Rianne Lachmeijer 01 november 2021, 17:31

ABP weer nummer 1 in VBDO-lijst duurzaam beleggen door pensioenfondsen. Hoe zit dat?

Ondanks dat duurzaam beleggen inmiddels bij veel pensioenfondsen gemeengoed is, vertaalt dat zich nog niet naar een duurzame wereld. Dat concludeert de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling (VBDO) naar aanleiding van een onderzoek onder de vijftig grootste, Nederlandse pensioenfondsen. ABP eindigt dit jaar wederom bovenaan, terwijl het pensioenfonds afgelopen maanden onder vuur lag vanwege beleggingen in fossiele bedrijven. Hoe zit dat?

VBDO illustratie voorkant benchmark pensioenfondsen Veel mee pensioenfondsen doen aan duurzaam beleggen, toch is de wereld nog niet veel duurzamer. | Credits: VBDO

Jaarlijks onderzoekt de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling VBDO het verantwoord beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen. De benchmark beoordeelt de vijftig grootste pensioenfondsen van Nederland die samen 89 procent (1.540 miljard euro) van het pensioenvermogen beheren. ABP is voor het vierde jaar op rij het hoogst scorende pensioenfonds met een score van 4,0 uit een maximum van 5. Na ABP volgen BpfBouw (3,9) en PME (3,6). Wellicht verrassend dat ABP het beste scoort vanwege de kritiek die het fonds afgelopen jaar kreeg op het fossiele beleid. Maar dat is dan ook niet waarop de VBDO oordeelt.

“Het gaat om een vergelijking. Dus een hoge score zegt vooral dat het ene pensioenfonds het beter doet dan een ander en bijna alle pensioenfondsen zitten nog in fossiel. Wij kijken verder duurzaamheid breed, wat veel verder gaat dan alleen wel of niet in fossiel beleggen. De scores worden onder andere bepaald door na te gaan hoe de fondsen presteren op beleid en uitvoering. We gaan daarbij niet precies na wát er in een portefeuille zit, maar kijken vooral hoe deze tot stand komt en onder welk bestuur”, laat VBDO-woordvoerder Olivier Hofman weten.

Lees ook: Op papier scoren pensioenfondsen beter op duurzaamheid, maar de praktijk blijft achter

Duurzaam beleggen

Negen van de tien pensioenfondsen gebruikt instrumenten voor duurzaam beleggen. Zo kiest 92 procent er inmiddels voor om uit onethische bedrijven te stappen. Een voorbeeld daarvan zijn tabaksbedrijven. Daarnaast kiest 86 procent ervan om het gesprek aan te gaan met bedrijven die moeten verbeteren. Denk aan gesprekken met grote kledingmerken. En aan ESG-integratie doet 88 procent. Dat betekent echter niet dat de wereld veel duurzamer wordt.

Wat is ESG-integratie?

Als investeerders het over duurzaamheid hebben, gebruik zij vaak de afkorting ESG. Dat staat voor environmental, social en governance. ESG-integratie betekent dat een belegger systematisch milieu-, sociale en bestuurlijke factoren meeneemt in de financiële analyse van bedrijven. Het gaat vooral om risico’s verminderen.

Lees ook: Zeven manieren om duurzaam te beleggen

Verschil in de echte wereld

“De wereld is nog niet duurzaam”, concludeert VBDO-projectmanager Xander Urbach bij de lancering van de nieuwste benchmark. Hij vindt dat de implementatie van verantwoord beleggen nog te weinig effect heeft op de wereld. Hoe valt dat te veranderen? “Ontwikkel een klimaatstrategie”, zegt Urbach. Meer dan de helft van de pensioenfondsen voldoet namelijk nog niet aan het klimaatcommitment en minder dan één op de vijf fondsen heeft een duidelijke strategie om de CO2-uitstoot van de beleggingen terug te dringen. Kortom, er moet nog een tandje bij.

Met hun klimaatplannen gaan de Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en banken de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs niet halen. Wat kan er beter?

Aantal deelauto’s groeit, maar blijft achter bij verwachtingen

De cijfers laten zien dat het aantal deelauto’s nog steeds groeit, net als het aantal mensen dat gebruik maakt van een deelauto. Ongeveer twee procent van de mensen met een rijbewijs maakte ooit gebruik van een deelauto. Dat lijkt weinig, maar in 2015 was dat nog maar een procent; het aantal is dus meer dan verdubbeld in vijf jaar tijd. Verwachtingen voor deelauto's Of die groei snel genoeg gaat? Dat valt te bezien. In de Green Deal Autodelen spraken de overheid en leasebedrijven af dat er in 2018 100.000 deelauto’s moesten zijn. Later werd het streefjaar bijgesteld naar 2021. Maar ook dit jaar zal dit streefgetal niet gehaald worden; volgens Crow staan er 87.000 door heel Nederland. Hierbij gaat het zowel om wagens van deelbedrijven (zoals de Greenwheels), en om wagens die particulier gedeeld worden via een app (zoals Snappcar). Waarom zijn de deelauto’s niet populairder? Terugkijkend noemt hoogleraar transportbeleid Bert van Wee autodelen in een gesprek met het AD ‘een hype’. “Deelauto’s zouden gangbaar worden, omdat het goedkoper en praktischer zou zijn. In de praktijk blijken mensen liever de beschikking te hebben over een eigen auto.” De kosten van deelauto’s zijn in veel gevallen inderdaad relatief hoog, ook in vergelijking met het huren van een auto bij een klassiek huurbedrijf. Positieve kanten Toch laten de cijfers van Crow ook positieve dingen zien. Het stimuleren van autodelen werkt: gemeenten die meededen met de City Deal elektrische deelmobiliteit, zoals Amstelveen en Amersfoort, staan nu in de top 10 van gemeenten met de meeste deelauto’s per 100.000 inwoners. Wel voeren de grote steden Utrecht en Amsterdam nog steeds de lijst aan; vooral Utrecht imponeert met bijna 2000 deelauto’s per 100.000 inwoners. Al met al versnelt het aantal deelauto’s wel. Zo werd het wagenpark in 2020 met 13.000 auto’s extra een stuk groter dan de jaren ervoor en is er nog steeds sprake van stijgende groei. De cijfers laten zien dat een belangrijk deel van de groei van ‘business carsharing’ komt, een nieuwere vorm van autodelen waarin een bedrijf een wagenpark heeft waar alle werknemers gebruik van kunnen maken. Hoe kan het beter? Het Kennisinstituut voor Mobiliteit dat een paar maanden geleden een rapport over autodelen publiceerde, heeft suggesties om het delen van een auto populairder te maken. Als het in (binnen)steden lastiger of duurder wordt om de auto te parkeren, zullen minder mensen kiezen voor een eigen wagen en groeit de populariteit van de deelauto's. Maar of dat echt zo is moet nog wel blijken, er is nog geen gemeente die actief op deelauto’s inzet door parkeren duurder te maken. In de steden waar parkeren lastig is zijn deelauto’s wel populairder (Amsterdan en Utrecht), maar dat kan ook komen doordat er relatief veel mensen wonen. Voor veel planologen is de deelauto een vorm van duurzame mobiliteit, zeker nu steeds meer deelauto’s elektrisch zijn (13 procent, tegenover 3,1 procent van het totale Nederlandse wagenpark). Door een auto te delen neemt hij bovendien minder ruitme in. Naast het openbaar vervoer kan een auto die je af en toe gebruikt voor langere ritten ervoor zorgen dat mensen geen eigen auto meer willen, wat ook zorgt voor minder druk op de openbare ruimte. De tijd zal het leren of er de komende jaren een versnelling komt in het aantal mensen dat deelauto’s interessant vindt.