Romy de Weert 18 februari 2021, 14:23

Aardgasvrij maken van woningen gaat te langzaam: ‘de overheid is aan zet’

Het aardgasvrij maken van woningen gaat gepaard met veel ‘structurele knelpunten’, blijkt uit een rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Zonder ingrijpen van de overheid wordt het klimaatdoel – het realiseren van 7 miljoen aardgasvrije woningen in 2050 – niet gehaald.

4022749406 7245f149f6 o Nicolas De Camaret via Flickr

De overheid moet ingrijpen om woning van het gas af te halen, is het advies van de onderzoekers van het PBL rapport ‘warmtetransitie in de praktijk’. Volgens het planbureau staan structurele knelpunten de energietransitie in de weg. Om woningen van het gas te halen worden nu vooral gedetailleerde maatwerkoplossingen gebruikt, maar dit gaat volgens de onderzoekers niet snel genoeg: “Er is een aanpak nodig op brede schaal", schrijven zij in het rapport. 

Het aardgasvrij maken van woningen is al langer een agendapunt van gemeentes en een doelstelling uit het Klimaatakkoord. De gebouwde omgeving moet in 2050 15,3 megaton CO2 besparen. Dat zijn zo’n 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen die verduurzaamd moeten worden. Het tussendoel in 2030 is een vermindering van 3,4 megaton CO2 in deze sector. Om dit te behalen moeten 1,5 miljoen bestaande woningen en andere gebouwen van het gas af.

Wijkgerichte aanpak faalt

Er lijkt niet veel vooruitgang te zijn in het verduurzamen van woningen, en volgens het PBL komt dat voornamelijk doordat er téveel maatwerk wordt geleverd. In eerste instantie stond namelijk een wijkgerichte, lokale aanpak centraal in het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). Het PAW heeft als doel om te leren op welke wijze de wijkgerichte aanpak kan worden ingericht en opgeschaald. Het onderzoek van het PBL laat zien dat de wijkgerichte aanpak in sommige gevallen kan werken, maar dat er vooral een aanpak nodig is voor op grotere schaal waarbij het Rijk betrokken is.

Lees meer: Lokaal, collectief en duurzaam van het gas af; hoe doe je dat?

Want zonder betrokkenheid van het Rijk, en zonder bredere aanpak zien de onderzoekers het behalen van de klimaatdoelen somber in. Sinds 2018 werken gemeentes met 27 ‘proeftuinen’ om bepaalde wijken aardgasvrij te maken. Op dit moment zijn slechts 4 wijken aardgasvrij. Eerder deze maand bleek dat het verduurzamen van woningen te langzaam gaat en ook in oktober afgelopen jaar liep het Overwhere-Zuidproject, een wijk in Purmerend, veel vertraging op.

Felle kritiek PAW

Het 'PAW' moest eerder al felle kritiek incasseren van de Algemene Rekenkamer. Sinds 2018 zouden er al 2.000 woningen moeten zijn omgebouwd, maar hier is nog weinig van terecht gekomen. Destijds werd een bedrag van 126 miljoen beschikbaar gesteld voor 27 gekozen wijken, maar ontbrak het aan concrete berekeningen die de uitgaven rechtvaardigden. Een andere toetsing van de Rebel en KWINK groep bevestigen het beeld dat de Rekenkamer schetst.

Dat er iets moet veranderen in de aanpak van het verduurzamen van woningen staat buiten kijf. Om de knelpunten op te lossen is de overheid nu aan zet, staat in het rapport. "En dat betreft een bredere betrokkenheid dan alleen het PAW", schrijven de onderzoekers. Structurele problemen op hoger niveau vertragen de processen. Ook kan als beschermend bedoelde wetgeving beperkend zijn voor in de transitie, bijvoorbeeld op het vlak van Europese aanbestedingsregels. 

Daarnaast worstelen gemeentes vaak met het vergaren van de benodigde kennis, kunde en tijd. Ook is er volgens het PBL te weinig draagvlak voor het realiseren van een aardgasvrije woonomgeving. "Een verhaal over het nut en de noodzaak is er nu niet", schrijven de onderzoekers. En om meer draagvlak te creëren, zou dat er wel moeten zijn. 

Lees meer: EU goed op weg naar klimaatdoelen, Nederland moet meer energie besparen

Een duurzame infrasector: “We staan eigenlijk nog aan het begin van een hele grote transitie”

“De bouwsector is verantwoordelijk voor een stevig deel van de CO2-uistoot in Nederland en ook wereldwijd. Dat alleen al is een belangrijke reden voor de bouwsector om te gaan verduurzamen”, vertelt Esther Heijink. Zij draait als senior adviseur duurzame infrastructuur bij Arcadis al jaren mee in de sector. Zij vergelijkt deze met een olietanker die je in beweging moet krijgen. “Misschien kan het niet sneller dan tien jaar, omdat het van nature een logge sector is.” Gerwin Schweitzer, senior adviseur klimaatneutraal en circulair inkopen bij Rijkswaterstaat, beaamt dat verandering in een complexe sector als de bouw- en infrasector tijd kost. Zo kan het wel tien jaar duren voordat een idee tot productie leidt. Maar, zegt hij: “Wil je in 2030 klimaatneutraal zijn dan moet dat sneller.”De CO2-uitstoot van bouw en infrastructuurGebouwen en de bouw zijn jaarlijks verantwoordelijk voor de uitstoot van 3,4 megaton broeikasgassen. Zo is de bouw- en infrasector grootverbruiker van producten met een grote impact op het milieu, zoals cement, staal en asfalt. Ook stoten de machines waarmee de bouwers werken broeikasgassen uit en voeren ze veel afval af vanaf de bouwplaats. “Een op de vijf auto's die op de weg rijdt, heeft iets met de bouw te maken”, weet Gijs Termeer. Hij is directeur van de Stichting Klimaatvriendelijk Aanbesteden en Ondernemen (SKAO), de organisatie achter de CO2-Prestatieladder. Dat is inmiddels het meest-gebruikte duurzaamheidsinstrument door opdrachtgevers in de infrasector.De rol van de overheidTermeer benadrukt dat de Nederlandse overheid een belangrijke rol speelt bij verduurzaming in de sector, omdat 95 tot 100 procent van alle infrastructuur in opdracht van de overheid wordt gebouwd. Het gaat om partijen als Rijkswaterstaat, provincies, gemeentes en waterschappen. Schweitzer, van Rijkswaterstaat, is zich bewust van de kans om als overheid via het inkoopbeleid de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire toekomst in gang te zetten. “We zien de uitgaven die we doen aan infra als een kans om duurzaamheid nadrukkelijk mee te nemen.”De overheidspartijen gaan ook zelf aan de slag, zegt beleidsadviseur Henkjan van Meer van de Unie van Waterschappen. Zo gebruiken sommige waterschappen de CO2-prestatieladder om hun eigen CO2-uitstoot te meten en terug te dringen. Ook benaderen ze duurzaamheid vaker op een integrale wijze met de Aanpak Duurzaam GWW als werkwijze. Binnen het hoogwaterbeschermingsprogramma ziet men bijvoorbeeld kansen om met oog voor biodiversiteit te bouwen. “Hiermee gaan zij de volgende jaren aan de gang.”Lees ook: Waterschap wordt energieleverancier met 17.000 zonnepanelenHoe duurzaamheid op de agenda kwamInmiddels staat duurzaamheid bij de overheid stevig op de agenda, maar dat was niet altijd zo. “Toen ik begon was het aanbesteden op prijs heel normaal”, herinnert Van Meer zich. Hij startte zijn carrière bij de waterschappen in 1997. Tien jaar later was duurzaam inkopen een feit. Zo presenteerde minister Jacqueline Cramer, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in 2009 al versie 2.0 van het rapport Duurzaam inkopen.In de beginfase van het duurzaam inkopen bepaalde de overheid inkoopcriteria waaraan producten moesten voldoen. Dat bleek geen succes. “Die criteria waren eigenlijk al verouderd op het moment dat ze gepubliceerd werden”, zegt Termeer. In plaats van criteria op te leggen aan de markt bleek het beter om samen te werken mét de markt. En marktpartijen zelf de beste innovaties te laten bedenken.De ondertekening van de Green Deal Duurzaam GWW in 2013 ( en de daarop volgende Green Deal 2.0) door opdrachtgevers, opdrachtnemers, kennisinstellingen, toeleveranciers en adviesbureaus vormde een belangrijke stap in die samenwerking. “Daarin hebben we met elkaar afgesproken om met een gezamenlijk instrumentarium te werken”, legt Schweitzer uit. Op die manier weten marktpartijen wat ze van de overheid kunnen verwachten. “Ik denk dat dit de grote winst is geweest van de afgelopen tien jaar: dat we hiermee een basis hebben gelegd waar we nu echt mee kunnen doorpakken.”Op dit vlak kunnen andere landen wat leren van Nederland. “In Nederland zijn we kritisch op inkoopbeleid, maar in heel veel landen is dat niet eens een beleidsissue”, zegt Termeer. En dat terwijl we op Europees 1,8 triljoen euro uitgegeven aan inkoop. Dat is circa 14 procent van het Bruto Binnenlands Product van Europa. Een groot deel daarvan wordt besteed aan infrastructuur. Termeer is ook trots op 'het platte poldermodel' van Nederland waarbij opdrachtgevers en opdrachtnemers samenwerken.Ruimte voor verbeteringOndanks dat de Nederlandse infrasector internationaal vooroploopt is er ook voor ons nog veel ruimte voor verbetering. “We staan eigenlijk nog aan het begin van een hele grote transitie”, aldus Heijink. Ze weet wel een paar mooie successen te noemen zoals de ontwikkeling van een circulair viaduct, elektrische vrachtauto’s en 3d-printing, maar de grote slagen moeten nog komen. Er is meer nodig dan technologische en materiaal-technische optimalisatie. Beleid en de uitvoering daarvan spelen daarin een belangrijke rol.'Het gaat ons echt helpen als de diverse overheden steeds meer op duurzaamheid gaan uitvragen'Ondanks dat duurzaam inkopen al tien jaar op de overheidsagenda staat, wordt het nog niet altijd toegepast. Zo wijst Jil Ligterink van bouwbedrijf Dura Vermeer op cijfers van de Stichting Aanbestedingsinstituut Bouw & Infra. Deze rekende vorig jaar uit dat in 37 procent van alle aanbestedingen een duurzaamheidsaspect zat. “Dus bij 63 procent van de aanbestedingen was het nog helemaal niet aan de orde”, benadrukt Ligterink. Zonde, vindt hij. “Het gaat ons echt helpen als de diverse overheden steeds meer op duurzaamheid gaan uitvragen, want dan kunnen wij er ook beter op inspelen.”Tegelijkertijd ziet Ligterink ook een rol voor zijn eigen bedrijf weggelegd bij het stimuleren van de onderaannemers en leveranciers, zodat ook zij met duurzamere producten komen. Net als de andere geïnterviewden vindt hij duurzaamheid belangrijk. "Wij meten in al onze projecten de CO2-reductie. En we hebben een doelstelling om dit jaar 9 procent CO2 te reduceren ten opzichte van 2017. Dat gaan we ook halen. Voor volgend jaar is het de bedoeling om dat voor 15 procent te doen.” Over tien jaar wil Dura Vermeer helemaal geen CO2 meer uitstoten. Dat sluit aan bij de missie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: klimaatneutraal zijn in 2030. Om het doel van het ministerie te bereiken, moet er nog heel veel gebeuren, maar Schweitzer is hoopvol. “In de praktijk kan er meer dan je denkt en gaat het ook sneller dan we denken.” Om die reden is hij dit jaar ook positiever over de haalbaarheid van die ambitie dan een jaar geleden.Lessen uit het verleden als versnellingsmotorEr zijn ook een aantal lessen te trekken uit het verleden. “Duurzaamheid is ook gewoon doen en dat is wel iets waar we nu mee aan de slag moeten”, zegt Ligterink bijvoorbeeld. Heijink sluit zich bij die visie aan. We moeten volgens haar vooral niet te bang zijn om fouten te maken. “Wil je leren, ontwikkelen en vernieuwen dan ga je fouten maken”, benadrukt zij. Het is cruciaal dat die ruimte ontstaat.Volgens Heijink werkt de sector erg risico-gestuurd. Dat is verklaarbaar vanuit de grote maatschappelijke belangen die op het spel staan zoals de verkeersveiligheid van wegen en viaducten. Ook de bouwfraude in het verleden speelde daarbij een rol. "We hebben een soort claimcultuur gecreëerd.” Dat moet volgens Heijink echt anders als de sector wil innoveren. "In vertrouwen met elkaar samenwerken is essentieel als je wilt verduurzamen."Lees ook dit interview met Gert Kroon, directeur Arcadis: ‘Je kunt duurzaamheid niet blíjven aanjagen’.