Meten is weten. Vanuit die gedachte begon de internationale non-profitorganisatie World Benchmarking Alliance (WBA) in 2018 met het opstellen van vergelijkende ranglijsten voor een groep van tweeduizend grotendeels beursgenoteerde bedrijven met publieke jaarverslagen. Die ondernemingen zijn actief over de hele wereld en samen goed voor 55 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen.
‘Benchmarken is belangrijk, maar daarmee alleen red je het niet’, vertelt algemeen directeur Gerbrand Haverkamp vanuit Amsterdam, waar WBA is gevestigd. ‘Op ranglijsten kijken bedrijven als Coca-Cola en Pepsi, FrieslandCampina en Arla, hoe ze het doen ten opzichte van hun directe concurrenten. Maar er zijn doorgaans meer prikkels nodig voor bedrijven om grote stappen te zetten met duurzame verandering.’
WBA vergelijkt hoe grote ondernemingen scoren op verschillende aspecten van de Sustainable Development Goals van de VN. Daarbij spelen naast klimaat onder meer sociale gelijkheid en digitale inclusie een rol.
Voordat je in 2018 bij de oprichting van WBA betrokken was, had je al een ‘Index Initiative’ ontwikkeld om bedrijven te vergelijken. Hoe kwam je daarop?
‘Eerder in mijn carrière werkte ik als beleidsmedewerker bij Nederlandse ministeries. Daar zag ik heel duidelijk dat er een verschil is tussen het feitelijke beleid en de manier waarop dat wordt verkocht. Neem bijvoorbeeld het isoleren van sociale huurwoningen. Afhankelijk van de politieke kleur van partijen werd hetzelfde beleid verkocht als een manier om sociale huren betaalbaar te houden, een maatregel die goed is voor het klimaat of een investering in vastgoedwaarde.
Ik leerde dat het belangrijk is om scherp te meten wat bedrijven echt doen, dus daar wilde ik mee verder. Dat is ook het startpunt geworden voor de World Benchmarking Alliance.
Het verschil tussen zeggen en doen blijft belangrijk. Momenteel zie je bijvoorbeeld een verandering in het narratief van grote bedrijven, die minder nadruk leggen op ‘duurzaamheid’ en meer op ‘weerbaarheid’. Door de geopolitieke ontwikkelingen is die omslag vrij snel gegaan. Tegelijkertijd kun je aan de hand van benchmarks zien dat de feitelijke veranderingen rond duurzaamheidsbeleid veel beperkter zijn.’
Om duurzame impact bij bedrijven te realiseren zet de WBA in op drie trajecten: leren, druk uitoefenen en normering. Hoe werkt dat in de praktijk?
‘De basis van wat we doen ligt bij de benchmarks. Die kunnen bedrijven gebruiken om er zelf lessen uit te trekken. Als een onderneming bijvoorbeeld vraagt waarom ze lager scoren dan de concurrentie, leggen we dat uit. Maar we zijn geen consultant die advies geeft over hoe organisaties hun problemen moeten oplossen. Dat strookt niet met onze onafhankelijke positie.
Leren van de vergelijkingen in benchmarks is een eerste stap, maar veel veranderingen komen pas tot stand als er druk komt van buitenaf. Dan kun je denken aan kwesties die in de media worden aangekaart, of rechtszaken die door ngo’s worden aangespannen. Onze data kunnen door iedereen worden gebruikt ter ondersteuning van argumenten, ook door bedrijven als ze kritiek willen weerleggen.
De kennis die we produceren is onder meer waardevol voor beleggersorganisaties als Climate Action 100+. Zij kunnen met onze data en analyses tijdens aandeelhoudersvergaderingen een discussie aangaan op basis van onderbouwde feiten. We leveren dus munitie voor verschillende partijen om druk uit te oefenen.’
En de normering?
‘Het liefst willen we dat gewenst gedrag van bedrijven in regelgeving wordt vastgelegd. In de EU gaat het voor duurzaamheid bijvoorbeeld om rapportageverplichtingen zoals de CSRD- en CSDDD-regelgeving. We pleiten er bij overheden voor om de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven actief te vertalen naar harde standaarden die je kunt koppelen aan bijvoorbeeld het Klimaatakkoord van Parijs.
Een ander voorbeeld is de succesvolle lobby die we hebben gevoerd om leefbare lonen op de agenda te krijgen bij de VN-conferentie in Doha in 2024. Landen moeten verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor minimumloonstandaarden, zodat bedrijven niet simpelweg kunnen vertrekken naar een ander land zodra de minimumlonen ergens omhooggaan. Daarmee voorkom je een race to the bottom.’
WBA richt zich op een breed spectrum van belangengroepen om bedrijven te bewegen tot duurzame verandering. Waarom kiezen jullie daarvoor?
‘Als je een bedrijf wilt laten bewegen, moet je begrijpen dat de directie aan een breed scala van verwachtingen moet voldoen: van klanten en medewerkers, maar ook van overheden en beleggers.
Als je je slechts op één groep richt, is de impact beperkt. We weten dat verandering voor non-gouvernementele lobbygroepen vaak te langzaam gaat en voor een deel van de beleggers te snel. Maar de neuzen moeten uiteindelijk wel dezelfde kant op staan. Als de verwachtingen van verschillende stakeholders te ver uit elkaar lopen, raakt een bedrijf verlamd en is de kans groot dat er weinig tot niets gebeurt.’
WBA publiceerde onlangs een rapport waaruit bleek dat in de olie- en gassector minder dan 10 procent van de bedrijven doelstellingen heeft die in lijn liggen met het Klimaatakkoord van Parijs. Wat zegt dat over de kansen om daadwerkelijk stappen te zetten met de afbouw van fossiele brandstoffen?
‘Een aantal jaar geleden leek het er even op dat de olie- en gasindustrie echt ging veranderen, maar die beweging is helaas stilgevallen door een gebrek aan externe druk vanuit cruciale partijen. Dat laat zien hoe belangrijk gecombineerde actie is. Momenteel doen twee belangrijke stakeholders niet goed mee: overheden en beleggers.
Er zijn bijvoorbeeld vrijwel geen landen die op dit moment bereid zijn om te stoppen met nieuwe boringen naar olie en gas. Wat Nederland heeft gedaan met het sluiten van het grote gasveld in Groningen is vrij uniek – en dat kwam dan nog door de aardbevingsschade. En kijk je naar investeerders, dan geldt grofweg dat veel beleggers in de olie- en gassector simpelweg niet geloven dat hernieuwbare energie op korte termijn dezelfde rendementen oplevert als investeringen in fossiele brandstoffen.
Als alleen milieuorganisaties en een deel van de publieke opinie druk uitoefenen om te stoppen met investeringen in olie en gas, gaat dat niet gebeuren. Overheden en beleggers zijn nodig om dat financieel en juridisch af te dwingen.’
WBA toonde zich afgelopen jaar kritisch over de afzwakking van EU-wetgeving rond duurzaamheidsrapportages van bedrijven. Welke risico’s zie je daar?
‘De allergrootste bedrijven vallen nog steeds onder de wetgeving voor duurzaamheidsrapportages. Toch betekent de Omnibus-richtlijn dat je een stap terugdoet. De schade komt vooral doordat het voor bedrijven niet meer duidelijk is welke koers Europa wil varen. Op zich is het niet vreemd als je wetgeving probeert te vereenvoudigen, maar ondernemingen weten nu niet goed meer hoe serieus Europa is met doelstellingen om klimaatneutraal te worden.
Het is bijvoorbeeld bijzonder pijnlijk dat de verplichting voor het opstellen van een climate transition-plan is geschrapt. Zo’n plan is juist extreem nuttig om helder te krijgen wat ondernemingen nodig hebben om tot netto nul uitstoot te komen. Zonder transitiescenario’s worden discussies gevoerd op basis van anekdotische argumenten en dan ben je een stuk verder van huis.’
In het jaarverslag over 2025 merkte je op dat WBA zelf is geraakt door bezuinigingen in onder meer de VS op budgetten voor non-profitorganisaties.
‘Wij worden gefinancierd door publieke organisaties en filantropische instellingen om onafhankelijke rapporten en analyses te kunnen maken. In 2025 viel vrij plotseling een deel van de financiering weg. Dat had te maken met het verdwijnen van de Amerikaanse hulporganisatie USAID, maar ook met bezuinigingen in Europese landen om defensiebudgetten te verhogen. Verder was er veel onzekerheid bij Amerikaanse filantropische instellingen.
Door deze samenloop van omstandigheden moesten we fors bezuinigen en afscheid te nemen van ruim veertig gewaardeerde collega’s. Het was daardoor zeker een zwaar jaar voor de organisatie en dat voelde ik ook persoonlijk.’
Zie je de nabije toekomst positiever in?
‘De beschikbare budgetten vanuit overheden en filantropische instellingen zijn kleiner geworden, maar er is inmiddels wel sprake van stabilisatie. We zien daarnaast kansen om productiviteitswinst te boeken met behulp van AI, waarmee we het wegvallen van werknemers in de organisatie deels kunnen opvangen.
Bij zo’n crisis ga je ook scherper kijken naar je eigen ecosysteem: wat je zelf doet en wat verwante organisaties doen. Dat levert al meer onderlinge samenwerking op. Positief is ook dat er in de VS en Europa een nieuwe groep filantropen opstaat die begrijpt dat er een krachtige tegenbeweging nodig is om de huidige anti-duurzaamheidsgolf te keren. Daar zitten zeker lichtpuntjes.’
Lees ook:
- Niels Postma vond per toeval de eerste papieren datalogger uit: zijn sensor kan de transportsector tonnen e-waste besparen
- Het bedrijventerrein van de toekomst: ‘Groen is een soort wondermiddel om heel veel problemen tegelijk op te lossen’
- Duurzamer reizen tegen de klippen op: ‘Ik ben groot voorstander van een eerlijke prijs voor vliegreizen’




