Dat de energietransitie de wereld gaat veranderen is duidelijk. De transitie vraagt niet alleen om een nieuwe infrastructuur, maar geeft ons ook toegang tot de theoretisch vrijwel ongelimiteerde energie uit zon en wind.
Nu zijn het vooral de rijke landen die daarvan profiteren. Als we zo doorgaan, betalen gemarginaliseerde mensen opnieuw de hoogste prijs, stelt non-profitorganisatie Oxfam in het rapport ‘Unjust transition: Reclaiming the energy future from climate colonialism’. Daarbij gaat het niet alleen om bijvoorbeeld oorspronkelijke bewoners en mijnwerkers, maar ook om volgende generaties.
Het kan ook anders, volgens Oxfam. De energietransitie biedt een kans ‘om onze economieën te hervormen rondom gelijkheid, rechtvaardigheid, zorg en collectief welzijn’.
Arme landen verdienen weinig aan kritieke grondstoffen
Ons wereldbeeld is gebaseerd op koloniale denkbeelden, en dat geldt ook voor de energietransitie. De windmolens en zonnepanelen die helpen om CO2-reductiedoelen te behalen, worden gemaakt van mineralen die in het mondiale zuiden voor ongelijkheid zorgen – en waar die landen bovendien bijna niets aan verdienen. Ongeveer driekwart van de wereldwijde mijnbouwproductie wordt gecontroleerd door bedrijven met een hoofdkantoor in een rijk land. Ook zonne- en windparken in het mondiale zuiden zijn vaak afhankelijk van westerse investeerders, die hoge rendementen krijgen.
Als voorbeeld neemt Oxfam een auto van Tesla. Dat bedrijf maakt ruim 3.000 euro winst per verkochte elektrische auto. Daarin zit zo’n 3 kilo kobalt, veelal afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC). Dat land ontvangt per verkochte auto slechts 10 dollar aan royalty’s.
Congo produceert bijna driekwart van het kobalt in de wereld, maar behoudt slechts 14 procent van de omzet uit de keten. Zou het de volledige opbrengsten van de kobaltindustrie innen, dan zou dat jaarlijks ruim 4,1 miljard dollar extra opleveren – genoeg om de helft van zijn inwoners toegang te geven tot hernieuwbare energie.
Land van oorspronkelijke, inheemse bevolkingen bedreigd
De uitrol van infrastructuur voor groene energie en andere industriële activiteiten legt een flink beslag op land dat toebehoort aan oorspronkelijke, inheemse bevolkingen. Momenteel wordt 60 procent van dat land – in totaal een gebied van 22,7 miljoen vierkante kilometer dat grofweg de omvang heeft van Brazilië, de VS en India bij elkaar – bedreigd door industriële ontwikkeling die te maken heeft met de energietransitie, aldus Oxfam.
Slechts 2% van investeringen in schone energie komt van Afrika
Landen met lage inkomens hebben vaak niet genoeg middelen hebben om in schone energie te investeren. Vorig jaar waren rijke landen goed voor 50 procent van de investeringen in schone energie, China voor 29 procent en Afrika voor slechts 2 procent. Dat terwijl 85 procent van de mensen zonder toegang tot elektriciteit in Sub-Sahara-Afrika woont.
De meeste publieke klimaatfinanciering van rijke landen is bovendien geen gift, maar een lening. Arme landen, die de klimaatcrisis niet zelf veroorzaakt hebben, maar wel kwetsbaar zijn voor de gevolgen ervan, worden daardoor dieper in de schulden gedwongen, stelt Oxfam. Nu al hebben zogenoemde ontwikkelingslanden een schuld bij de VS die wel dertig keer zo hoog is als het bedrag dat nodig is om de hele wereld aan schone energie te helpen.
Arme landen worden daarnaast vaak benadeeld in handelsverdragen. Zo zorgt het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) van de EU ervoor dat Afrikaanse exporteurs hoge heffingen moeten betalen over producten waarvan hun economie afhankelijk is. En clausules over investeerder-staatsarbitrage (ISDS) geven rijke multinationals veel macht als arme landen milieubeleid willen voeren.
Kans voor radicale gelijkheid
Maar er is hoop, stelt Oxfam. De energietransitie biedt een zeldzame kans om het roer volledig om te gooien. Dat is ‘zowel een morele plicht als een effectieve strategie voor klimaatmitigatie’. Bijna driekwart van het ongebruikte potentie voor hernieuwbare energie bevindt zich immers in het mondiale zuiden. Minder dan 1 procent van de jaarlijkse zonne-energie uit de Sahara kan het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika een jaar lang van stroom voorzien.
De oplossingen laten zich gemakkelijk raden – al zal de uitvoering moeilijker worden. Oxfam dringt aan op een hervorming van handels- en investeringssystemen, zodat de toegevoegde waarde veelal in exporterende landen blijft. Schulden van arme landen moeten worden kwijtgescholden, klimaatfinanciering moet omhoog om emissies uit het verleden te compenseren.
Herverdeling van energie
Klinkt abstract? Klopt. Maar de invulling is concreter. Zo pleit de ngo voor afschaffing van het ISDS-systeem en herziening van het CBAM, onder meer door heel arme landen vrij te stellen en inkomsten te gebruiken als klimaatfinanciering voor het mondiale zuiden. Via het UN Framework Convention on International Tax Cooperation kunnen wereldwijde belastinghervormingen worden doorgevoerd om winstverschuiving door multinationals tegen te gaan. Rijke landen moeten niet leunen op carbon credits om hun reductiedoelen te bereiken, maar het gewoon zelf doen. En wat betreft de klimaatfinanciering: die is al vastgelegd in het Klimaatakkoord van Parijs.
Opvallend is de focus van het rapport op een herverdeling van energie. Inwoners van arme landen moeten niet alleen meer toegang krijgen tot energie – duizend kilowattuur per persoon per jaar is het moderne energieminimum, stelt Oxfam – maar rijke landen moeten het ook minder gebruiken. Nu verbruikt de rijkste 10 procent van de wereld de helft van de energie, terwijl de armste 50 procent het met minder dan een tiende doet.
Klimaatconferentie COP30 als startpunt
De klimaatconferentie COP30, die in november zal plaatsvinden in Brazilië, zou het begin kunnen zijn van deze radicale gelijkheid. Honderden milieu- en mensenrechtenorganisaties hebben er al bij de organisatie op aangedrongen om te erkennen dat kolonialisme heeft geleid tot wereldwijde ongelijkheid in de toegang tot hulpbronnen, en herstelbetalingen op de agenda te zetten.
Maar of dat ook gaat gebeuren is nog maar de vraag. COP29 stond vorig jaar ook in het teken van het mobiliseren van meer geld voor klimaatactie in arme landen. Maar waar de landen in kwestie meenden jaarlijks minimaal 1.300 miljard dollar aan klimaatsteun nodig te hebben, wilden rijke landen slechts 300 miljard dollar toezeggen. De eindtekst van COP29 bevat weliswaar een oproep aan alle landen om het totaalbedrag op te krikken naar 1.300 miljard, maar omdat de oproep vrijblijvend is, bestempelden velen de ‘finance-COP’ in Bakoe als mislukt.



