John van Schagen
27 maart 2025, 14:30

Zes Nederlandse cleantech-bedrijven op groene ranglijst van Time Magazine

Time Magazine heeft zes Nederlandse bedrijven een plek gegeven in de World’s Top GreenTech Companies of 2025. Zeg maar: de Oscars van cleantech. De ranglijst is een selectie van de 250 meest innovatieve en meest impactvolle groene technologiebedrijven ter wereld. De hoogste notering uit Nederland is voor Mosa Meat.

Lightyear 0 | Credits: Lightyear

Van vlees uit het laboratorium tot zonne-energie op zee, de Nederlandse bijdragen laten zich niet in één hokje vangen. Eén ding hebben ze in ieder geval gemeen: ze leveren volgens Time en data-autoriteit Statista allemaal een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van de effecten van klimaatverandering. In totaal zijn meer dan 8.000 bedrijven van over de hele wereld doorgelicht. Slechts 250 haalden de eindlijst, afkomstig uit meer dan dertig landen en zes continenten. De Verenigde Staten zijn – zoals verwacht – hofleverancier. Mosa Meat (10) Avantium (19), Lightyear (70), LeydenJar (104), dott (205) en Solarduck (238) vormen samen de Nederlandse afvaardiging.

De bedrijven zijn beoordeeld op drie onderdelen. Zo gaat het om positieve milieueffecten, zoals vermeden CO2-uitstoot of hernieuwbare energieproductie. Daarnaast kijken de onderzoekers ook naar financiële kracht, waaronder omzet, groeicijfers en investeringen. Een derde criterium is innovatiekracht. Hierbij gelden vooral gepatenteerde technologieën.

Om tot de uiteindelijke score te komen, werkte Statista samen met datapartners als HolonIQ en LexisNexis. “Alleen bedrijven die bewijzen dat ze zowel duurzaam als toekomstbestendig zijn, hebben de lijst gehaald. Je kunt dit beschouwen als een soort Oscars van de cleantech-wereld”, aldus één van de onderzoekers in Time Magazine.

Nederland scoort met voedsel, mobiliteit en energie

De Nederlandse bedrijven die zich in de lijst hebben genesteld, zijn voor Change Inc. geen onbekenden. Op plek 10 staat zoals gezegd Mosa Meat, bekend van de kweekvleesburgers. De start-up uit Maastricht wist internationaal indruk te maken door écht rundvlees te produceren zonder koeien te slachten. Minder uitstoot, minder landgebruik (en volgens mensen die het geproefd hebben ook best lekker). Mosa Meat wordt gezien als een pionier in de eiwittransitie. Avantium (19) is het chemiebedrijf uit Amsterdam dat plantaardige plastics ontwikkelt. Hun technologie maakt het mogelijk om verpakkingen te maken uit suikers in plaats van olie. Grote klanten als Coca-Cola en Danone zijn al aan boord.

Opvallend is de notering van Lightyear (70), het ooit zo spraakmakende zonne-autobedrijf uit Helmond. Ondanks alle financiële tegenslagen – na het faillissement kwam de doorstart – blijft het merk volgens de makers van de lijst relevant door zijn focus op zonne-energie-integratie in mobiliteit. De Lightyear-technologie wordt nu doorontwikkeld, zodat andere autobouwers hun elektrische bolides van extra bereik kunnen voorzien. En dan is er nog LeydenJar, op plek 104. Dit bedrijf werkt aan een nieuwe superaccu met siliconenanodes. In de praktijk betekent dat kleinere batterijen met meer capaciteit en die zijn belangrijk voor elektrische auto’s en consumentenelektronica.

“We kregen ongeveer twee weken geleden een telefoontje dat we in de lijst opgenomen zijn. Voorafgaande de publicatie wisten we ook niet op welke positie dat zou zijn”, vertelt CEO Christiaan Rood. Hij is blij met een plekje in de cleantech-lijst. “Het ontwikkelen van deeptech batterijtechnologie komt met flinke uitdagingen en tegenslagen. Het vergt een sterk en slim team met veel doorzettingsvermogen om zo’n innovatie naar de markt te brengen. De notering in deze lijst laat zien dat we goed op weg zijn. Zeker omdat LeydenJar het enige batterijbedrijf is met deze specifieke technologie die door Time Magazine in de lijst is opgenomen. Daar zijn we heel trots op. Bovendien is het een goed signaal naar onze klanten en investeerders.”

Meer groene innovaties

De twee resterende Nederlandse namen in de lijst zijn dott (205) en SolarDuck (238). Dott kennen we van de deelscooters, SolarDuck ontwikkelt drijvende zonneparken op zee waarmee gebieden met weinig landoppervlak ook van groene stroom kunnen worden voorzien. Zes groene pioniers dus van Nederlandse komaf, van wie één in de top 10. Ruud Koornstra, die in diverse cleantech-bedrijven participeert, noemt het een bevestiging dat ons land er in de wereld van groene innovaties nog steeds toe doet.

Al zijn er wel meer Nederlandse bedrijven die volgens hem een notering hadden verdiend. “Ik kan er met gemak nóg tien noemen, maar laat ik me beperken tot twee partijen. Zo is er Smart Photonics uit Eindhoven, producent van computerchips die op licht in plaats van elektriciteit werken. Een miljoen keer sneller en honderdduizend keer energiezuiniger. De duurzame impact die zij op termijn gaan maken is in mijn ogen gigantisch.” Ook het kleinere Zaluqi uit ‘s Hertogenbosch had wat Koornstra betreft op de lijst gekund. “Dit bedrijf is nog niet zo bekend, maar wat zij bouwen is revolutionair: een elektromotor ter grootte van een colablikje, goed voor ruim 150 pk. Een grote Japanse motorfabrikant heeft zich al bij hen gemeld als klant.”

De nummer 1: BETA

Terug naar de bedrijven die de World’s Top GreenTech Companies of 2025 wél gehaald hebben. Wat opvalt aan de lijst is de diversiteit van spelers in cleantech. Van insectenboerderijen in Frankrijk tot AI-gestuurde trucks in Canada. De hoogste notering op de Greentech-lijst is dit jaar voor BETA Technologies, een Amerikaanse pionier op het gebied van elektrisch vliegen. Het bedrijf ontwikkelt batterij-aangedreven vliegtuigen die niet alleen schoon en stil zijn, maar ook verticaal kunnen opstijgen en landen. Daarmee richt BETA zich op een breed scala aan toepassingen, van medisch spoedvervoer tot regionale vrachtvluchten.

Op nummer 2 vinden we het hoogst genoteerde cleantech-bedrijf van Europese komaf. Het is Climeworks uit Zwitserland, dat hard aan de weg timmert met een technologie die CO₂ rechtstreeks uit de lucht filtert. In IJsland staat al een installatie. Deze zogeheten ‘Mammoth’ kan jaarlijks zo’n 36.000 ton CO₂ uit de atmosfeer halen. Climeworks verkoopt de bijbehorende koolstofcertificaten aan een groeiende groep bedrijven die hun uitstoot willen compenseren, waaronder techreuzen en grote financiële instellingen.

Lees ook:

Huis van de boer rukt op en is beter voor klimaat, zelfs als je CO2-opslag niet meerekent

Biobased bouwen, zoals het gebruik van plantaardige vezelgewassen in de bouw heet, is de fase van experimenteren voorbij, stelt Norbert Schotte van Building Balance. “Biobased bouwen is meer dan een technische oplossing. Het is een beweging met bouwers, boeren, bewoners, investeerders en overheid. Die bestaat uit allerlei bloedgroepen die hetzelfde doel nastreven.” Nationale aanpak De non-profit organisatie voert samen met ministeries en provincies de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) uit. Dat plan moet leiden tot een nieuwe nationale markt voor de grootschalige teelt, verwerking en toepassing van biobased bouwmaterialen. Building Balance helpt de hele keten, van boer tot bouwer, door alle partijen aan elkaar te koppelen. “We zijn klaar voor een stevige opschaling”, zegt Schotte. “Steeds meer bouwbedrijven gaan biobased materialen gebruiken. Een mooi voorbeeld is Dura Vermeer dat recent aankondigde bij alle renovatieprojecten biobased isolatiematerialen te gaan gebruiken. Dat is een teken aan de wand.” Koningin Máxima Dat bleek woensdag 26 maart ook tijdens een werkbezoek van koningin Máxima - georganiseerd door Building Balance - aan twee Brabantse bedrijven die hierin voorop lopen. Bij het renovatieproject van woningcorporatie Area in Uden zag ze live hoe stro als isolatiemateriaal werd ingeblazen in een woning. Samen met andere Brabantse corporaties heeft Area een commitmentverklaring ondertekend om biobased isolatiematerialen vaker toe te passen in nieuwbouw en renovatie. Biobased woning uit de fabriek Aansluitend bezocht Máxima de woningfabriek van bouwbedrijf Barli, waar jaarlijks meer dan duizend modulaire, houten woningen prefab worden geproduceerd. Bij steeds meer woningen worden biobased materialen gebruikt, zoals natuurlijke isolatie uit houtvezel of stro. Tijdens de borrel ondertekenden Building Balance en Barli een commitment om het gebruik van biobased isolatiemateriaal in Barli-woningen op te schalen van 5 procent in 2025 naar 100 procent in 2029. Eerder ondertekende Barli de commitmentverklaring voor ‘30-30-30’, het doel van het NABB. Dat doel houdt in dat in 2030 minstens 30 procent van de nieuwbouwwoningen voor minstens 30 procent uit biobased bouwmaterialen bestaat. “Ook een grote projectontwikkelaar als BPD Bouwfonds heeft bij het bezoek van de koningin die middag aangegeven voor de 30-30-30 commitment te gaan”, zegt Schotte.Bouw kan CO2-uitstoot verminderen De bouw is verantwoordelijk voor zo’n 11 procent van de CO2-uitstoot en bijna 50 procent van het materiaalgebruik in Nederland. Voor beton wordt cement gebruikt en wereldwijd is de cementindustrie verantwoordelijk voor bijna 8 procent van alle broeikasgassen. Behalve materialen hergebruiken door circulair te bouwen, moet er meer gebouwd worden met natuurlijke materialen die biobased zijn. Vezelrijke materialen als olifantsgras, stro, vlas of hennep. Eind 2023 introduceerde de overheid hiervoor de Nationale Aanpak Biobased Bouwen en stelde 200 miljoen euro subsidie beschikbaar om het grootschalig gebruik van biobased bouwmaterialen te stimuleren. De toepassing van deze materialen leidt op twee manieren tot CO2-reductie. Het verdringt het gebruik van andere materialen die een grotere CO2-voetafdruk hebben zoals cement of purschuim. Daarnaast slaan de materialen CO2 op in de bouwwerken in de vorm van koolstof. Op deze manier kan de bouwsector zijn uitstoot in 2030 met 1,6 miljoen ton CO2 verminderen. Volgens onderzoek van Natuur & Milieu, kan het gebruik van biobased bouwmaterialen samen met recycling een besparing van 55 procent op het gebruik van grondstoffen opleveren.Huizen oogsten van het land Die biobased bouwmaterialen worden verbouwd door boeren en dat worden er steeds meer. Om het aanbod verder te vergroten zijn het Ministerie van Landbouw, Voedselvoorziening en Natuur (LVVN) en het Nationaal Groenfonds de Pilot Stimulering Vezelteelten gestart. Hierbij kopen ministerie en fonds koolstofcertificaten (carbon credits) van de boeren die dit soort gewassen telen. Tijdens de eerste openstelling in 2024 schreven zich zestien bedrijven en samenwerkingsverbanden in voor het leveren van deze zogeheten Dutch Construction Stored Carbon Credits. “Die credits kosten 79 euro per ton CO2. Andere technieken voor CO2-opslag kosten een veelvoud hiervan, dus is dit economisch gezien een interessant model”, stelt Schotte. 14.000 carbon credits In januari werd een tweede pilot opengesteld voor het verbouwen van olifantsgras, mammoetgras, vlas, hennep, stro, wilgen, bamboe en Paulownia-bomen. Hiervoor schreven zich 29 bedrijven in, die ruim vijftig telers vertegenwoordigen. Zij krijgen 1,2 miljoen voor 14.000 carbon credits om dit voorjaar 1.100 hectare aan vezelgewassen te verbouwen. De koolstofcertificaten die de overheid koopt van de boeren, worden ook verkocht door bouwers en projectontwikkelaars zoals Ballast Nedam Development, voornamelijk voor de CO2 die ze vastleggen in hun houten gebouwen. Klimaatstichting Climate Cleanup certificeert beide carbon credits en garandeert dat ze niet dubbel worden verkocht.Steeds meer boeren verbouwen vezelrijke gewassen voor de bouw.Tegenstrijdig beleid Terwijl de overheid koolstofkredieten koopt bij boeren, wordt de opslag van de CO2 in de cellulose van die gewassen niet meegenomen in de officiële milieubeoordelingen van gebouwen. Terwijl dat toch een cruciale factor is. Dat is tegenstrijdig beleid, concludeert de Universiteit Wageningen (WUR) in een onderzoek. Onderzoeker Martien van den Oever noemt het bijzonder dat Nederland bepaalde minder betrouwbare categorieën voor de milieuprestaties van gebouwen (MPG) meeneemt, terwijl een goed meetbare factor als koolstofopslag wordt genegeerd. “In officiële LCA-berekeningen wordt de biogene koolstofopslag, ofwel de CO2-opslag, nu niet meegenomen. Ik denk dat dit een gemiste kans is in de aanpak van klimaatverandering”, zegt hij. Tijd kopen Op verzoek van de Stichting Nederlandse Milieudatabase (NMD) heeft de WUR een voorstel voor een waarderingsformule voor CO2-opslag gemaakt, die eenvoudig toepasbaar is op alle bouwmaterialen, biobased of fossiel. In die berekeningen wordt de CO2 honderd jaar opgeslagen in biobased materialen. “De CO2 wordt niet permanent opgeslagen. We gaan uit van een tijd van 75 tot honderd jaar”, zegt Van den Oever. “Wat we doen is tijd kopen. In de tussentijd komt er minder CO2 in de atmosfeer. In gebouwen bijvoorbeeld voor vijftig jaar. We moeten die vijftig jaar gebruiken om oplossingen te bedenken.”Biobased materialen onzichtbaar Maar zelfs als de CO2-opslag niet wordt meegerekend, is een woning met biobased materialen beter voor klimaat en milieu dan die met beton en fossiele bouwmaterialen, blijkt uit het onderzoek. Bij aanbestedingen wordt een lage milieu-impact van gebouwen steeds belangrijker. Wat de milieu-impact van een materiaal is kunnen architecten, aannemers en projectontwikkelaars opzoeken in de Nationale Milieudatabase (NMD). Maar daarin staan nauwelijks biobased bouwmaterialen, ontdekte de WUR. Ze zijn vaak nog nieuw, komen in kleine hoeveelheden op de markt en blijven zo onzichtbaar in de database. Daar wil de WUR verandering in brengen door die biobased materialen toe te voegen en te vergelijken met de conventionele alternatieven. Lagere milieu-impact In het onderzoek vergeleek Van den Oever de milieu-impact van biobased en conventionele materialen in drie referentiewoningen: een tussenwoning, een tweekapper en een appartement. Hierbij werd gekeken naar biobased alternatieven voor veelvoorkomende materialen in de bouw. In dit geval houtskeletbouw en kruislings verlijmd hout (CLT) als alternatief voor beton en kalkzandsteen. De belangrijkste conclusie is dat met biobased bouwmaterialen de milieuprestatie van een woning gemiddeld 18 tot 33 procent lager uitvalt dan met conventionele materialen. Impact nog lager bij CO2-opslag Dat komt niet alleen door de lagere milieu-impact van de materialen zelf. Omdat die lichter zijn dan beton kan bijvoorbeeld ook de fundering met minder beton worden uitgevoerd. Andere criteria waarop biobased materialen beter scoren zijn het global warming potential (de invloed op de opwarming van de aarde), humane toxiciteit en verzuring. “Bij deze percentages is de CO2-opslag nog niet meegenomen. Als we dat wel zouden doen, worden die percentages nog hoger”, stelt Van den Oever. Lees ook: Steeds meer boeren oogsten huizen van het landBiobased bouwen zit in de lift, maar houten wolkenkrabbers kosten te veel bomenCertificaten voor CO2-opslag in woningen kunnen voor revolutie in de bouw zorgenGerrit Hiemstra bouwde zelf een biobased huis, bouwbedrijf BAM gaat er duizenden neerzetten