent lager dan in 1996, en alle producten zijn sinds 2018 CO2-neutraal over de gehele levenscyclus.” Als kers op te taart, lanceerde Interface dit jaar haar eerste CO2-negatieve tapijttegels. Daarnaast heeft Interface voor haar Europese tapijttegel-productie in september volledig afscheid genomen van bitumen, materiaal gemaakt van fossiele grondstoffen. Deze is vervangen door de nieuwe tapijt-rug gemaakt van biobased en gerecycled materiaal, en dat is nu standaard. Daarmee laten we zien dat het kan!”

Volgens Leenaars is een wezenlijk onderdeel van het succes: meten. “Wat is de CO2-impact van grondstoffen en welke gerecyclede en biobased materialen kunnen we daarvoor in de plaats gebruiken? Dat onderzoek heeft ons veel geleerd.” Nossek gebruikt meten ook voor het BuildingLife-programma waar beiden aan werken. “Er wordt nu gemeten waar over de hele levenscyclus van een gebouw de grootste impact zit. Dat gaat over de verschillende fases van de bouw, maar ook over de verschillende lagen van een gebouw. Daarmee krijg je inzicht in waar je de grootste klappers kan maken, waar je het hardst moet werken en waar de innovatiekansen liggen.”

Het ‘tipping point’

Intussen wordt hard gewerkt aan de routekaart voor het CO2-neutraal maken van de bouwsector. De bedoeling is om in november een eerste versie te publiceren en te zorgen dat alle partijen de doelstellingen ook echt willen behalen. Nossek: “We willen vastleggen wat het maximum is dat je aan materiaal gebonden CO2, evenals operationele CO2, kunt uitstoten in de gebouwde omgeving. Wat is dan je target en wat zijn je doelstellingen? Dat moet zich dan gaan vertalen naar verschillende spelers in de keten.” En het opstellen van de routekaart heeft nu al een positief effect, merkt ze, ook al zitten ze nog in de onderzoeksfase. “Enerzijds worden de doelen steeds concreter en anderzijds sluiten steeds meer bedrijven zich aan.”

Nossek is gemotiveerd omdat er met veel verschillende partijen wordt samengewerkt en er zoveel verschillende perspectieven worden gehoord en gezien. “Als je alle betrokken bedrijven overziet, heb je nu al een kritische massa die hier belang aan hecht. Als je dan ook nog wat kunt doen met transparante data, het samen opstellen van doelstellingen en het hanteren van een eerlijke normering, dan gaan we daadwerkelijk wat in gang zetten.”

Het doel op de korte termijn is er ook. Leenaars: “Het klimaatrapport van het IPCC begin augustus was heel indringend. In november is de COP26 waarin alle wereldleiders weer bij elkaar komen om hun plannen om het Parijs Akkoord te realiseren te bespreken. Ik hoop dat er ferme afspraken worden gemaakt met actie op de oplossingen die er al zijn. Sla het inspirerende wetenschappelijk onderbouwde boek Project Drawdown maar eens open.”

Lees hier meer over de duurzame stappen (en het inlossen van de belofte) van Interface

Annemarie van Doorn van Dutch Green Building Council

Directeur Annemarie van Doorn van DGBC: “De bouw en vastgoedsector is ingewikkeld, maar ik ben heel positief. Al veertien jaar ben ik hiermee bezig, en ik zie nu wezenlijke veranderingen plaatsvinden. Er is meer kennis dan ooit, en er zijn in de markt veel partijen die kennis willen delen. Als we ons nu echt realiseren dat we nog 6,5 jaar de tijd hebben en dat vaak zichtbaar maken op alle mogelijkheden manieren, dan gaat het ons lukken. Maar we moeten het monitoren. Wat als leidraad kan helpen voor zowel nieuwbouw als de bestaande omgeving, is de objectieve BREEAM methode, waarmee bouwprojecten kunnen worden beoordeeld op integrale duurzaamheid. Dat geeft handvatten, en die kennis is openbaar en kan dan gedeeld worden met alle partijen. Het is vaak zo dat mensen niet op de hoogte zijn van de ontwikkelingen, en dat met name particulieren, het geld niet hebben om die bij te benen. Dat moet de overheid ondersteunen, zij moeten handelingsperspectief bieden zodat iedereen, stap voor stap, de route kan bewandelen naar een CO2-neutrale bouwsector. Ik zie daarvoor nog veel kansen voor ons, zoals samenwerkingen met organisaties zoals Vereniging Eigen Huis. Er zijn zoveel partijen die hiermee te maken hebben, we zouden de handen ineen moeten slaan. Het zou mooi zijn als dat ook gaat lukken. Dan zijn we in de toekomst als organisatie wellicht niet eens meer nodig. Dat zou toch mooi zijn?”

Edith Schippers: “Zonder innovatie ben je nergens”

DSM kondigde vandaag een versnelling van de strategie aan. Jullie willen je honderd procent inzetten voor People, Planet en Profit, door jullie volledig op voeding en gezondheid te richten? “Nou ja, deze strategische agenda hebben we al een tijdje. Alleen zetten wij die nu door. Wij zijn al voor 85 procent een voedselbedrijf. Voor sommigen is het nieuws, maar voor ons is het een logische stap. Het echte nieuws is dat we ons nu verbinden aan meetbare en controleerbare commitments die we extern laten toetsen. En waar we in ons jaarverslag ook daadwerkelijk verantwoording over afleggen. We moeten niet blijven hangen in allerlei vergezichten, maar boter bij de vis doen.” Lees hier het nieuwsartikel over de strategische heroriëntatie van de DSM Jullie gaan over tot actie. Er spreekt een gedrevenheid uit om een stap te zetten in het veranderen van de wereld. CEO Dimitri de Vreeze van DSM was duidelijk persoonlijk gemotiveerd, hij riep persoonlijk op nu impact te maken.“Als je succesvol wilt zijn met de grote uitdagingen die spelen ten aanzien van de klimaatveranderingen, de emissies en ons voedselsysteem, dan kun je je niet focussen op materialen èn voeding. Je moet zorgen dat je je richt op datgene waar je het krachtigste bent en waarmee je het grootste verschil kunt maken. En voor ons is dat in gezondheid, voeding en bioscience.” DSM heeft altijd gezegd dat de drie P’s - People Planet & Profit - jullie leidraad zijn. Nu gaan de commitments over People Planet & Livilihood? “Wij zeggen: doing well, by doing good. Wij zijn een bedrijf gespecialiseerd in voeding en gezondheid en dat kun je dus inzetten ten goede van de wereld, terwijl je gelijktijdig een financieel succesvol bedrijf bent. Dat staat buiten kijf. Maar als je daadwerkelijk het voedselsysteem wilt veranderen in de wereld, zul je van boeren helden moeten maken. Bijna de helft van de 1 miljard boeren wereldwijd leeft in extreme armoede. Als we dat niet oplossen, kunnen we die switch op het wereldvoedselsysteem niet maken. Daarom is dat zo belangrijk voor ons in onze commitments.” Gaan jullie de profit ook anders inzetten, bijvoorbeeld om boeren te helpen? “We zijn al partner van boeren in ons programma Africa Improved Food, in Oost-Afrika, zoals Rwanda, Soedan, Ethiopië. We werken met de boeren om hun inkomens duurzaam te verhogen en willen daar in 2030 een grote stap in hebben gemaakt. Dus we zetten met onze commitments in op de Sustainable Development Goals 2, 3 en 12 omdat we daar het meeste in kunnen doen. En tegelijkertijd willen we een financieel succesvol bedrijf zijn. Anders kunnen we het nooit volhouden.” En hoe doen jullie dat? “Wij moeten blijven groeien op de onderdelen waar we sterk zijn: organisch, door overnames en door innovatie. Zonder innovatie ben je nergens. Maar je moet wel geld verdienen om daarin te kunnen investeren.” Gaan jullie de verkoop van jullie materialentak daarvoor inzetten? “We moeten ons echt focussen op gezondheid, voeding en bioscience. Als we dat niet doen, kunnen wij nooit maximaal succesvol zijn. Aan de andere kant hebben wij een ongelooflijk goed presterende materialentak, ook heel innovatief en inzettend op duurzaamheidsaspecten. Als er een eigenaar is die daar het beste van kan maken, dan is die materialentak daar beter af dan bij een duaal bedrijf met voedsel, waar de synergie natuurlijk zeer beperkt is. En wij kunnen weer succesvoller zijn als wij bedrijven overnemen die meer synergie met ons hebben.” Wat zeg je op een borrel als iemand je vraagt wat het nieuwe DSM kenmerkt? “Ik zou nog steeds ons motto noemen: brighter science, brighter living. Het zegt wat wij doen. Wij zijn een science based bedrijf. Innovatie moet ervoor zorgen dat we emissies kunnen verlagen en van onze producten de voedingswaardes kunnen verhogen. Iedereen heeft het IPCC-rapport op de virtuele deurmat gehad, dus iedereen weet wat er moet gebeuren. En wij zijn daar maximaal voor geëquipeerd.” Op de persconferentie werd goed duidelijk gemaakt dat het tijd is. Heb je goede hoop voor de toekomst? “Ja, er moet wat gebeuren. Die urgentie voelen we al een hele tijd bij DSM en daar handelen we ook naar. We committeren ons maatschappelijk aan het tegengaan van de klimaatverandering en werken aan de gevolgen die mensen iedere dag merken, omdat er ofwel helemaal geen voedsel is of omdat mensen onvoldoende gezonde voedingsstoffen binnenkrijgen. Die laatste groep is groot: een derde van de wereldbevolking.” DSM is partner van de Food Boost Challenge, een initiatief waarbij verschillende partners betrokken zijn vanuit het bedrijfsleven, onderwijs en maatschappelijke organisaties om een gezonde levensstijl aantrekkelijker te maken voor jongeren. Vandaag lanceren jullie de Challenge in Limburg? “Ook in onze eigen thuisbasis willen we het verschil maken. Want ook hier zien we dat mensen niet de juiste voeding krijgen. Er is een kloof ontstaan tussen mensen die heel goed worden gevoed en veel langer en in goede gezondheid leven, en mensen die geen kennis of toegang hebben tot betaalbaar en gezond voedsel.” De relatief kleine schaal van een lokaal initiatief contrasteert met het wereldnieuws dat jullie brachten als beursgenoteerd bedrijf? “Verbeter de wereld, begin bij jezelf. Food Boost Challenge is een nationaal programma dat internationale ambities heeft. Het is een programma van een coalitie: Foodvalley, Medical Delta Living Lab en HortiHeroes. Wij zijn daar vanaf het begin al partner van, want we geloven dat we verschil kunnen maken door samen te werken. En hier in deze streek hebben we een goed netwerk, kunnen we partijen bij elkaar brengen, en zit er veel expertise. Overigens zijn het vooral de jongeren die deze challenge gaan doen: zij voeren onderzoek uit en helpen elkaar. We vragen hen ook ideeën, opdat jongeren uiteindelijk wel gaan kiezen voor gezond voedsel en kijken vervolgens met alle partijen of die ideeën kunnen worden uitgevoerd. Wat we van dit programma leren, wordt weer gebruikt in de volgende Food Boost Challenge.” En de boeren in eigen land, gaat DSM die ook lokaal helpen? “Als je wilt dat het inkomen en de omstandigheden van boeren verbetert, moet je ook bij je eigen omgeving beginnen. Dat is waarom ik eerder in Trouw het stuk heb geschreven met daarin de oproep: ‘We moeten zorgen dat het verdienmodel van onze boeren anders en beter wordt. Als we willen dat ze duurzamer gaan produceren, dan moet je duurzaamheid goed belonen. Alleen dan kan de boer zijn investeringen terugverdienen en een financieel gezond bedrijf doorgeven aan zijn kinderen.’” Hoe gaan we dat doen? “Dat is helemaal niet zo moeilijk, want het huidige verdienmodel is nog van net na de Tweede Wereldoorlog: produceer veel en veilig voedsel voor de wereldmarkt. Maar je kunt ook zeggen, produceer duurzaam. We kunnen alles zo goed meten, per boerderij kun je laten zien wat de uitstoot is. Dus maak een verdienmodel waar een boer meer krijgt als het bedrijf de uitstoot verlaagt. En betaal dan ook niet dun. Je moet ze goed betalen voor de dingen die ze doen.” Dus daar heeft de overheid dus een rol? “Ja, daar hebben we allemaal een rol, ook DSM, en de supermarkten. Wij zullen zeker die maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen als de overheid met bredere plannen komt. Maar wat wij nu in dit project Food Boost Challenge zo belangrijk vinden: we doen het met, voor en door jongeren in Nederland. We hebben nog weleens de neiging om prachtige plannen te maken om de leefstijl van jongeren te veranderen, zonder aan die jongeren te vragen, maar waarom kies jij dat? Wat denk jij dat gezond is? Studenten gaan onderzoek doen onder hun peers en het gesprek aan om te zien: wat zijn nou de achterliggende prikkels op het keuzegedrag van de jongeren? Dan gaat de universiteit analyseren om vervolgens met de partners oplossingen te bedenken. Het is een drietrapsraket.” Jullie hebben ambitieuze doelstellingen, een groot commitment en zijn een internationaal bedrijf. Hoe gaat DSM al die mensen bereiken? “We kijken altijd hoe we zowel mondiaal als lokaal kunnen bijdragen aan een betere wereld. Dat hebben we ook altijd gedaan, ook toen we nog een chemiebedrijf waren. We vinden dat we altijd die sociaalmaatschappelijke verantwoordelijkheid moeten pakken. Daarnaast zijn we al heel lang bezig met oplossingen, zoals voor emissiereductie en tegen het leegvissen van onze oceanen. Je moet als bedrijf vooruitkijken: hoe blijf je relevant en hoe zorg je dat die dingen die je zelf relevant vindt, ook relevant zijn voor de samenleving?” Zeg het maar! “Wij investeren een behoorlijk deel van onze winst weer in innovatie: het streven is om 20 procent van onze omzet uit die innovatieve science based-oplossingen te halen. Dat hanteren we al jaren als bedrijf en dat maakt dat wij steeds oplossingen zoeken voor de knellende problemen die wij vandaag en morgen zien.” Wat is jouw persoonlijke drive om je elke dag in te zetten voor gezondheid, nu bij DSM? “Mijn hele werkzame leven houd ik mij al bezig met gezondheid, dus ik zit niet toevallig bij de DSM. Hier zetten we gezondheid van mens, dier en planeet centraal. Het een kan niet zonder het ander. Je kan niet zeggen, we doen goed voor de mens, terwijl je ondertussen grote delen van het oerwoud omhakt. Ik geloof dat we alleen kunnen voortbestaan als we een duurzame samenleving hebben. En daarbij moet je iedereen meenemen, ook de armsten op deze wereld, ver weg en dichtbij.” En gaan we het redden? “Natuurlijk gaan we het redden, maar daar moet wel iets voor gebeuren, het gaat niet vanzelf. Maar ik heb er alle vertrouwen, ook als je kijkt naar wat we samen kunnen en welke wetenschappelijke vooruitgang we boeken.”