Sebastian Maks
31 oktober 2024, 15:00

Duitse energiereus doelt op 100 megawatt elektrolyser voor groene waterstof in de Eemshaven

Het Duitse energiebedrijf RWE heeft stappen gezet met het ontwikkelen van een grootschalige Nederlandse elektrolyser. RWE geeft aan de bouw- en milieuvergunning te hebben verkregen om 100 megawatt groene-waterstofcapaciteit te ontwikkelen in de Groningse Eemshaven. Het project moet de hernieuwbare energie gaan gebruiken van een windpark dat op zo’n 50 kilometer van de Hollandse kust ligt.

Getty Images 1244380581 RWE’s geplande elektrolyser moet Nederlandse windenergie gaan gebruiken om groene waterstof te produceren. | Credits: Getty Images

Hoewel RWE groot geworden is door het bouwen van centrales op fossiele brandstoffen, onderzoekt het bedrijf mogelijkheden om zijn productie te verduurzamen. Zo sluit het (waar mogelijk) kolencentrales, maakt het gascentrales klaar voor waterstof en mengt het zich in duurzame-energieprojecten zoals windparken.

Nu wil het bedrijf naam maken door de productie van groene waterstof in Nederland op te krikken. Eerder liet RWE weten te werken aan een elektrolyser van 50 megawatt in de Eemscentrale, een gascentrale in handen van Engie (niet te verwarren met de Eemshavencentrale van RWE, een kolencentrale). Nu bereidt RWE zich voor op een grotere elektrolyser (100 megawatt) in de buurt van van zijn eigen Magnumcentrale, eveneens een gascentrale.

Duurzame productieprocessen

Hoewel onduidelijk is wat de geplande datum voor de elektrolyser is, zijn de bouw- en milieuvergunning rond. “Hiermee kan RWE de industrie hernieuwbare waterstof leveren die bijdraagt aan het verduurzamen van productieprocessen”, laat Sopna Sury van RWE weten in een persbericht. “Onze plannen voor deze elektrolyser dragen bij aan de verdere economische ontwikkeling van de regio en de positionering van het cluster als een centrum voor duurzame energie.”

Oranjewind

Samen met TotalEnergies ontwikkelt RWE ‘Oranjewind’, een windpark van bijna 800 megawatt in de Noordzee. RWE’s geplande elektrolyser moet de duurzaam opgewekte stroom van dat park gaan gebruiken om groene waterstof te produceren.

Wat is grijze, blauwe en groene waterstof?

Er zijn drie varianten van waterstofproductie. Grijze waterstof wordt gemaakt met olie, gas of steenkool. Uit dit proces ontstaat waterstof, maar er komt ook CO2 vrij. Omdat CO2-uitstoot een negatieve invloed heeft op het klimaat, is dit de meest vervuilende vorm van waterstof.

Je kunt de CO2 die tijdens het proces vrijkomt echter ook afvangen en opslaan. Dan spreek je over blauwe waterstof.

De duurzaamste vorm is groene waterstof. Dat wordt geproduceerd met behulp van duurzame opwekte elektriciteit, zoals wind en zon. Heel kort door de bocht: door elektrische spanning op water te zetten, wordt het gesplitst in waterstof en zuurstof. Bij dit proces komt geen CO2 vrij.

(Nog) geen waterstof in Rotterdam

Eerder dit jaar liet Uniper, een ander Duits energieconcern, juist weten pas op de plaats te maken met eenzelfde soort project in de haven van Rotterdam. Het bedrijf was van plan in 2026 een waterstoffabriek van 100 megawatt te openen, maar zag zichzelf gedwongen dat uit te stellen naar 2026. Naar eigen zeggen kon Uniper geen garantie krijgen dat er genoeg (offshore) windenergie geleverd zou worden om het succes van de waterstoffabriek te garanderen.

Voor een groot deel had dat te maken met problemen in de sector van windenergie, waaronder inflatie, hoge rente en gestegen kosten op arbeid en materialen. Maar de vertraging kwam ook doordat ontwikkelaars van windparken niet gestimuleerd worden om hun stroom aan waterstofprojecten te leveren, ten opzichte van andere energiegebruikers. Tot slot vertrouwde Uniper er niet op dat de geproduceerde waterstof genoeg afnemers zou vinden. Volgens het bedrijf is het nog niet duidelijk welke sectoren door wetgeving gedwongen zullen worden om groene waterstof te gebruiken.

Lees ook:

Anders boeren: voedsel én bouwmaterialen van het land

Wie aan landbouw denkt, denkt al snel aan voedselproductie. Bij Building Balance gaan ze echter voor een andere benadering. Vezelgewassen van het land, zoals vlas, hennep en olifantsgras, kunnen namelijk dienstdoen als duurzame bouwmaterialen. Om de markt voor biobased bouwmaterialen aan te wakkeren, zet de organisatie ketens op tussen Nederlandse boeren en bouwers. Biobased bouwmaterialen Door beton, staal en baksteen te vervangen door natuurlijke materialen kan de bouwsector zijn CO2-uitstoot en klimaatimpact fors verminderen. Tegelijkertijd is het een kans voor boeren, zegt Rob de Groot. Vanuit Building Balance activeert hij de agrarische sector om vezelgewassen te telen voor de bouw. “Biobased bouwen komt langzaam maar zeker op gang. Er wordt al veel met stro en vlas geïsoleerd. Het merendeel van die grondstoffen komt echter uit het buitenland. Daar is veel transport en CO2-uitstoot mee gemoeid, dus niet heel duurzaam. Wij willen de teelt hierheen halen zodat Nederlandse boeren perspectief en een nieuw businessmodel krijgen.” Positief Die wens is wederzijds, merkt hij. “Vanuit de agrarische sector is veel interesse om bouwmaterialen te telen. Boeren staan er positief tegenover. Er zit dan ook een goed verdienmodel in. Het is niet zo dat vezelgewassen bestemd voor de bouw kunnen concurreren met goed renderende producenten zoals aardappelen, suikerbieten en uien. Maar die kun je ook niet elk jaar telen op een perceel. Daar staat een rustgewas tegenover die minder rendeert. Dan is een vezelgewas zoals hennep interessant, want daar heeft een boer weinig werk aan. Het is een kwestie van zaaien, wachten en oogsten. Daarnaast geeft het een stukje verduurzaming. Vezelhennep heeft een positieve invloed op de bodemkwaliteit en voor de teelt zijn geen gewasbeschermingsmiddelen nodig.” Hennep Arjen van Buuren is zo’n akkerbouwer die biobased bouwmaterialen heeft opgenomen in het teeltplan. “Dit jaar zijn we begonnen met hennepteelt. Dat doen we op Landgoed Zenderense Es in Overijsel. De opbrengsten gaan naar HempFlax, dat hennep verwerkt in isolatiemateriaal, muren, dakconstructies en vloeren. Het land waarop de hennepplanten groeien, pachten we van stichting Twickel. Zij hebben ook veel vastgoed in beheer. Het plan is om de biobased materialen die van het land komen weer te verwerken in het vastgoed van de stichting. Zo is de cirkel rond.” Over de teelt is hij tevreden. “Dit jaar hadden we een goede opbrengst. Het is een makkelijk gewas en groeit heel snel. Hennep is competitief tegen onkruid en past goed in het biologische systeem waarin we werken omdat er geen chemie of bestrijdingsmiddelen aan te pas komen. Het is ook redelijk goedkoop. Het plantgoed van miscanthus (olifantsgras, red.), een ander vezelgewas, heeft een veel hogere aanschafprijs.” Zonnekroon Ook de afzetmogelijkheden pleiten voor hennep, vertelt Van Buuren. “We verbouwen bijvoorbeeld ook zonnekroon. Dat is een meerjarig vezelgewas. Een Duits bedrijf maakt er verpakkingsmateriaal van. Wij werken veel met verpakkingen, omdat we onze gewassen direct verkopen aan consumenten, restaurants en winkels. Een deel verwerken we, samen met lokale partners, tot streekproducten. Ook die moeten worden verpakt. Het idee ontstond om ons eigen, duurzame verpakkingsmateriaal te maken. Maar als je zowat de enige bent die zonnekroon teelt - ik denk dat het zo’n tien hectare beslaat in Nederland - dan is er geen fabriek die het verwerkt. Om met het spul helemaal naar Zuid-Duitsland te gaan, gaat ook wat ver. We zijn dus nog bezig om voor die grondstof een verwerker te vinden.” Opschalen In die zin is de markt voor bouwmaterialen nog bescheiden. De Groot ziet dat het ouderwetse kip-eiverhaal zich afspeelt. “Een bouwer gaat niet aan de slag met biobased grondstoffen als er misschien niet genoeg materialen voorhanden zijn. Een boer gaat zijn perceel niet vol zetten met vezelgewassen als hij niet zeker weet dat ze worden afgenomen. We zijn opgericht om die schaalvergroting te bereiken in zowel de landbouw als de bouw. Dat is belangrijk, want door opschaling kan die efficiëntieslag plaatsvinden en het rendement stijgen. Op kleine schaal blijft biobased bouwmateriaal duur en niet gecertificeerd. Neemt het volume toe, dan komt die certificering op gang. Teeltonderzoek, bijvoorbeeld naar manieren om de opbrengst te vergroten, wordt dan ineens mogelijk. Met een kleine teelt is er weinig animo om dergelijke onderzoeken te financieren. Opschaling zorgt dus voor kwantiteit en kwaliteit. Daarom maken we ons vanuit Building Balance hard voor die schaalvergroting. We zorgen ervoor dat agrariërs en afnemers elkaar kennen, dat er convenanten worden gesloten en dat vraag en aanbod op de lange termijn op elkaar worden afgestemd.”Rob de Groot activeert de agrarische sector om vezelgewassen te telen voor de bouw.Kostenplaatje Naast vraag en aanbod moet ook het kostenplaatje in balans zijn, zegt Van Buuren. “Dat is tweeledig. Voor bouwers is biobased bouwmateriaal vaak te duur. Veel bedrijven verkiezen goedkoop isolatiemateriaal nog altijd boven biobased isolatiemateriaal, tenzij duurzaam bouwen prioriteit heeft binnen de organisatie. Voor boeren is de marge juist te laag. Afgelopen jaar is de hennepteelt bij ons goed gelukt, maar de opbrengsten verschillen sterk. Hoe minder vezels van het land komen, hoe lager de opbrengst. De boer draagt dat ondernemersrisico. Wij zitten dan ook niet op de duurste grond. Zit je in de polder met grondprijzen tot twee ton, dan kan je het niet riskeren om te experimenteren met een vezelgewas dat misschien minder rendeert dan verwacht.” Subsidies De agrariër ziet een taak weggelegd voor de overheid. “In Overijssel zijn lokale subsidies opgetuigd voor het telen van bouwmateriaal. Dat is een mooie ondersteuning, maar daar wordt de teelt niet mee gedekt. Ik ben van mening dat het zonder subsidies zou moeten. De vraag moet vanuit de markt komen, zodat de prijs stijgt voor de boer. Regelgeving kan helpen om die vraag te stimuleren. Door als overheid te zeggen: 10 tot 20 procent van de bouwmaterialen in nieuwbouwprojecten moet biobased zijn, creëer je een markt. Wanneer bedrijven verplicht zijn om deels met duurzamere bouwmaterialen te werken, stijgt de vraag naar die grondstoffen. Dat gebeurt niet zolang het vrijblijvend is.” De Groot: “Ik denk dat subsidies nodig zijn om de markt aan te wakkeren en de teelt te starten. Ik zie het ook als leergeld voor boeren om vezelgewassen te leren kennen. Oogst een akkerbouwer tien ton hennep van één hectare, dan is dat een mooie opbrengst. Maar de eerste jaren wordt er soms maar vijf ton van het land gehaald. De teelt gaat niet op elk perceel meteen goed. Subsidies helpen om dat risico te dragen. Uiteindelijk moet de markt functioneren zonder ingrijpen van de overheid, maar in de opstartfase is het nodig.” Hij wijst naar een nieuwe regeling vanuit het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur waarbij carbon credits worden verhandeld. “Het ministerie kan straks certificaten kopen van een boer die vezelgewassen, bijvoorbeeld miscanthus, aanplant. De akkerbouwer krijgt meteen uitbetaald en kan op die manier rondkomen totdat de gewassen opbrengst genereren. Die credits worden overigens alleen betaald voor vezels die daadwerkelijk de bouw in gaan. Het is dus echt bedoeld voor gewassen bestemd voor de bouwsector. Vanuit Building Balance hebben we er mede voor gezorgd dat die regeling er komt. We zien het als een mooi initiatief om de markt aan te wakkeren.” Meer uit deze serie: Anders boeren: producten uit eigen moestuin worden culinaire hoogstandjesAnders boeren: voedselbos in Geldermalsen levert voedsel én natuur opAnders boeren: deze burgers beginnen gezamenlijk boerderijenAnders boeren: zeewier kweken tussen windmolens op de NoordzeeAnders boeren: efficiënt en pesticidevrij telen in verticale kassen