Maaike Kooijman
29 september 2025, 16:27

De energietransitie kan de wereld radicaal gelijker maken – maar het roer moet nu om

Slavernij mag dan twee eeuwen geleden zijn afgeschaft, de gevolgen van kolonialisme werken nog altijd door. Het zijn nu niet cacao en nootmuskaat die we uit arme landen halen, maar grondstoffen voor windmolens en elektrische auto’s. Doen we het anders, dan kan de transitie een katalysator zijn voor een wereldwijd gelijkere samenleving, stelt Oxfam.

Congo produceert bijna driekwart van het kobalt voor de energietransitie Congo produceert bijna driekwart van het kobalt voor de energietransitie, maar behoudt slechts 14 procent van de omzet uit de keten. | Credits: Getty Images

Dat de energietransitie de wereld gaat veranderen is duidelijk. De transitie vraagt niet alleen om een nieuwe infrastructuur, maar geeft ons ook toegang tot de theoretisch vrijwel ongelimiteerde energie uit zon en wind.

Nu zijn het vooral de rijke landen die daarvan profiteren. Als we zo doorgaan, betalen gemarginaliseerde mensen opnieuw de hoogste prijs, stelt non-profitorganisatie Oxfam in het rapport ‘Unjust transition: Reclaiming the energy future from climate colonialism’. Daarbij gaat het niet alleen om bijvoorbeeld oorspronkelijke bewoners en mijnwerkers, maar ook om volgende generaties.

Het kan ook anders, volgens Oxfam. De energietransitie biedt een kans ‘om onze economieën te hervormen rondom gelijkheid, rechtvaardigheid, zorg en collectief welzijn’.

Arme landen verdienen weinig aan kritieke grondstoffen

Ons wereldbeeld is gebaseerd op koloniale denkbeelden, en dat geldt ook voor de energietransitie. De windmolens en zonnepanelen die helpen om  CO2-reductiedoelen te behalen, worden gemaakt van mineralen die in het mondiale zuiden voor ongelijkheid zorgen – en waar die landen bovendien bijna niets aan verdienen. Ongeveer driekwart van de wereldwijde mijnbouwproductie wordt gecontroleerd door bedrijven met een hoofdkantoor in een rijk land. Ook zonne- en windparken in het mondiale zuiden zijn vaak afhankelijk van westerse investeerders, die hoge rendementen krijgen.

Als voorbeeld neemt Oxfam een auto van Tesla. Dat bedrijf maakt ruim 3.000 euro winst per verkochte elektrische auto. Daarin zit zo’n 3 kilo kobalt, veelal afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC). Dat land ontvangt per verkochte auto slechts 10 dollar aan royalty’s.

Congo produceert bijna driekwart van het kobalt in de wereld, maar behoudt slechts 14 procent van de omzet uit de keten. Zou het de volledige opbrengsten van de kobaltindustrie innen, dan zou dat jaarlijks ruim 4,1 miljard dollar extra opleveren – genoeg om de helft van zijn inwoners toegang te geven tot hernieuwbare energie.

Land van oorspronkelijke, inheemse bevolkingen bedreigd

De uitrol van infrastructuur voor groene energie en andere industriële activiteiten legt een flink beslag op land dat toebehoort aan oorspronkelijke, inheemse bevolkingen. Momenteel wordt 60 procent van dat land – in totaal een gebied van 22,7 miljoen vierkante kilometer dat grofweg de omvang heeft van Brazilië, de VS en India bij elkaar – bedreigd door industriële ontwikkeling die te maken heeft met de energietransitie, aldus Oxfam.

Slechts 2% van investeringen in schone energie komt van Afrika

Landen met lage inkomens hebben vaak niet genoeg middelen hebben om in schone energie te investeren. Vorig jaar waren rijke landen goed voor 50 procent van de investeringen in schone energie, China voor 29 procent en Afrika voor slechts 2 procent. Dat terwijl 85 procent van de mensen zonder toegang tot elektriciteit in Sub-Sahara-Afrika woont.

De meeste publieke klimaatfinanciering van rijke landen is bovendien geen gift, maar een lening. Arme landen, die de klimaatcrisis niet zelf veroorzaakt hebben, maar wel kwetsbaar zijn voor de gevolgen ervan, worden daardoor dieper in de schulden gedwongen, stelt Oxfam. Nu al hebben zogenoemde ontwikkelingslanden een schuld bij de VS die wel dertig keer zo hoog is als het bedrag dat nodig is om de hele wereld aan schone energie te helpen.

Arme landen worden daarnaast vaak benadeeld in handelsverdragen. Zo zorgt het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) van de EU ervoor dat Afrikaanse exporteurs hoge heffingen moeten betalen over producten waarvan hun economie afhankelijk is. En clausules over investeerder-staatsarbitrage (ISDS) geven rijke multinationals veel macht als arme landen milieubeleid willen voeren.

Kans voor radicale gelijkheid

Maar er is hoop, stelt Oxfam. De energietransitie biedt een zeldzame kans om het roer volledig om te gooien. Dat is ‘zowel een morele plicht als een effectieve strategie voor klimaatmitigatie’. Bijna driekwart van het ongebruikte potentie voor hernieuwbare energie bevindt zich immers in het mondiale zuiden. Minder dan 1 procent van de jaarlijkse zonne-energie uit de Sahara kan het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika een jaar lang van stroom voorzien.

De oplossingen laten zich gemakkelijk raden – al zal de uitvoering moeilijker worden. Oxfam dringt aan op een hervorming van handels- en investeringssystemen, zodat de toegevoegde waarde veelal in exporterende landen blijft. Schulden van arme landen moeten worden kwijtgescholden, klimaatfinanciering moet omhoog om emissies uit het verleden te compenseren.

Herverdeling van energie

Klinkt abstract? Klopt. Maar de invulling is concreter. Zo pleit de ngo voor afschaffing van het ISDS-systeem en herziening van het CBAM, onder meer door heel arme landen vrij te stellen en inkomsten te gebruiken als klimaatfinanciering voor het mondiale zuiden. Via het UN Framework Convention on International Tax Cooperation kunnen wereldwijde belastinghervormingen worden doorgevoerd om winstverschuiving door multinationals tegen te gaan. Rijke landen moeten niet leunen op carbon credits om hun reductiedoelen te bereiken, maar het gewoon zelf doen. En wat betreft de klimaatfinanciering: die is al vastgelegd in het Klimaatakkoord van Parijs.

Opvallend is de focus van het rapport op een herverdeling van energie. Inwoners van arme landen moeten niet alleen meer toegang krijgen tot energie – duizend kilowattuur per persoon per jaar is het moderne energieminimum, stelt Oxfam – maar rijke landen moeten het ook minder gebruiken. Nu verbruikt de rijkste 10 procent van de wereld de helft van de energie, terwijl de armste 50 procent het met minder dan een tiende doet.

Klimaatconferentie COP30 als startpunt

De klimaatconferentie COP30, die in november zal plaatsvinden in Brazilië, zou het begin kunnen zijn van deze radicale gelijkheid. Honderden milieu- en mensenrechtenorganisaties hebben er al bij de organisatie op aangedrongen om te erkennen dat kolonialisme heeft geleid tot wereldwijde ongelijkheid in de toegang tot hulpbronnen, en herstelbetalingen op de agenda te zetten.

Maar of dat ook gaat gebeuren is nog maar de vraag. COP29 stond vorig jaar ook in het teken van het mobiliseren van meer geld voor klimaatactie in arme landen. Maar waar de landen in kwestie meenden jaarlijks minimaal 1.300 miljard dollar aan klimaatsteun nodig te hebben, wilden rijke landen slechts 300 miljard dollar toezeggen. De eindtekst van COP29 bevat weliswaar een oproep aan alle landen om het totaalbedrag op te krikken naar 1.300 miljard, maar omdat de oproep vrijblijvend is, bestempelden velen de ‘finance-COP’ in Bakoe als mislukt.

Lees ook:

Deze Nederlandse startup zorgt ervoor dat je Adidas-sneaker straks loopt op zaagsel

Mevaldi maakt plastic uit suikers. Die komen uit plantaardig afval, met een mooier woord reststromen genoemd. In het geval van het Limburgse biotechbedrijf uit houtafval. Zaagsel dus.Een leverancier haalt de suikers uit het zaagsel en levert die aan Mevaldi. Dat fermenteert de suikers – een soort bierbrouwen – en maakt er daarna 3MPD met de naam Pentonext van: een grondstof voor plastic dat ook een tweede en derde keer gebruikt kan worden. Dubbel duurzaam dus. Die suikers kun je ook uit resten van suikerbieten, mais of andere granen halen als er niet genoeg houtsuiker voorhanden is. Daarom wil Mevaldi met meerdere leveranciers werken. Met Adidas de wereld over De toepassingen van 3MPD zijn legio, zegt chief commercial officer Kristel de Ridder van Mevaldi. ‘Wij weten zelf nog niet waarvoor het allemaal gebruikt kan worden. Daarom zijn we steeds op zoek naar nieuwe ideeën.’Waar het al wel in gebruikt wordt: verf, lijm en schoenzolen. De grondstof zit in de duurdere coatings en lijmen voor industrieel gebruik. ‘Dus niet in de verf die je thuis op de muur smeert en ook niet in knutsellijm’, zegt De Ridder.Van 3MPD kun je ook elastomeren voor schoenzolen maken. Daarvoor gaat Mevaldi samenwerken met sportmerk Adidas, dat de zolen van zijn sneakers ervan gaat maken. De Ridder: ‘Daar gaan we samen in groeien. Bij schoenzolen gaat het over grotere hoeveelheden en adresseer je meteen een grote internationale markt.’Verder wordt de grondstof gebruikt voor isolatiemateriaal in woningbouw en voor recyclebaar schuim in matrassen. Mevaldi uitzondering op malaise De startup is een exponent van de groene chemie, die biobased grondstoffen voor plastics wil maken: zonder olie en met minder CO2-uitstoot. Met die sector gaat het momenteel niet zo goed in Nederland. Groene chemiebedrijven kampen namelijk met dezelfde problemen als plasticrecyclingbedrijven: door goedkoop fossiel plastic uit China en de VS worden ze te duur en kunnen ze niet op prijs concurreren. Daarom zijn investeerders huiverig om in te stappen, kunnen nieuwe innovaties niet opschalen en gaan zelfs bedrijven failliet.In al die malaise is Mevaldi een positieve uitzondering. Het Nederlandse biotechbedrijf rondde in september een succesvolle investeringsronde af, waardoor het wel kan opschalen. Op weg naar prijs-pariteit Vanaf volgend jaar wil Mevaldi grote hoeveelheden 3MPD gaan produceren. Het grote verschil met gerecycled plastic en andere biobased grondstoffen: Mevaldi levert die grondstof straks tegen dezelfde prijs als de fossiele variant en is dus wel concurrerend in de markt.‘Door de manier waarop wij ons product maken is het voor ons beter haalbaar om concurrerend te zijn op prijs’, zegt De Ridder. ‘We gaan voor prijs-pariteit, dus hetzelfde prijsniveau als de fossiele variant. Daar willen we zo snel mogelijk zien te komen. In die periode daartussen hebben we investeringen en subsidies nodig.’ Gebruikmaken van bestaande fabrieken Hoe is dat mogelijk? Onder meer door gebruik te maken van bestaande reactorvaten en capaciteit in te kopen bij fabrieken van andere bedrijven. ‘We proberen bestaande productiefaciliteiten te gebruiken om ons product te maken’, zegt De Ridder. ‘In de biobased chemie zou je verwachten dat je een demofabriek gaat bouwen, maar dat kost heel veel geld en dat duurt heel lang. Als je in bestaande fabrieken ook uit de voeten kunt, waarom zou je dan zoveel geld investeren?’Uiteindelijk zal er wel een fabriek gebouwd worden, aldus de cco. ‘Maar dan gaan we meteen voor een grotere fabriek en niet voor een tussenstap. Dus niet voor een demofabriek, maar voor wat ze een flagshipfabriek noemen. Het zou mooi zijn als die in 2030 gebouwd wordt.’ Opschalen vanuit het lab Mevaldi werd in 2020 opgericht door drie mensen, van wie alleen Erik Rutten nog als cto in de directie zit. Rutten werkte 25 jaar in de R&D voor DSM. Op zoek naar innovaties ontdekte hij deze technologie. Na zijn DSM-tijd richtte hij met anderen Mevaldi op om de technologie verder in de markt te zetten.Het bedrijf is gevestigd in de zogeheten Startup Loft op de Brightlands Chemelot Campus in Geleen, het vroegere DSM-terrein. Daar zitten diverse startups en initiatieven op het gebied van groene chemie en circulaire economie bij elkaar. Dat biedt allerlei voordelen. Ze hebben bijvoorbeeld toegang tot meetapparatuur en kennis, ze kunnen via onderzoekslab CHILL studenten inhuren voor onderzoek en – heel belangrijk voor Mevaldi – ze kunnen test-runs doen in de aanwezige proeffabrieken. ‘Daar hebben we de eerste jaren veel gebruik van gemaakt’, zegt De Ridder. ‘In de proeffabriek hebben we onze eerste kilogrammen gemaakt en konden we opschalen vanuit het lab. Nu moeten we opschalen van kilogrammen naar tonnen.’[caption id="attachment_165728" align="alignnone" width="900"] Het team van Mevaldi, v.l.n.r.: cco Kristel de Ridder, ceo Roger Ottenheym en cto Erik Rutten. | Credits: Mevaldi[/caption] Twee Duitse investeerders gevonden Om op te schalen is geld nodig. In Nederland mijden investeerders momenteel de groene chemie, stelt De Ridder. In Duitsland niet, dus ging Mevaldi de grens over. ‘Vanuit Geleen is Frankfurt net zo ver als Amsterdam.’In die Duitse stad vond het bedrijf twee partners annex investeerders. Met het High-Tech Gründerfonds (HTGF) vond het bedrijf een kapitaalverstrekker aan startups, met meer dan 1,4 miljard aan aandelen in 700 bedrijven. ‘Mevaldi’s technologie heeft het potentieel om de productie van duurzame materialen fundamenteel te veranderen’, stelt Lena-Sophie Schütter van HTGF. ‘Met opschaling kan hun platform een sleutelrol gaan spelen in de toekomst van groene chemie.’De andere belangrijke partner is ICIG Ventures, de investeringsafdeling voor durfkapitaal van de International Chemical Investors Group (ICIG). Die groep heeft overal in Europa en Noord-Amerika bedrijven en draait een jaaromzet van ruim 4 miljard euro. ‘We zien grote potentie in de technologie van Mevaldi om de toekomst van duurzame chemie vorm te geven’, zegt investeringsdirecteur Pelin Yilmaz van ICIG Ventures. ‘Hun benadering van biobased chemische bouwstenen sluit perfect aan bij onze langetermijnvisie: investeren in veelbelovende en impactvolle innovaties die bijdragen aan een circulaire economie.’ Promotie naar de Premier League Volgens De Ridder is met name het partnerschap met ICIG heel belangrijk om op Europese of zelfs mondiale schaal te gaan produceren. ‘ICIG koopt in de hele wereld zogeheten multi-purposefabrieken op die leegstaan. Wij hopen een aantal van die fabrieken te kunnen gaan vullen met nieuwe materialen. Wij kunnen hierdoor groeien naar een productie van 6,5 kiloton 3MPD per jaar’, zegt ze.Ceo Roger Ottenheym ziet dit als een cruciale stap richting een circulaire Europese chemiesector. ‘Voor ons voelt dit alsof we gepromoveerd zijn naar de Premier League’, zegt hij. ‘Hierdoor kunnen we veel internationaler worden.’Kijk hier wat de nieuwe investeringsronde betekent voor Mevaldi: https://www.youtube.com/watch?v=lDCsJYX879M GCA-programma helpt startups opschalen Mevaldi was dit jaar één van de deelnemers aan de Green Chemistry Accelerator (GCA). Dat is een programma van het platform Groene Chemie Nieuwe Economie (GCNE), dat streeft naar een circulaire chemie met innovatieve technologieën in 2050, zonder fossiele brand- en grondstoffen en zonder CO2-uitstoot. Het GCA-programma is samen met Invest-NL en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) opgezet om start-ups te helpen opschalen tot een volwaardig bedrijf. Zodat ze proeffabrieken kunnen bouwen, de markt op kunnen en uiteindelijk duizenden tonnen grondstoffen voor biobased plastic kunnen produceren. Ze krijgen onder meer hulp bij het zoeken naar klanten, investeerders en financiers.Volgens De Ridder is het goed om met meerdere startups bij elkaar te zitten en met elkaar mee te denken. Bijvoorbeeld over hoe je overeenkomsten sluit met potentiële klanten. Tijdens opschalingstafels dachten investeerders mee over vervolgstappen voor financiering. ‘Dat is enorm waardevol’, zegt ze. ‘We hebben deze ronde de positieve en negatieve kanten van het ondernemen gezien. Toch steunen we elkaar door dik en dun.’ Lees ook:Groene chemie bloeit op, maar hoe redt Nederland zijn recyclingbedrijven? Deze groene start-ups wijzen de weg naar een circulaire chemie zonder olie Chemie kan 300 miljoen ton groene plastics maken met dit plan Chemie vervangt straks Shell, Exxon en BP door boeren en bosbouwersDit artikel is gemaakt door een van onze expertredacteuren in samenwerking met onze partner Groene Chemie Nieuwe Economie. Change Inc. werkt met partners die de klimaattransitie aanjagen. Zij kunnen cases presenteren waar anderen zich aan kunnen optrekken en zijn eerlijk over de uitdagingen. Niet één bedrijf is al 100 procent duurzaam, maar veel zijn onderweg. Dankzij ons partnermodel zijn onze artikelen gratis toegankelijk voor iedereen. Benieuwd naar hoe wij werken? Klik hier.