‘Daar waar we lang van zeiden dat we er niet wilden komen − daar zitten we nu middenin.’
‘Er’ is in dit geval: een zomer vol bosbranden, hitte en droogte. Maar ook: op de grens van 1,5 graden opwarming van de aarde ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. ‘Dat getal was niet uit de lucht gegrepen. Daar zat een heleboel wetenschap achter’, zegt hoofddirecteur Maarten van Aalst van het KNMI. Ook is hij hoogleraar aan de Universiteit Twente op het gebied van klimaatverandering en weerbaarheid tegen rampen.
Eind vorig jaar bracht het KNMI een rapport uit over extreem weer in tijden van klimaatverandering. Van Aalst: ‘Als je kijkt naar wat we dit jaar al hebben zien langskomen, voelt dat rapport bijna als een bingokaart.’
Als de natuur in vuur en vlam staat: check. Als de Rijnafvoer blijft dalen en de binnenvaart hindert: check. Als het westnijlvirus Nederland besmet: check. Als de oplopende temperatuur de gemoederen verhit: ook check.
Zo gaf het KNMI deze zomer voor het eerst code rood af voor hitte in situaties waarin ieders gezondheid gevaar loopt. Het aantal sterfgevallen was tijdens de ‘superhittegolf’ eind juni in alle leeftijdsgroepen hoger dan normaal, ook bij jonge mensen. ‘Ondanks dat we het halve land hebben platgelegd.’
En ja, dat kan mensen tot actie aansporen. ‘Maar dat is wel een cynische manier om ernaar te kijken’, vindt Van Aalst. ‘Want er gaan ook levens en ecosystemen onherstelbaar verloren.’
KNMI moet wetenschap vertalen naar actie
Nederlanders zijn er altijd vanuit gegaan dat alle risico’s uit te sluiten zijn, zegt Van Aalst. ‘De overheid moet maar zorgen dat er nooit overstromingen zijn, dat we geen last hebben van hitte en dat we vergoed worden voor eventuele schade. Maar we kunnen er echt niet meer omheen dat we in een extremer klimaat komen.’
Ook de rol van het KNMI verandert daarmee. Van Aalst: ‘Eerder leverden we klimaatinformatie om ons voor te bereiden op een mogelijke toekomst. Nu moeten we ons ook veel meer richten op het vertalen van wetenschap naar actie. Het worst case scenario voor een wetenschapper: dat je iedereen waarschuwt, maar niemand luistert.’
Het KNMI is betrokken bij onderzoek naar onder meer de opwarming van de oceanen en risico’s op ook het stilvallen van de Golfstroom. Maar er ligt ook een andere taak: helpen bij het toepasbaar maken van de kennis die al bestaat. ‘We weten bijvoorbeeld dat hittegolven snel toenemen in ernst en frequentie. Hoe gaan we daarmee om? Deels kun je denken aan tegelwippen en zonweringen, maar er zijn ook protocollen nodig voor sportverenigingen en evenementen. Een marathon bij hittekracht tien? Zou ik niet doen.’
Van Aalst noemt de Koeltekaart van de gemeente Amsterdam een mooi voorbeeld van klimaatadaptatie. ‘Sommige mensen vinden dat je daarmee het signaal afgeeft dat je klimaatverandering accepteert. Maar ook de lapmaatregelen zijn keihard nodig. En die hoeven echt niet allemaal vervelend of kostbaar te zijn.’
Amsterdam zorgde met zijn koelteplekken bijvoorbeeld voor een ware sociale beweging. ‘Plekken met airco’s en water werden een soort ontmoetingsplekken in de buurt, allerlei winkels sloten zich aan. Ik denk dat veel mensen positief terugkijken op de hete dagen daar.’
Maarten van Aalst op Springtij
Maarten van Aalst is een van de plenaire sprekers tijdens het Springtij Forum, dat plaatsvindt van 23 t/m 25 september 2026 op Terschelling. Hier werken beleidsmakers, ondernemers, bestuurders, wetenschappers en ngo’s samen aan de complexe duurzaamheidsvraagstukken van morgen. Check het volledige programma.
Gevolgen klimaatverandering worden beter voorstelbaar
Maar hoe zet je kennis om in actie? Dat de kosten van klimaatverandering − economisch én qua welzijn − deze zomer even extra zichtbaar waren, is daarvoor een eerste stap. Uit onderzoek blijkt dat ervaringen eerder aanzetten tot actie dan doemscenario’s, zegt Van Aalst. ‘De investeringen in de Deltawerken na de watersnoodramp in 1953 zijn daar een goed voorbeeld van.’
Dat heeft er simpelweg mee te maken dat mensen en bedrijven zich de gevolgen van klimaatverandering steeds beter voor kunnen stellen. ‘Het beeld was lang: iets doen aan klimaatverandering, dat is nodig voor een ijsbeer op de Noordpool in 2100. Ver weg in plaats en tijd, vooral iets altruïstisch. Maar klimaatverandering raakt ook nu al het hele functioneren van de economie. Infrastructuur die plat ligt, boeren die niet meer kunnen produceren… Je ziet dat bijvoorbeeld banken en verzekeraars daardoor hun werkwijze ook aanpassen.’
Daarbij gaat het wel vooral om het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Het tegengaan ervan, door minder broeikasgassen uit te stoten, is iets heel anders. ‘Wat daarvoor nodig is, is het gevoel dat jouw eigen gedrag een verschil kan maken. Als burger, maar ook als Nederland.’
Praktische toepassingen: anders boeren en energietransitie versnellen
Het KNMI moet niet proberen in z’n eentje de wereld te verbeteren, vindt Van Aalst. ‘Maar ik vind wel dat we moeten vertellen wat we nu zien, en waarom dat een reden zou zijn om gedrag te veranderen. Liefst samen met mensen die kunnen laten zien waar de kansen liggen, zowel voor het tegengaan van klimaatverandering als voor het omgaan met de gevolgen.’
Toen het KNMI drie jaar geleden zijn klimaatscenario’s presenteerde, was daar bijvoorbeeld ook een Nederlandse boer bij die nu kiwi’s teelt. En het instituut werkt ook samen met netbeheerder TenneT. Weersomstandigheden, met name wind en zon, spelen immers een veel grotere rol in een hernieuwbaar energiesysteem. ‘Als je informatie over het weer slim gebruikt, kun je file op het stroomnet tegengaan en dus de energietransitie versnellen.’
Van Aalst de klimaatwetenschapper maakt zich grote zorgen, maar Van Aalst de mens is ‘van nature optimistisch’. Kijk naar waar we nu staan met hernieuwbare energie, zegt hij. ‘Dat hadden we bij het tekenen van het Parijs-akkoord in 2015 niet durven dromen. De opwek is geëxplodeerd, de kosten zijn snel gedaald.’
‘Als we destijds onderschatten hoe snel hernieuwbare energie kon groeien, onderschat ik nu hopelijk ook hoeveel we in de komende jaren nog kunnen doen. Er is ongelooflijk veel nodig, maar ik hoop dat ik verrast blijf worden.’



