Eva Segaar 08 februari 2021, 11:48

Het aanleggen van een warmtenet is een complexe zaak, die samenwerking en durf vereist

Nederland wil in 2050 klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat niet alleen elektriciteit duurzaam moet worden opgewekt, maar dat uiteindelijk ook alle warmte duurzaam moet worden geleverd, en dat alle gebouwen van het aardgas af moeten. De aanleg van warmtenetten is een cruciaal onderdeel in het verduurzamen van gebouwen. Maar omdat er bij een warmtenet meerdere partijen zijn betrokken, is het ontwerp en exploitatie een complexe zaak, die samenwerking en durf vereisen.

Zaanstad warmtenet engie Aanleg van het warmtenet in Zaanstad, beeld: Engie

Afgelopen jaar leverde technisch dienstverlener en energieleverancier Engie samen met haar partners in de gemeente Zaanstad het eerste open warmtenet om woningen mee te verwarmen. ‘Open’ betekent dat er onafhankelijk netbeheer is, waarmee het toegankelijk is voor diverse warmtebronnen, – leveranciers en -afnemers. Volgens Jeanke van der Haar, manager business development bij Engie en verantwoordelijk voor duurzame gebiedsontwikkeling, is een warmtenet een goed duurzaam alternatief voor de gasgestookte cv-ketel. “En om een warmtenet te kunnen realiseren is samenwerking met andere publieke- en private partijen essentieel.”

Warmtenet in Zaandam-Oost

Het idee voor het Zaanse warmtenet ontstond op een bijeenkomst van de gemeente in oktober 2013. “Wij stelden als gemeente de belangen van de gebruikers centraal. Aan de ene kant moesten fabrieken betalen om hun warmte af te voeren, maar verderop willen mensen douchen,” blikt Jan Schreuder van de gemeente Zaanstad terug. De gemeente bracht de partijen – van netwerkbeheerders, leveranciers tot woningbouwcorporaties en de Zaanse industrie – bij elkaar om zo tot een duurzame oplossing te komen, want Zaanstad heeft het streven in 2040 een klimaatneutrale gemeente te zijn. Nu moesten ze nog op zoek naar een geschikte plek waar vraag en aanbod van de warmte betaalbaar bij elkaar komen.

Dat werd een buurt in Zaandam-Oost waar twee corporaties samen vijf flatgebouwen wilden verduurzamen en waaraan twee nieuwbouwlocaties gekoppeld werden, vertelt Van der Haar van Engie. In totaal werden 2.200 woningen aangesloten aan het warmtenet. Engie werd energieleverancier, en BioForte wilde duurzame warmte produceren met een biomassacentrale op basis van lokaal groen- en snoeiafval. Als partner voor het transport werd samengewerkt met Firan, een dochter van Alliander. De gemeente Zaanstad stapte met de Provincie Noord-Holland in als medeaandeelhouder van de infrastructuur om de kosten te drukken, en om sturing te geven aan de ontwikkelingen. Zo is ‘het Zaanse model’ ontstaan.

Lees ook: Datagestuurd laadpalenproject in Utrecht van start

Publiek-private samenwerking: het ‘Zaanse model’

Bijzonder aan het Zaanse project is de publiek-private samenwerking tussen gemeente, netwerkbeheerder en de warmteleverancier met de verschillende afnemers als woningbouwcorporaties, verenigingen van eigenaren, nieuwbouwontwikkelaars én scholen. Dit heeft geleid tot een warmtenet waar de infrastructuur in publieke handen is. De bronnen en de warmteleverancier worden door de afnemers zelf gekozen.

Hierin is gezamenlijk het systeemontwerp en de business case gemaakt, die voor alle partijen acceptabel is. Een intensief proces. “Alle partijen hebben verschillende belangen en kijken door hun eigen bril naar duurzame warmte. We hebben daarom veel tijd geïnvesteerd om elkaar beter te leren kennen en te begrijpen en om samen tot een overeenkomst te komen. Het heeft van iedereen gevraagd om vanuit elkaars perspectief te kijken, en het lef te tonen om anders te werken dan we tot nu toe deden. De gemeente Zaanstad zet hiermee een enorme stap in de verduurzaming van haar gemeente,” zegt Van der Haar.

De complexiteit van het opzetten van nieuwe warmtenetten wordt veroorzaakt door de veelheid aan betrokken partijen en de directe koppeling tussen de warmtebron en de afnemer. Een korte transportafstand is van belang omdat tijdens de distributie van het warme water door de leidingen naar de huizen er wel tot 20 procent aan warmte verloren kan gaan. Daarnaast is belangrijk te weten naar welke woningen het verwarmde water gaat, en de wijze waarop ze vandaag en straks geïsoleerd zijn. Afnemers hebben zo direct invloed op het systeem en de kosten: want hoe beter de woningen geïsoleerd zijn, hoe lager (en daarmee goedkoper) de temperatuur van het aangeleverde water hoeft te zijn.

Lees ook: Amsterdam knoopt warmtenetten aan elkaar voor meer duurzaamheid

Collectief warmtesysteem voor veel gebouwen de oplossing

Volgens Engie is een collectief warmtesysteem voor 30 tot 40 procent van de gebouwen uiteindelijk de betrouwbaarste en voordeligste oplossing. Daarbij is het organiseren van draagvlak essentieel, omdat je ingrijpt bij mensen thuis. En als potentiële afnemers afhaken zet dat het business model onder druk. Heldere communicatie over wat er staat te gebeuren bij de aanleg van een warmtenet is daarom belangrijk. “Collectieve warmtesystemen zijn net zoveel een technische, als een sociale en financiële opgave”, zegt Van der Haar. “Wij mengen ons dus in het publieke debat, om zo partijen het vertrouwen te geven dat het kán. Maar het kan alleen samen. Het is voor de energietransitie belangrijk dat we openstaan voor samenwerking met iedereen, met een belangrijke rol voor de mensen waar het uiteindelijk om gaat; de gebruikers.”

Voor Engie en de andere partijen was het warmtenet in Zaandam niet meteen een sluitende businesscase. “Het levert veel risico’s op, en een laag of zelfs geen rendement,” zegt Van der Haar. “En omdat iedereen daarmee worstelt, is het in deze publiek-private samenwerking belangrijk om kennis, ervaring en ook de risico’s onderling te verdelen. Bovendien zorgt het voor meer draagvlak onder de bewoners als er ook een publieke partij deelneemt.”

Als er uiteindelijk wordt gekozen om een warmtenet te ontwikkelen, zoals in Zaanstad is gedaan, is transparantie en wederzijds begrip binnen het consortium cruciaal. “Een bedrijf denkt in techniek en financiële rendementen, een woningbouwcorporatie denkt in maatschappelijke doelen en betaalbaarheid. Alleen als er onderling begrip is, kun je samen tot oplossingen komen,” zegt Van der Haar. Hij prijst daarom alle partijen, van woningbouwcorporaties tot netwerkbeheerders, voor hun lef. “Dat is het soort lef dat ik zie bij voorlopers en steeds meer gemeentes, en dat is wat we nodig hebben om duurzame initiatieven te realiseren en onze aarde niet verder uit te putten.”

Lees ook: Subsidie voor huurwoningen op warmtenet

Communicatie nooit genoeg

Jan Schreuder van het Zaanse warmtenet onderstreept dat. “We hebben het maar mooi met elkaar gefixt. Er waren tientallen redenen om ermee te stoppen, maar toch had iedereen de gezamenlijke wil om er wat van te maken, omdat het als waardevol wordt gezien. Dat vind ik knap van het gezelschap.” Schreuder noemt deze samenwerking een schoolvoorbeeld van hoe we warmtenetten kunnen realiseren. “De belangen van gebruikers zijn centraal gesteld, en de andere partners hebben zich daar op gericht.” Een aandachtspunt voor de gemeente blijft om de omgeving goed te informeren. “Communicatie is het belangrijkste aspect om mensen mee te krijgen, en het kan nooit genoeg zijn.”

Schreuder probeert via Vereniging van Nederlandse Gemeenten de aanstaande wet collectieve warmtevoorziening te verruimen, zodat er mogelijkheden ontstaan voor meer publiek-private samenwerkingen in de ontwikkeling van warmtenetten. Inmiddels zijn steeds meer gemeenten enthousiast geworden over deze vorm van de ontwikkeling van warmtenetten, en lopen er vergelijkbare ontwikkelingen in onder meer Arnhem, Delft, Haarlem en Roermond.

Lees ook: Waterstof opslaan in olie: hoe werkt het en wat zijn de voordelen?

“Circulariteit is niet één knopje; we moeten aan heel veel knoppen draaien”

Deze week staat in het teken van de circulaire economie. Een goed moment voor Croonwolter&dros om het gesprek aan te gaan over circulariteit. Voor de technisch dienstverlener gaat dat verder dan gerecyclede koffiebekertjes en één elektrische hijskraan op de bouwplaats, vertelt Smeets. “Circulariteit is niet één knopje; we moeten aan heel veel knoppen draaien.”De circulaire economie: een multidisciplinaire opgaveOnno Sminia, innovatiemanager infra, beaamt dat. “Circulariteit gaat over asset management, over duurzaamheid, over ketensamenwerking… Het gaat zelfs over digitalisering. Je moet toch weten wat je waar hebt hangen, wat de kwaliteit daarvan is en hoelang het nog meegaat. Circulariteit is een multidisciplinaire opgave.”De accenten liggen per bedrijfsdivisie iets anders. Dat komt door de markten waarin de divisies opereren (industrie, infra en utiliteit) en de opdrachtgevers met wie zij te maken hebben. Tegelijkertijd zijn de uitdagingen en kansen vergelijkbaar, net als de ambities. Zo blijkt uit een gesprek met Onno Sminia, verantwoordelijk voor infra, Jaap Reijntjes verantwoordelijk voor industrie en Gerben Broekhuijsen verantwoordelijk voor utiliteit. “Het leuke daarin vind ik dat wij elkaar als collega’s continu op scherp zetten”, merkt Reijntjes op.Meer aandacht voor circulariteitZowel vanuit de medewerkers als vanuit de klanten wordt de roep om circulariteit steeds luider. “Je zou kunnen zeggen dat we van alle kanten worden omsloten door dit thema”, zegt Sminia. In de praktijk betekent dit dat Croonwolter&dros steeds vaker het gesprek aangaat met leveranciers en opdrachtgevers. Zo heeft Reijntjes met een aantal klanten een periodiek duurzaamheidsoverleg, waarbij zij specifiek kijken welke stappen ze nog extra kunnen zetten. “Soms zijn het kleine stapjes, soms wat grotere, maar je houdt wel gezamenlijk die verantwoordelijkheid en betrokkenheid vast.”Keuzes makenSoms gaat het om keuzes maken, benadrukt Broekhuijsen. Hij geeft een pilotproject bij een grote financiële instelling in Amsterdam als voorbeeld. “Daar hebben we geleerd om samen met de opdrachtgever en de leveranciers een soort fit te vinden.” Zo kozen ze ervoor om de behuizing van de lamp, het armatuur, inclusief TL-lamp uit 1970 terug te sturen naar de fabrikant, die de lamp verving voor led. Ze spraken over eenzelfde aanpak voor de brandmeldinstallatie, maar dat bleek een stuk lastiger. Daarom besloten ze voor de verlichting te gaan. “Dat vond ik wel een mooi voorbeeld van interactie tussen leverancier en opdrachtgever en dat je als technisch dienstverlener dat gesprek dan faciliteert.”Het is ontzettend belangrijk om de opdrachtgever te betrekken in de circulaire plannen, zegt Broekhuijsen. “Anders is het een cijfertje op een begroting, en is het nogal schrikken. Zeker voor de opdrachtgever, want die krijgt een bestaand armatuur wat hij al in zijn pand heeft wat ongeveer twee keer zo duur is als een nieuw armatuur. Als je dat gesprek niet aangaat en niet uitlegt wat je doet en welke stappen je doorloopt, dan accepteren ze het gewoon niet.”Win-winTegelijkertijd hoeven circulaire oplossingen niet altijd duurder te zijn. Zo werkt Broekhuijsen met zijn collega’s in een werkplaats aan gestandaardiseerde installatieonderdelen. Van hun leverancier kregen zij regelkleppen, per stuk verpakt in een doosje met daaromheen plastic. “Als het binnenkwam zaten de mannen eerst al die kleppen eruit te halen. Dat kost ontzettend veel tijd!” Na overleg met de leverancier bleek dat deze het niet erg vonden om de kleppen op een andere manier aan te leveren. “Zij hebben een volledige verpakkingslijn die ze dan over kunnen slaan”, weet Broekhuijsen. Een win-win.Broekhuijsen en Sminia merken op dat er vaak een onterechte terughoudendheid heerst om het gesprek met leveranciers of opdrachtgevers aan te gaan. Terwijl zij in hun ervaring vaak enthousiast reageren. Daarom raden zij aan om vooral ambities uit te spreken, ook als regelgeving in de weg lijkt te zitten. “Als we het bespreken met onze opdrachtgevers en belanghebbenden, gaan er opeens deuren open. Dus het is heel belangrijk om dat gesprek aan te gaan.” Reijntjes vult aan dat het ook gaat om luisteren. “Soms moeten we gewoon luisteren naar iemand met een goed idee en dat nemen we dan mee naar onze opdrachtgever als een leverancier een goed idee heeft. Of andersom.” Diversiteit binnen het personeelsbestand helpt daarbij. “Het bevordert de dialoog en het bevordert ook het openstaan voor ideeën.” Hij merkt dat de sector daarin verandert. Vroeger kreeg een partij als Croonwolter&dros een letterlijke opdracht: dit moet je maken. Nu is het veel meer een samenspel. “En dan beweeg je ook sneller richting circulariteit.”Het belang van voorbeeldprojecten“We willen een magneet zijn voor innovatie”, zegt Smeets. Om dat te bereiken zijn voorbeeldprojecten en producten cruciaal, omdat leveranciers en opdrachtgevers Croonwolter&dros dan weten te vinden. Zo loopt er een pilot voor een verpakkingsvrije bouwplaats. Daarnaast vervangt het bedrijf verouderde hoogspanningsstations door intelligente modulaire stations. En ontwikkelt het een materialenpaspoort voor installaties binnen infrastructuurprojecten. “Die zijn aan de andere kant van de wereld geproduceerd en daar zitten zeldzame metalen zoals goud en zilver in. De impact daarvan is onderbelicht geweest in de discussie over circulariteit in de infra”, vindt Sminia.Smeets merkt op dat het ook gaat om impact tijdens het gebruik van producten. Zoals een vloerverwarmingspomp in woningen. Zo gebruikt de ene pomp minder dan 10 watt per uur, terwijl een vijftien jaar oude pomp wel 150 watt per uur verbruikt. Dat zijn ook zaken om over na te denken. Zo levert het aanpassen van een gebouwbeheersysteem soms veel meer op dan naar de bouwplaats rijden met een elektrische vrachtwagen, stelt Smeets. Als door het slim inzetten van sensoren de verlichting en verwarming alleen aan zijn als er mensen binnen zijn, maakt dat al een groot verschil. Hetzelfde geldt volgens hem voor tunnelverlichting. Via glasvezel en lenzen haalt Croonwolter&dros bij een van haar tunnelprojecten zonlicht van buiten de tunnel in waardoor overdag, juist als er veel tunnelverlichting nodig is, er veel minder kunstmatige lampen aan hoeven te gaan.Lees ook: De tunnel ligt er nog niet, maar de technici zitten al aan de knoppenDe uitdagingen van innovatieDit soort innovatieve oplossingen brengen ook uitdagingen met zich mee. Zo voldoet de eerder genoemde manier van ‘tunnelverlichting’ niet aan de normen, omdat deze niet met lampen worden verlicht. Ook komt Croonwolter&dros juridische uitdagingen tegen. Zo ontwikkelde de afdeling van Broekhuijsen een klimaatplafond dat aan de circulaire standaarden voldoet wat grondstofwaarde en herbruikbaarheidswaarde betreft. Alleen het circulaire verdienmodel ontbreekt, want dat is juridisch gezien ingewikkeld. Zodra je een plafond in een gebouw monteert, dan hoort het bij dat gebouw. Het liefst zou Broekhuijsen dat product leasen, want circulariteit gaat verder dan het product alleen. “Als iemand het alsnog weggooit, dan hebben we er niks aan gehad.”'Als iemand het alsnog weggooit, dan hebben we er niks aan gehad'Uitdagingen als deze weerhoudt Croonwolter&dros er niet van om stappen te zetten, benadrukt Sminia. “Het moet duidelijk zijn dat wij niet wachten op een magisch proces. Wij voelen ons deels verantwoordelijk en worden ook uitgedaagd door deze opgave. We willen deel zijn van de oplossing.” Hij heeft moeite met ambities gericht op 2050. “Iedereen verliest zijn urgentiegevoel als het woord 2050 valt.” Daarom is hij enthousiaster over de visie van de Nederlandse overheid voor 2030: om 50 procent van de grondstoffen circulair of biobased te hebben. “Dat is concreter, dat moet de stip op de horizon zijn. We moeten gewoon naar 2030 toewerken.”Broekhuijsen vult aan dat Croonwolter&dros vooral binnen de eigen invloedsfeer moet zoeken naar medepioniers. “De overheid komt wel met beleid en normeringen; belasting op materiaal versus arbeid. Dat gaat vast wel gebeuren, maar daar hebben wij nu geen invloed op. Waar wij nu invloed op hebben is die pionier-projecten doen met opdrachtgevers die dat ook daadwerkelijk ambiëren en samen met ons die zoektocht aangaan, want dat brengt ons echt in een stroomversnelling.”Lees ook: Opvallendste innovaties tijdens de week van de circulaire economie 2021