De militaire escalatie in het Midden-Oosten die de Amerikaanse president Donald Trump heeft ontketend, zorgt voor forse stijgingen van olie- en gasprijzen. Op de Europese groothandelsmarkt is sprake van een verdubbeling van de gasprijs naar zo’n 60 euro per megawattuur in twee dagen. Olieprijzen zijn met zo’n 20 procent gestegen. Als prijzen voor langere tijd hoog blijven, gaat dat doorwerken in de inflatie. Tegelijk versterkt dit mogelijk het strategische besef in de Europese Unie om vaart te maken met de duurzame energietransitie. En dus ook: geen gehoor geven aan lobbygroepen die aansturen op afzwakking van het tempo van CO2-reductie.
Inzetten op een energiesysteem dat zo veel mogelijk op CO2-arme bronnen draait, is niet alleen noodzakelijk voor het halen van klimaatdoelen, maar maakt Europa ook minder kwetsbaar voor de grillen van de fossiele energiemarkt. Europa beschikt immers over beperkte reserves van olie en gas en leunt zwaar van de import van fossiele brandstoffen.
Dure fossiele energie kost Europa honderden miljarden
Energiedenktank Ember becijferde onlangs dat de Europese Unie een forse meerprijs heeft betaald voor fossiele brandstoffen na de Russische inval in Oekraïne. Tussen 2021 en 2024 kostten importen van fossiele energie de EU liefst 930 miljard euro extra, vergeleken met de prijsniveaus van vóór 2021.

Credit: Ember
Met prijzen van 60 euro per megawattuur voor aardgas zitten we nog niet op de crisisniveaus van 2022 en 2023. Destijds kwamen Europese gasprijzen gemiddeld genomen fors boven de 100 euro per megawattuur uit, met een piek van meer dan 300 euro per megawattuur in de tweede helft van 2022.
Toch bevindt Europa zich allerminst in een comfortabele positie, nu de afhankelijkheid van Russisch gas is ingeruild voor verhoogde importen van vloeibaar aardgas uit de Verenigde Staten.
Hoge kapitaalinvesteringen voor goedkope, hernieuwbare energie
Stijgende prijzen van aardgas en olie maken hernieuwbare energiebronnen zoals zon en wind in principe aantrekkelijker. Bij het versneld inzetten op CO2-arme bronnen speelt echter mee dat je in eerste instantie forse kapitaalinvesteringen moet doen om het systeem om te katten.
Hierbij gaat het niet alleen om de kosten voor de bouw van nieuwe wind- en zonneparken. Ook de uitbreiding van elektriciteitsnetten en de toevoeging van grootschalige batterij-opslag is hard nodig om het variabele aanbod van hernieuwbare bronnen in goede banen te leiden.
Het vervelende hierbij is dat investeringen in infrastructuur voor duurzame energie duurder worden, als fossiele energieprijzen stijgen. Vooral hogere olieprijzen hebben doorgaans een breder inflatoir effect, wat kapitaalinvesteringen voor de duurzame energietransitie raakt: denk aan hogere materiaal- en arbeidskosten, maar ook aan stijgende rentes die leningen duurder maken.
Een fossiele energiecrisis werkt zodoende als een tweesnijdend zwaard: dure fossiele energie geeft een aansporing om over te stappen op goedkopere energie uit zon en wind. Tegelijk stijgen de kosten van investeringen die nodig zijn om een duurzamer energiesysteem soepel te laten functioneren.
Tweestrijd EU: duurzame focus en fossiele lobby
In de Europese Unie is er momenteel duidelijk een tweestrijd gaande. Aan de ene kant worden serieuze programma’s opgetuigd om fors te investeren in nieuwe energie-infrastructuur, waaronder elektriciteitsnetten. Ook willen Noordzeelanden extra stappen zetten om de capaciteit van offshore windparken te vergroten tot in eerste instantie 100 gigawatt, en daarna 300 gigawatt in 2050. En voor zonne-energie mikt de EU op een groei van de totale capaciteit van 406 gigawatt in 2025, naar minimaal 700 gigawatt in 2030.
Tegenover deze inspanningen staat een krachtige lobby van een deel van de Europese zware industrie. Die klaagt dat de beprijzing van de CO2-uitstoot van fossiele brandstoffen het steeds lastiger maakt om rendabel te blijven en te concurreren met China.
Onder meer Italië en Tsjechië roepen op om het Europese emissiehandelssysteem (ETS) af te zwakken. Bijvoorbeeld door bedrijven meer gratis emissierechten te geven, zodat Europese CO2-prijzen dalen. Met als voorspelbaar gevolg dat de omschakeling van basisindustrieën naar CO2-arme productieprocessen vertraagt.
Nu is verduurzaming van onder meer de basischemie, staalsector en cementproductie allesbehalve simpel. Als de EU echter gaat morrelen aan de afbouw van emissierechten voor CO2, komen juist bedrijven die daar hun langetermijninvesteringen op hebben afgestemd, in de problemen.
Verduurzaming: industrie heeft gerichte steun nodig
Om de industrie te helpen zijn grofweg twee dingen nodig. Het eerste is uitbreiding van de Europese CO2-heffing aan de grens (CBAM), zodat Europese bedrijven die verduurzamen geen nadeel hebben van goedkope importen met een hoge CO2-voetafdruk.
Op de tweede plaats moet vaart gemaakt worden met verplichtingen voor afnemers om bepaalde hoeveelheden groen staal of bioplastics in te kopen. Ook de overheid zelf kan hier een rol spelen als ‘groene inkoper’.
Juist door de sterke afhankelijkheid van geïmporteerd aardgas voelt de Europese basisindustrie de pijn, als prijzen plotseling hard stijgen door een externe crisis. Dat zou een prikkel moeten zijn om in Brussel te pleiten voor gerichte steun om sneller te verduurzamen, en niet voor afzwakking van het tempo van CO2-reductie.
Lees ook:
- Hoe houdt Nederland zijn basischemie groen, circulair én winstgevend? Overheid en bedrijven moeten samen aan de bak
- Hoogleraar energie en duurzaamheid Gert Jan Kramer: ‘Nederland moet knoppen zo zetten dat concurrentienadeel verdwijnt
- Grafiek: Europa overtroeft VS komende 5 jaar met investeringen in technologie voor schone energie




