Sebastian Maks
16 november 2023, 10:00

Wereldwijd worstelen bedrijven met terugdringen uitstoot, maar succesformule koplopers werkt

Uit een enquête van Boston Consulting Group (BCG) blijkt dat slechts 14 procent van de bedrijven wereldwijd er dit jaar in is geslaagd om zijn uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Ten opzichte van vorig jaar is dat een vermindering van 3 procentpunt. Ook het nauwkeurig meten van de totale bedrijfsemissies gaat nog niet beter dan vorig jaar. Wel krijgen bedrijven steeds meer inzicht in hun indirecte uitstoot (scope 3) en wordt het langzaam duidelijk wat ze moeten doen om hun zaken op orde te krijgen.

Getty Images 1062243688 BCG ondervroeg in zijn enquête 1.850 respondenten van bedrijven over de hele wereld, samen verantwoordelijk voor ongeveer 40 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. | Credits: Getty Images

De resultaten van BCG onderstrepen een vaker gemaakte conclusie, namelijk dat bedrijven nog worstelen met hun pad richting een CO2-vrije bedrijfsvoering. Onlangs bleek uit de Net Zero Tracker, een onderzoek van de Universiteit van Oxford, dat maar 4 procent van de bedrijven voldoet aan klimaatrichtlijnen van de Verenigde Naties. Van de tweeduizend grootste bedrijven wereldwijd zou de helft een strategie hebben uitgezet om in 2050 CO2-neutraal te zijn. Maar slechts een fractie van die strategieën deugt dus volgens VN-normen.

Maar één op de tien

BCG ondervroeg in zijn enquête 1.850 respondenten van bedrijven over de hele wereld, samen verantwoordelijk voor ongeveer 40 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Daaruit bleek dat maar één op de tien bedrijven een nauwkeurige meting en rapportage uitvoert van zijn emissies. Dat ligt gelijk met vorig jaar, ondanks dat er wereldwijd steeds meer wetgeving komt op het gebied van duurzaamheidsrapportage.

Maar op categorieniveau is er wel een verbetering gaande. Emissies die ontstaan zijn uit het verbruik van elektriciteit, warmte en koeling (ook wel scope 2 genoemd) worden beter bijgehouden. Van de bedrijven die aangeven hun emissies bij te houden, meet ruim 70 procent zijn scope 2-emissies; een stijging van 10 procentpunt ten opzichte van 2021. Wat betreft indirecte emissies (scope 3) is dat 53 procent; een stijging van 19 procentpunt ten opzichte van 2021.

“Het gaat dan om emissies gerelateerd aan de door bedrijven ingekochte goederen en diensten, en ook om de emissies van hun klanten”, legt Diana Dimitrova uit, klimaatexpert bij BCG. “Die precisie is goed, want het betekent dat bedrijven echt bezig zijn met kijken waar ze een verandering teweeg kunnen brengen. Niet alleen meten ze namelijk hun scope 3-emissies, ook stellen ze er steeds vaker concrete reductiedoelen voor.”

Meer reductiedoelen

Die toename in reductiedoelen is ook terug te zien in de resultaten. Ten opzichte van 2021 is het aantal bedrijven dat reductiedoelen stelt voor zijn indirecte uitstoot met 12 procentpunt gestegen. Vooral in de gezondheidssector gaat dat goed, gevolgd door de industriële productie en tech- en mediabedrijven.

“Ook is het hoopgevend dat er meer geografische regio’s dan ooit meedoen met het rapporteren van hun emissies”, zegt Dimitrova. “Regio’s die voorheen niet eens in de data terugkwamen (zoals Afrika en het Midden-Oosten, red.), zitten nu dicht bij het gemiddelde. Ze zijn er nog niet helemaal, maar ze bewegen zich in de goede richting.”

Toch weinig echte reductie

Helaas blijkt ook uit de enquête dat het aantal bedrijven dat zijn uitstoot heeft weten terug te dringen, juist is gedaald. Dit jaar ligt dat percentage op 14 procent, terwijl het vorig jaar nog op 17 procent lag. “En dat is waarom het nog lastig is om de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen terug te dringen”, vertelt Dimitrova. “Het is een collectief probleem. Het is echt vereist dat alle bedrijven wereldwijd precies doen wat de bedrijven doen die voorop lopen. Alle focus moet daarop liggen.”

Succesrecept

En wat die koplopers precies doen, dat wordt steeds duidelijker. Uit het onderzoek van BCG kwamen vier kenmerken naar voren die bedrijven met een emissiereductie vaker bezitten dan andere bedrijven. Voor het meten en rapporteren van hun uitstoot werken ze vaker samen met andere bedrijven in hun keten. Ze presenteren niet alleen hun totale emissies, maar berekenen ook de CO2-belasting van individuele stappen in productieprocessen. Op die manier identificeren bedrijven sneller waar het zwaartepunt van hun milieu-impact zit. Daarnaast maken ze vaker gebruik van technologie, bijvoorbeeld om automatisch hun emissierapportages bij te houden. En ze staan in het algemeen positiever tegenover duurzaamheidsrapportages. Die zien ze namelijk als een essentiële stap in het terugdringen van hun uitstoot.

Lees ook:

Poolse start-up Nevomo bouwt zweeftreinen op bestaande rails

De toekomst van het treinverkeer door de ogen van Elon Musk is de Hyperloop: een trein die met 1.000 kilometer per uur raast door vacuümbuizen. Hoewel verschillende bedrijven en universiteiten met het idee bezig zijn, zal het nog wel even duren voordat we deze reismogelijkheid op grote schaal gaan zien. Om de Hyperloop te realiseren moet namelijk eerst nog een volledig nieuwe infrastructuur van vacuümbuizen en speciale stations worden opgebouwd. Magneetzweeftreinen Voor het zover is, biedt het Poolse bedrijf Nevomo een tussenoplossing. De start-up wil bestaande railtrajecten ombouwen tot magnetische rails waarop zweeftreinen kunnen rijden. De magneetzweeftrein bestaat al een tijd. Deze trein rijdt niet op wielen, maar zweeft vlak boven de rails door middel van magnetische levitatie. Doordat de trein geen direct contact maakt met de rails is er bijna geen sprake van wrijving wat de efficiëntie ten goede komt. Op een aantal plekken waaronder in Japan en Zuid-Korea rijden al magneetzweeftreinen op specifieke trajecten. Het bijzondere aan de plannen van Nevomo is dat het bedrijf bestaande rails wil aanpassen zodat er zowel traditionele treinen als zweeftreinen op kunnen rijden. En het deed dit afgelopen september voor het eerst met succes. Op 700 meter lange testrails in Polen raasde voor het eerst een MagRail-treinstel met 135 kilometer per uur over het spoor. Bij een snelheid van 70 kilometer per uur zweefde het 6 meter lange treinstel van 2 ton vlak boven de rails. Uiteindelijk wil Nevomo dat hun treinen met snelheden van 550 kilometer per uur over het spoor razen. Ter vergelijking: in Nederland rijden intercity’s tot zo’n 200 kilometer per uur.Hoe werkt het? Nevomo wil dus bestaande sporen moderniseren. Dit doen ze door een speciale derde rail te plaatsen tussen de twee bestaande rails. Daarbij monteren ze levitatieplaten aan de zijkant van het spoor. Op de middenrails kan een speciaal treinstel bevestigd worden dat met behulp van de magnetische platen wordt gestabiliseerd en boven het oppervlak zweeft. Dit gebeurt overigens alleen als de trein op hoge snelheid rijdt. Als de MagRail een bepaalde snelheid maakt, zal deze zich vanzelf boven de rails drukken. Nevomo noemt dit ‘passieve’ levitatie, in tegenstelling tot actieve levitatie waarbij direct veel energie van elektromagneten nodig is om een trein te laten zweven. Plannen voor de toekomst De eerste praktijktesten rondde Nevomo in maart dit jaar met succes af op hun eigen testbaan. In september presenteerde het bedrijf voor het eerst de MagRail Booster. De Booster is een aanpassing van bestaande vrachttreinstellen die ervoor zorgt dat de wagon wordt aangedreven door een elektromagnetische voortstuwing en een motor, zonder dat daar een locomotief voor nodig is. Nevomo claimt dat hierdoor vrachttreinvervoer sneller kan accelereren en remmen en uiteindelijk met meer flexibiliteit kan rijden. Wat precies de volgende stappen van Nevomo worden is vooralsnog onbekend. Het bedrijf heeft uiteenlopende plannen voor zowel vracht- als personenvervoer. Duidelijk is dat Nevomo hun zweefinnovatie voor het bestaande spoorwegsysteem ziet als tussenoplossing voordat de Hyperloop een feit wordt. Lees ook: Opnieuw miljoeneninvestering voor de hyperloop: testcentrum kan worden voltooid Nieuwe beelden Hyperloop geven inkijkje in transportsysteem van de toekomstTrein kan deel van de vluchten vervangen, wijst onderzoek uit