Hannah van der Korput
31 oktober 2024, 13:00

Anders boeren: voedsel én bouwmaterialen van het land

Over de landbouwtransitie is al veel geschreven. Het wil maar niet vlotten, is vaak de boodschap. Gelukkig zijn er ook succesverhalen. In deze serie belichten we mensen die laten zien dat het anders kan. Dit keer: deze akkerbouwer haalt voedsel én bouwmaterialen van het land.

V1 projectcoördinatoren template 5 Arjen van Buuren is zo’n akkerbouwer die biobased bouwmaterialen heeft opgenomen in het teeltplan. Hij verbouwt hennep. | Credits: Landgoed Velhorst

Wie aan landbouw denkt, denkt al snel aan voedselproductie. Bij Building Balance gaan ze echter voor een andere benadering. Vezelgewassen van het land, zoals vlas, hennep en olifantsgras, kunnen namelijk dienstdoen als duurzame bouwmaterialen. Om de markt voor biobased bouwmaterialen aan te wakkeren, zet de organisatie ketens op tussen Nederlandse boeren en bouwers.

Biobased bouwmaterialen

Door beton, staal en baksteen te vervangen door natuurlijke materialen kan de bouwsector zijn CO2-uitstoot en klimaatimpact fors verminderen. Tegelijkertijd is het een kans voor boeren, zegt Rob de Groot. Vanuit Building Balance activeert hij de agrarische sector om vezelgewassen te telen voor de bouw. “Biobased bouwen komt langzaam maar zeker op gang. Er wordt al veel met stro en vlas geïsoleerd. Het merendeel van die grondstoffen komt echter uit het buitenland. Daar is veel transport en CO2-uitstoot mee gemoeid, dus niet heel duurzaam. Wij willen de teelt hierheen halen zodat Nederlandse boeren perspectief en een nieuw businessmodel krijgen.”

Positief

Die wens is wederzijds, merkt hij. “Vanuit de agrarische sector is veel interesse om bouwmaterialen te telen. Boeren staan er positief tegenover. Er zit dan ook een goed verdienmodel in. Het is niet zo dat vezelgewassen bestemd voor de bouw kunnen concurreren met goed renderende producenten zoals aardappelen, suikerbieten en uien. Maar die kun je ook niet elk jaar telen op een perceel. Daar staat een rustgewas tegenover die minder rendeert. Dan is een vezelgewas zoals hennep interessant, want daar heeft een boer weinig werk aan. Het is een kwestie van zaaien, wachten en oogsten. Daarnaast geeft het een stukje verduurzaming. Vezelhennep heeft een positieve invloed op de bodemkwaliteit en voor de teelt zijn geen gewasbeschermingsmiddelen nodig.”

Hennep

Arjen van Buuren is zo’n akkerbouwer die biobased bouwmaterialen heeft opgenomen in het teeltplan. “Dit jaar zijn we begonnen met hennepteelt. Dat doen we op Landgoed Zenderense Es in Overijsel. De opbrengsten gaan naar HempFlax, dat hennep verwerkt in isolatiemateriaal, muren, dakconstructies en vloeren. Het land waarop de hennepplanten groeien, pachten we van stichting Twickel. Zij hebben ook veel vastgoed in beheer. Het plan is om de biobased materialen die van het land komen weer te verwerken in het vastgoed van de stichting. Zo is de cirkel rond.”

Over de teelt is hij tevreden. “Dit jaar hadden we een goede opbrengst. Het is een makkelijk gewas en groeit heel snel. Hennep is competitief tegen onkruid en past goed in het biologische systeem waarin we werken omdat er geen chemie of bestrijdingsmiddelen aan te pas komen. Het is ook redelijk goedkoop. Het plantgoed van miscanthus (olifantsgras, red.), een ander vezelgewas, heeft een veel hogere aanschafprijs.”

Zonnekroon

Ook de afzetmogelijkheden pleiten voor hennep, vertelt Van Buuren. “We verbouwen bijvoorbeeld ook zonnekroon. Dat is een meerjarig vezelgewas. Een Duits bedrijf maakt er verpakkingsmateriaal van. Wij werken veel met verpakkingen, omdat we onze gewassen direct verkopen aan consumenten, restaurants en winkels. Een deel verwerken we, samen met lokale partners, tot streekproducten. Ook die moeten worden verpakt. Het idee ontstond om ons eigen, duurzame verpakkingsmateriaal te maken. Maar als je zowat de enige bent die zonnekroon teelt – ik denk dat het zo’n tien hectare beslaat in Nederland – dan is er geen fabriek die het verwerkt. Om met het spul helemaal naar Zuid-Duitsland te gaan, gaat ook wat ver. We zijn dus nog bezig om voor die grondstof een verwerker te vinden.”

Opschalen

In die zin is de markt voor bouwmaterialen nog bescheiden. De Groot ziet dat het ouderwetse kip-eiverhaal zich afspeelt. “Een bouwer gaat niet aan de slag met biobased grondstoffen als er misschien niet genoeg materialen voorhanden zijn. Een boer gaat zijn perceel niet vol zetten met vezelgewassen als hij niet zeker weet dat ze worden afgenomen. We zijn opgericht om die schaalvergroting te bereiken in zowel de landbouw als de bouw. Dat is belangrijk, want door opschaling kan die efficiëntieslag plaatsvinden en het rendement stijgen. Op kleine schaal blijft biobased bouwmateriaal duur en niet gecertificeerd. Neemt het volume toe, dan komt die certificering op gang. Teeltonderzoek, bijvoorbeeld naar manieren om de opbrengst te vergroten, wordt dan ineens mogelijk. Met een kleine teelt is er weinig animo om dergelijke onderzoeken te financieren. Opschaling zorgt dus voor kwantiteit en kwaliteit. Daarom maken we ons vanuit Building Balance hard voor die schaalvergroting. We zorgen ervoor dat agrariërs en afnemers elkaar kennen, dat er convenanten worden gesloten en dat vraag en aanbod op de lange termijn op elkaar worden afgestemd.”

Rob de Groot activeert de agrarische sector om vezelgewassen te telen voor de bouw. | Credit: Building Balance

Kostenplaatje

Naast vraag en aanbod moet ook het kostenplaatje in balans zijn, zegt Van Buuren. “Dat is tweeledig. Voor bouwers is biobased bouwmateriaal vaak te duur. Veel bedrijven verkiezen goedkoop isolatiemateriaal nog altijd boven biobased isolatiemateriaal, tenzij duurzaam bouwen prioriteit heeft binnen de organisatie. Voor boeren is de marge juist te laag. Afgelopen jaar is de hennepteelt bij ons goed gelukt, maar de opbrengsten verschillen sterk. Hoe minder vezels van het land komen, hoe lager de opbrengst. De boer draagt dat ondernemersrisico. Wij zitten dan ook niet op de duurste grond. Zit je in de polder met grondprijzen tot twee ton, dan kan je het niet riskeren om te experimenteren met een vezelgewas dat misschien minder rendeert dan verwacht.”

Subsidies

De agrariër ziet een taak weggelegd voor de overheid. “In Overijssel zijn lokale subsidies opgetuigd voor het telen van bouwmateriaal. Dat is een mooie ondersteuning, maar daar wordt de teelt niet mee gedekt. Ik ben van mening dat het zonder subsidies zou moeten. De vraag moet vanuit de markt komen, zodat de prijs stijgt voor de boer. Regelgeving kan helpen om die vraag te stimuleren. Door als overheid te zeggen: 10 tot 20 procent van de bouwmaterialen in nieuwbouwprojecten moet biobased zijn, creëer je een markt. Wanneer bedrijven verplicht zijn om deels met duurzamere bouwmaterialen te werken, stijgt de vraag naar die grondstoffen. Dat gebeurt niet zolang het vrijblijvend is.”

De Groot: “Ik denk dat subsidies nodig zijn om de markt aan te wakkeren en de teelt te starten. Ik zie het ook als leergeld voor boeren om vezelgewassen te leren kennen. Oogst een akkerbouwer tien ton hennep van één hectare, dan is dat een mooie opbrengst. Maar de eerste jaren wordt er soms maar vijf ton van het land gehaald. De teelt gaat niet op elk perceel meteen goed. Subsidies helpen om dat risico te dragen. Uiteindelijk moet de markt functioneren zonder ingrijpen van de overheid, maar in de opstartfase is het nodig.”

Hij wijst naar een nieuwe regeling vanuit het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur waarbij carbon credits worden verhandeld. “Het ministerie kan straks certificaten kopen van een boer die vezelgewassen, bijvoorbeeld miscanthus, aanplant. De akkerbouwer krijgt meteen uitbetaald en kan op die manier rondkomen totdat de gewassen opbrengst genereren. Die credits worden overigens alleen betaald voor vezels die daadwerkelijk de bouw in gaan. Het is dus echt bedoeld voor gewassen bestemd voor de bouwsector. Vanuit Building Balance hebben we er mede voor gezorgd dat die regeling er komt. We zien het als een mooi initiatief om de markt aan te wakkeren.”

Meer uit deze serie:

Met deelplatform Peerby pleit Daan Weddepohl voor minder isolatie en meer ‘samenhankelijkheid’

Er voelt weinig zo verwoestend als een brand in je eigen huis. Als slachtoffer sta je machteloos toe te kijken hoe een heel leven aan herinneringen onherstelbaar verloren gaat. Het overkwam Daan Weddepohl in 2010; hij verloor zijn huis, zijn spullen, en moest een tijd lang leunen op vrienden en familie. Dit leidde ertoe dat hij de traditionele westerse levenshouding – zo veel mogelijk op je eigen benen staan – begon te wantrouwen. “Ik realiseerde me hoe vreemd het eigenlijk is dat we onszelf isoleren in een woonruimte, dat we zelfstandigheid zo belangrijk vinden”, vertelt Weddepohl vanuit een gedeelde kantoorruimte in Amsterdam-West. Hij is maar even in Nederland en reist de volgende dag alweer terug naar de Verenigde Staten, waar hij het grootste deel van het jaar doorbrengt. “Onze kracht als mensen is juist dat we interdependent zijn. Ik heb er nog geen goed Nederlands woord voor gevonden, maar ik zou het ‘samenhankelijk’ willen noemen. Niet áfhankelijk, niet ónafhankelijk, maar sámenhankelijk. Inmiddels zijn we heel ver afgedreven van die kracht.” Spullen uitlenen Veel westerlingen zullen het inderdaad herkennen: parallel aan volwassen(er) worden loopt de wens om een steeds zelfstandiger leven te leiden. Een eigen huis, gevuld met eigen spullen, betaald door een baan die jou als individu zo onafhankelijk mogelijk maakt. Kan dat niet anders, dacht Weddepohl. Vanuit die vraag richtte hij, twee jaar na zijn woningbrand, de start-up Peerby op; een online platform waarop mensen huishoudelijke spullen aan elkaar kunnen uitlenen (eventueel tegen een vergoeding). Spullen die je niet elke dag nodig hebt – denk aan boormachines, partytenten, bakfietsen, grasmaaiers en kookgerei voor op de camping. Het verdienmodel: een jaarlijks lidmaatschap om iets van het platform te mogen lenen. Klinkt eenvoudig, maar het duurde even voor Weddepohl en zijn collega’s dat verdienmodel uitkristalliseerden. “We zijn eindelijk zo ver dat we onszelf kunnen bedruipen. Maar het is een grote uitdaging geweest. Eigenlijk is Peerby een venndiagram van moeilijke businessmodellen. We hebben het over producten met een lage gebruiksfrequentie, met een relatief lage waarde, en die vaak gratis gedeeld worden. We zijn over de jaren langs allerlei businessmodellen getrokken, maar zijn uiteindelijk op een jaarlidmaatschap uitgekomen.” Bierviltjesberekening Naast het sociale element van Peerby had Weddepohl altijd wel het idee dat zijn platform hielp om verspilling en onnodige CO2-uitstoot tegen te gaan. Maar het werd hem pas echt duidelijk toen hij meedeed aan een wedstrijd voor duurzame start-ups. Daar werd hem gevraagd hoe veel CO2-uitstoot Peerby kan voorkomen. “Ik maakte toen een bierviltjesberekening en liet die door een expert aan de universiteit van Californië nakijken”, vertelt Weddepohl. “Die zei dat ik goed in de buurt zat. Toen realiseerde ik me: dit heeft meer impact dan gedacht.” Na een grondigere analyse, uitgevoerd door adviesbureau Except, staat het nu dikgedrukt op de website: Peerby bespaart tot nu toe al 65 miljoen liter water, 42 miljoen kilo CO2, 1 miljoen kilo grondstoffen en 833.000 kilo afval. “Met 1.300 verschillende categorieën aan spullen is het natuurlijk best lastig om de precieze milieu-impact te berekenen. Daarom moesten we op zoek naar een ‘gemiddeld’ product. We zijn toen uitgekomen bij de stofzuiger, een elektronisch product dat qua grootte in het midden zit van de spullen op ons platform, en waarvan de levenscyclus goed in kaart is gebracht. We hebben toen bepaald hoe groot het ‘leengedeelte’ van die levenscyclus is en hebben dat vermenigvuldigd met het aantal transacties op het platform. Dan kom je hier op uit.” Niche-begrip Snel na de oprichting vestigde Peerby zich ook in de Verenigde Staten. Maar door het gebrek aan een werkend verdienmodel trok het bedrijf zich uiteindelijk weer terug om de focus volledig op de Nederlandse markt te leggen. Nu de zaken hier goed lopen, waagt Weddepohl zich voor een tweede keer aan de sprong naar de VS. Een land dat in veel opzichten erg verschilt van Nederland, maar al helemaal op het gebied van duurzaamheid. “Circulariteit is daar echt een niche-begrip. Weinig mensen kennen het of zijn ermee bezig. Er moet op dat vlak nog heel veel gebeuren. De VS is een land dat zó kapitalistisch is ingesteld, alle duurzaamheidsprikkels zijn eigenlijk tegenovergesteld aan wat zou moeten.” Over prikkels is de ondernemer glashelder: die moeten helemaal anders. “Er heerst het idee dat de markt een natuurlijk gegeven is waar je systeemkundig niets aan kunt veranderen. De enige manier om de markt te sturen, zou zijn om als consument andere beslissingen te nemen. Dat vind ik misleidend. Ik zal je vertellen: als ik op mijn site de prijzen verhoog, dan consumeren mensen gewoon minder, hoor. We moeten dus veel harder met economische middelen duwen om duurzaam gedrag te stimuleren.” “Nu is het namelijk nog zo dat een niet-duurzaam product goedkoper is dan een product dat wel duurzaam is”, gaat Weddepohl verder. “Dat vind ik echt verwerpelijk. Met niet-duurzame producten creëer je maatschappelijke schade die met belastinggeld gerepareerd moet worden. Bijvoorbeeld het verhogen van de dijken tegen hogere waterstanden. En het goede werk dat een duurzaam bedrijf doet, moeten mensen via de prijs van het product betalen. Ik vind dat echt absurd. De meeste mensen zien dat denk ik nog niet zo. Die denken: het hoort er gewoon bij dat duurzaamheid duurder is. Maar het is een kwestie van hoe je welvaart en kosten verdeelt.” Geen lineaire economie Volgens Weddepohl is de circulaire economie er in Nederland beter aan toe dan in de VS. Maar ook hier zijn radicale veranderingen nodig om ervoor te zorgen dat het hergebruik van materialen écht op gang komt en we als samenleving steeds meer afscheid nemen van een lineaire economie. “Een bedrijf als Bol.com heeft zijn succes te danken aan het feit dat we al een postsysteem hadden dat door de overheid is opgezet. Het bleek dat je met dat systeem ook heel goed cd’s en boeken kon versturen. Bol.com, maar ook Amazon, hadden zulke systemen nooit zelf op kunnen zetten, dat was een veel te groot risico geweest. Dat ze zo’n vlucht hebben genomen, komt dus door publieke infrastructuur. Maar die is gemaakt voor een lineaire economie. We moeten goed nadenken over wat voor infrastructuur nodig is om juist een circulaire economie op gang te krijgen. Er moet een fijnmazig netwerk opgezet worden om makkelijk grondstoffen te versturen en spullen naar reparateurs te sturen. Als we als samenleving geen verspilling meer willen hebben, zijn dat de zaken waarnaar we nu moeten kijken.” Lees ook: Changemaker Rick Verkuyl (Marktplaats): ‘Hoe makkelijker je het maakt, hoe meer mensen aanhaken’Zakelijke rijder wil best auto delen met collega’s: ‘Dit is echt hoopgevend’Van box tot kinderkleding: deeleconomie voor de allerkleinsten