Katjana Cabenda 04 juni 2012, 18:26

Kosten biobrandstof overstijgen baten

Onderzoekers van de Wageningen Universiteit hebben de balans opgemaakt – de kosten van fosfaatuitputting voor de productie van biobrandstof overstijgen de baten van verminderde CO2-uitstoot. Zonne- en windenergie en biogas vormen betere duurzame alternatieven.

2895964373 1f7f33a6b8 o e1338811499216

De productie van gewassen als koolzaad, maïs, palmolie en suikerbiet voor biobrandstof kent grotere kosten van fosfaatuitputting ten opzichte van de baten van verminderde CO2-uitstoot. Dit stellen onderzoekers van Wageningen Universiteit (WUR) in een recent rapport. Andere bronnen van duurzame energie, zoals zon, wind en biogas vormen betere alternatieven.

De resultaten van de onderzoekers van de WUR zijn onlangs in het internationale tijdschrift Ambio gepresenteerd.

Gevaar

Naast de productie van landbouwgewassen, vereist ook de productie van biobrandstoffen fosfaat-kunstmest. Voor biobrandstoffen is momenteel 2 procent van de wereldproductie aan fosfaat nodig – dit percentage zal in de toekomst alsmaar stijgen vanwege de verplichting van het bijmengen van biobrandstof in benzine en diesel in Europa.

In 2009 deed de Milieudefensie met het rapport Failing governance – Avoiding responsibilities al een oproep tegen het gebruik van palmolie als biobrandstof. In Nederland bevat elke liter benzine of diesel tegenwoordig ongeveer 4 procent biobrandstoffen. De onderzoekers van de WUR stellen nu dat het verplichte bijmengen de eindige voorraden van fosfaat, en daarbij dus ook de wereldvoedselproductie, in gevaar brengt.

Bijstellen

Op basis van de bevinding dat biobrandstoffen niet zo duurzaam zijn als gedacht, stellen de onderzoekers dat de beleidsdoelstellingen voor het bijmengen met biobrandstoffen moeten worden bijgesteld. Volgens hen zijn er tegenwoordig betere alternatieven voor duurzame energie, waaronder biogas.

Bron: WUR

Foto: woodleywonderworks

60 miljoen nieuwe banen in groene economie

ene economie kan 60 miljoen nieuwe banen opleveren. Dat is meer dan voldoende om mogelijk banenverlies in vervuilende industrieën te compenseren. In een nieuw rapport van de Verenigde Naties (VN) wordt duidelijk dat het verduurzamen van belangrijke sectoren zoals landbouw, energie, bouw en transport wereldwijd al tientallen miljoenen banen heeft gecreëerd. Daar kunnen naar schatting nog eens 60 miljoen banen bijkomen bij de overgang naar een schonere industrie en energievoorziening. De VN maken duidelijk dat dit aantal nieuwe banen meer dan voldoende zal zijn om mogelijk banenverlies in CO2-intensieve industrieën te compenseren. “Duurzaamheid leidt niet tot banenverlies, zoals soms wordt geclaimd,” zei Juan Somavia, directeur-generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), een onderdeel van de VN. “In tegendeel, als (duurzaamheid) op de juiste manier wordt gemanaged, kan het leiden tot betere banen en minder armoede.” Het rapport wijst uit dat in ontwikkelde landen 15 industrieën gezamenlijk 80 procent van de CO2-uitstoot voor hun rekening nemen. In deze industrieën bevindt zich slechts acht procent van alle banen. Een vergroening van de economie heeft daarmee een beperkt effect. Ontwikkeling De VN ziet vooral het betrekken van het mkb als de ‘juiste manier’ van managen. De organisatie raadt overheden aan om werknemers op te leiden en de verduurzaming van productieprocessen te stimuleren. Dat moet in ontwikkelde landen kunnen leiden tot een uitbreiding van 0,5 tot 2 procent van de arbeidsmarkt. In ontwikkelingslanden is het potentieel nog veel groter, aangezien deze landen vervuilende technologieën kunnen overslaan en in één keer naar een groene economie kunnen springen. Brazilië heeft zo al meer dan drie miljoen groene banen gecreëerd, zeven procent van de totale werkgelegenheid. Somavia noemde de aanstaande Rio+20-top een ‘cruciaal moment’ om de verduurzaming van de economie verder te helpen. “Het huidige economische model heeft zich bewezen inefficiënt en onhoudbaar te zijn, niet alleen voor het milieu, maar ook voor de economie en maatschappij.” Foto: Michel Laurence