Sebastian Maks
26 januari 2024, 13:41

Opmerkelijk: plantaardige garnaal uit de 3D-printer

Soms stuit je als redactie op nieuws waarbij een wenkbrauw omhoog schiet. Die ene vreemde innovatie, een onverwacht effect van klimaatverandering of een staaltje menselijke onhandigheid. Opmerkelijk dus. Deze week: ge-3D-printe garnalen.

Shrimps printer 768x512 De ge-3D-printe plantaardige garnaal van Steakholder Foods. | Credits: Steakholder Foods

De 3D-printer wint aan terrein. Het blijkt dat steeds meer sectoren kunnen profiteren van het ‘laagje voor laagje’-principe dat zulke printers bieden. Het voordelige van de techniek is dat je eigenlijk alle materie als inkt kunt gebruiken, zolang de substantie vloeibaar is en goed hard kan worden. Menselijke creativiteit heeft er inmiddels toe geleid dat we met 3D-printers onder meer meubels, huizen en zelfs voedsel kunnen maken.

Ge-3D-print zeeleven

Zo ook het Israëlische bedrijf Steakholder Foods, dat naar eigen zeggen ’s werelds eerste plantaardige garnaal heeft weten te 3D-printen. Steakholder Foods heeft al meerdere innovaties met de laagjesprinter op zijn naam staan. Daaronder vallen een ge-3D-printe steak van kweekvlees en een ge-3D-printe filet van viscellen. Het voegt nu een plantaardige garnaal toe aan zijn portfolio.

Geheim recept

Helaas houdt het Israëlische bedrijf de kaarten tegen de borst en is het recept van de ‘inkt’ geheim. Maar het is naar eigen zeggen een plantaardige inkt die smaakt naar garnaal uit de zee. Met een eigen ontworpen 3D-printer zou Steakholder Foods bovendien in staat zijn om ook de textuur van echte garnaal na te bootsen.

Hybride

Momenteel zet het bedrijf erop in om de garnaal in plantaardige vorm op de markt te brengen. Maar na verloop van tijd zou het kunnen dat daar een hybride variant bij komt. Dat wil zeggen: een deels plantaardige en deels gecultiveerde garnaal. Dat zou moeten gebeuren wanneer er schaalvoordelen hebben opgetreden in hun cultivatieproces van kweekvlees en -vis, waardoor de productie goedkoper wordt. Hoe duur de plantaardige 3D-geprinte garnaal nu is, is niet bekend.

Lees ook:

Kunnen we stoppen met de tweestrijd tussen technologie en consuminderen?

Everaers stelt dat mensen geprogrammeerd zijn om altijd meer te willen; een karakteristiek die onwrikbaar zou zijn. Zij die oproepen tot minder auto’s en smartphones gaan niet alleen in tegen de aard van onze soort, maar wijzen ook met een moralistisch vingertje en handelen vanuit een gevoel van superioriteit. Échte klimaatactie, daarentegen, zou alleen kunnen voortkomen uit technologische innovaties. Uit de acties van “hardwerkende, productieve mensen die technologisch blijven vernieuwen”. Ik vind Everaers’ stellingname te eenzijdig. Toen ik zijn pleidooi las, bekroop me namelijk meteen de gedachte: het kan toch ook allebei? Waarom zou je twee oplossingsrichtingen tegen elkaar afzetten? Ze zitten elkaar toch niet in de weg? Sterker nog: met alleen het één of het ander gaan we het niet redden. Je hoort het experts keer op keer benadrukken. Technologische innovatie gaat niet snel genoeg om de klimaatdoelen van Parijs te halen, dus er moet óók wat aan de vraagzijde gebeuren. Tegelijk is het moeilijk om zomaar het gedrag van miljarden mensen te veranderen, en zitten we bovendien wat sommige zaken betreft gevangen in een systeem dat individuele verandering lastig maakt. Daarom heb je inderdaad ook wetenschappers en ondernemers nodig die slimme oplossingen bedenken om onze CO2-uitstoot te beperken. Niet ‘versus’, maar ‘en-en’.Niet genoeg voor 1,5 graden Dat alleen techniek ons niet uit de brand gaat helpen, blijkt uit een recente wetenschappelijke studie van PhD’er Stephanie Cap van de Universiteit Leiden. Cap onderzocht voor 49 landen, waaronder de 27 EU-lidstaten, hoe de temperatuur op aarde zich de komende decennia zal ontwikkelen als er alleen wordt ingezet op technologische innovatie, zonder dat huishoudens hun levensstijl aanpassen. De resultaten liegen er niet om. Hoewel technologische innovaties een hoop klimaatleed voorkomen, zijn ze niet genoeg om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graden Celsius. Geen enkele van de onderzochte landen was in het geprojecteerde jaar 2050 op koers om de doelstelling te halen als inwoners hun levensstijl niet aanpasten. De conclusie is duidelijk: we moeten wel degelijk aan ons consumptiegedrag sleutelen. Aan dit soort dichotome denkbeelden maakt heus niet alleen Everaers zich schuldig. Tegenover zijn opiniestuk staan zovele die stellig het omgekeerde propageren: ‘Technologische innovatie is slechts paracetamol voor de koorts’, of: ‘je lost er het klimaatprobleem niet mee op, dat doe je alleen door het gedrag van mensen te veranderen.’ Ook die opvatting vind ik te limiterend. Niet alle menselijke consumptie is op individueel niveau zo beïnvloedbaar als we misschien zouden willen. Zo heb ik als huurder vrijwel niets te zeggen over het beton waarmee mijn huis gebouwd is. Er valt hier voor mij niets te consuminderen; ik kan niet met een pikhouweel en een berg hennep mijn muren aan een transformatie onderwerpen. En helemaal nergens wonen is ook geen optie. Om de klimaatimpact van mijn huurwoning te verminderen, ben ik dus afhankelijk van innovators die biobased materialen testen en manieren vinden om de uitstoot van cement omlaag te brengen. Niet tegen natuur in Een tweede punt dat me stoort, is het zeer beperkte mensbeeld dat wordt geopperd. De visie van een organisme dat alleen maar hunkert naar meer en niet in staat is om over die banale gedachte heen te stappen, dát is pas onrealistisch. Alsof we niet zijn geëvolueerd naar wezens die kunnen bedenken dat overleving van de eigen soort belangrijker is dan kortstondig geluk. In de werkelijkheid heeft het natuurlijk niets te maken met voorgeprogrammeerde breinen, maar heeft het alles te maken met pure onwil, geboren uit een situatie van overvloedige luxe. Er zijn genoeg mensen, waaronder ikzelf, die aan den lijve ondervinden dat consuminderen niet tegen hun natuur ingaat. Die ene vliegreis minder, die paar jaar extra met een iPhone, dat tweedehands paar schoenen en die vleesvervanger – het is allemaal zo erg nog niet. Echt niet. En het is fijn als publieke figuren ons daarop wijzen. Daar zit echt geen moralistisch vingertje of superioriteitsgevoel achter, dat is gedreven door de diepe overtuiging dat een paar simpele keuzes onderdeel kunnen zijn van een poging om de planeet te beschermen. Onnodige tegenstelling Mensen die actie voeren voor het klimaat of oproepen tot duurzamer gedrag, worden vaak weggezet als boeman. Alsof ze, vanuit een motief van zelfverrijking, ervan genieten om het plezier van anderen te bederven. Maar zo zit de vork natuurlijk niet in de steel. Ze proberen iedereen te behoeden voor de vreselijke gevolgen van klimaatverandering, óók degenen die hen het felst in de haren vliegen. Dat besef zie ik nog onvoldoende terug. Klimaatactivist Melati Wijsen verwoordde het onlangs treffend in een interview: je kunt geen zaken doen op een dode planeet. Een vliegreis naar de zon is leuk, maar niet in een land dat in de fik staat. Van dit laatste beticht ik Everaers overigens niet. Maar ik vind wel dat hij onnodig tegenstellingen creëert in een arena waar iedereen zijn steentje zal moeten bijdragen. De één doet dat door wat minder spullen te kopen, de ander door een nieuwe waterstofauto te ontwerpen. De taak om onze planeet te redden is al lastig genoeg. Laten we die niet nog moeilijker maken door het debat te polariseren.