Roy op het Veld
Roy op het Veld
21 maart 2021, 11:34

“Als je een CO2-negatieve onderneming wil zijn, moet je ook CO2-negatieve producten hebben”

Vloerenfabrikant Interface behaalde in 2019 een doelstelling waar het decennia naartoe had gewerkt: ze vierde haar Mission Zero succes. Maar het kunnen aanbieden van CO2-neutrale producten betekent niet dat de duurzame missie van het Amerikaanse concern voltooid is. “We moeten nog uitvinden hoe, maar in 2040 willen we een CO2-negatieve onderneming zijn”, zegt duurzaamheidsmanager Noord Europa Janneke Leenaars van Interface.

201908 interface cbre ams 71

Hoewel Leenaars net als de rest van Nederland aan huis gekluisterd haar werk doet, en als jonge moeder veel ballen in de lucht moet houden, spat de energie en de positiviteit van het scherm af tijdens het video-interview. “Wij zijn een vloerenfabrikant met veel aandacht voor duurzaamheid, en dat is ook de reden dat ik hier werk”, lacht Leenaars. “Nadat we onze ‘Mission Zero’ hebben volbracht gaan we nu een volgende stap zetten. We willen de opwarming van de aarde omkeren, door te laten zien dat CO2-negatieve producten mogelijk zijn, waardoor er meer en meer vraag naar ontstaat en dit naast C02-neutrale producten, de norm wordt. ”

Interface maakt tapijt- en luxe vinyltegels, maar ook rubber vloeren. De duurzame strategie van Interface ontstond in 1994, aanvankelijk om commerciële redenen. “Een klant vroeg wat we als leverancier aan het milieu deden. Het antwoord was dat Interface zich conformeerde aan alle milieuwetten. Dat vond die klant niet voldoende, waardoor we een belangrijk project verloren.”

Taskoforce voor duurzame missie

Voor oprichter en toenmalig CEO Ray Anderson leidde die ontluisterende ervaring – na het verslinden van het boek ‘The Ecology of Commerce’ van Paul Hawken – uiteindelijk tot een openbaring en transformatie, voor hem persoonlijk en zijn bedrijf. Hij zette een taskforce op en besefte dat de visie en de missie van Interface op een duurzame leest geschoeid moesten worden. “Anderson realiseerde zich dat hij met zijn bedrijf succesvol was geweest, maar dat hij de planeet pijn had gedaan”, vertelt Leenaars. “Hij begreep dat alleen het bedrijfsleven deze trend zou kunnen keren. Hij wilde zelf impact creëren door zijn eigen bedrijf te veranderen en daarmee de rest van de industrie. Anderson besloot dat Interface in 2020 geen negatieve milieu-impact meer mocht veroorzaken en uiteindelijk regeneratief zou worden. In de jaren ’90 werd hij als radicaal gezien.”

Het besluit van Anderson had grote impact, want Interface was -net als andere spelers in de markt- een petrochemisch intensief bedrijf, dat voor haar producten nagenoeg voor 100 procent gebruik maakte van zogenaamde ‘virgin’ fossiele grondstoffen en niet aan recycling deed. Auteur Paul Hawken, de afgelopen jaren weer succesvol met zijn boek ‘Drawdown’, was een van de leden van het ‘eco dreamteam’ dat Interface hielp een nieuwe strategie uit te stippelen.

Integrale en vernieuwende aanpak

Dat leverde een integrale en vernieuwende aanpak op. Langs zeven lijnen nam het bedrijf de strategie op de schop: van het verminderen van afval tot het overstappen op hernieuwbare energie, tot en met het sluiten van kringlopen en het hanteren van een stakeholder-model. Uit een levenscyclusanalyse bleek dat de grootste CO2-impact zat in de  grondstoffen die gebruikt werden. “De garens bijvoorbeeld, het fluffy-gedeelte van tapijttegels, dat was allemaal virgin petrochemisch materiaal. Er werden in het verleden helemaal geen recycled of biobased materialen gebruikt”, aldus Leenaars. “Interface heeft toen haar  leveranciers  betrokken in de missie om geen negatieve impact op de planeet te hebben.”

Anderson was volgens Leenaars een ‘early visionair’. Door jaarlijks kleine en grote stappen te zetten heeft het bedrijf inmiddels grote impact bereikt. “Hij heeft daarmee ook de hardnekkige mythe ontkracht dat duurzaamheid en financieel rendabel zijn  niet samengaan. ” Interface is een in Atlanta gevestigde multinational met 4.000 medewerkers. De omzet bedraagt meer dan een miljard dollar per jaar. De tapijttegelproductie voor Europa zit in het Gelderse Scherpenzeel, waar ook het Europese hoofdkantoor staat.

Opwarming van de aarde omkeren

Sinds dit jaar wil Interface een ‘herstellende bijdrage’ leveren aan het klimaatvraagstuk. “We willen de opwarming van de aarde omkeren”, aldus Leenaars. “Als je een CO2-negatieve onderneming wil zijn, dan moet je ook CO2-negatieve producten hebben.”

In de Verenigde Staten zijn de C02-negatieve producten al in de markt gezet. Europa volgt binnenkort. “Dat nieuwe product wordt in Scherpenzeel gemaakt. Daar is een forse innovatie-inspanning aan voorafgegaan. Er is vijf jaar aan gewerkt. De rug van de tapijttegels is gemaakt van biobased en gerecyclede materialen. We ontwikkelen ons van een  petrochemisch intensief bedrijf in de jaren 90, naar een regeneratief, klimaatpositief bedrijf in 2040.”

De vloeren van Interface zijn over hun gehele levenscyclus CO2-neutraal. De data over 2019 laten een gemiddelde CO2-reductie van 74 procent zien ten opzichte van het vergelijkingsjaar 1996. Leenaars: “Dat hebben we bereikt door bijvoorbeeld de C02-impact van de grondstoffen te verlagen, minder materiaal te gebruiken, het percentage gerecycled materiaal te verhogen en gebruik te maken van hernieuwbare energie voor de productie. Daar waar nog geen oplossing voor is plus in de gebruiksfase van de klant tot aan einde levensduur compenseren we de CO2-uitstoot. Bovendien hebben we ons terugname programma waarin we samen met onze partner Sparo inzetten op reuse.”

Duurzaamheidsreis aan het begin

Met tapijttegels is Interface het verst. De luxe vinyltegels en de rubber vloeren zijn in 2017 en 2018 in het assortiment terechtgekomen, zo heeft Interface in 2018 het bedrijf Nora Rubber in Weinheim, Duitsland gekocht. “Daar staan we met onze duurzaamheidsreis nog aan het begin”, zegt Leenaars. “Maar we hanteren hier dezelfde aanpak als bij de tapijttegels en zetten belangrijke stappen. Ook hier werken we langs zeven fronten. Daarnaast maken deze vloeren onderdeel uit van het Carbon Neutral Floors programma.”

De impact die Interface wil realiseren reikt verder dan het eigen bedrijf. “Wij opereren in de gebouwde omgeving. Die sector is, met name door het gebruik van beton, staal en glas, goed voor bijna 40 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Wij laten zien dat de C02-impact van producten  ook anders kan. De bouw kan zich ontwikkelen van een sector die een bron is van CO2-emissies tot een sector die de basis is van CO2-opslag. Het is onze ambitie een beweging te creëren in de gebouwde omgeving om stappen te zetten waarin C02-neutrale en C02-negatieve producten de norm zijn. Bouwers, architecten en opdrachtgevers, iedereen in die markt heeft de mogelijkheid impact te maken door bewuste keuzes te maken, bijvoorbeeld beter renoveren dan nieuw bouwen, beter een C02-neutraal of low carbon product of bouwmateriaal dan een met een hoge C02-impact.”

Voorbeeldfunctie

Vastgoedeigenaren en gebruikers spelen een cruciale rol in de transitie van de gebouwde omgeving meent Leenaars. “Eigenaren en  huurders van kantoren, schoolgebouwen en ander maatschappelijk vastgoed kunnen meer partijen in de bouw aanzetten tot het gebruik van materialen die een lage CO2-voetafdruk hebben of zelfs CO2 vasthouden, zoals vlas en hennep. Door te laten zien dat het kan, ontstaat er vanzelf vraag in de markt”, zegt Leenaars. “Het vraagt om innovatie en creativiteit. Ik hoop dat onze aanpak andere partijen inspireert.”

Wat werkt beter voor verduurzaming: bedrijven buiten sluiten of ermee in gesprek gaan?

ASN Bank staat bekend om zijn fossiele uitsluitingsbeleid, maar dat is slechts een onderdeel van een grotere strategie. Met andere sectoren gaat de bank juist de dialoog aan; engagement heet dat. “Ik hoop niet dat het idee van het artikel is om ze tegenover elkaar te zetten”, zegt Irina van der Sluijs over desinvesteren en engagement. Haar opmerking toont aan hoe de bank in de wedstrijd zit. “We proberen het zo doordacht mogelijk te doen.”Van der Sluijs, mensenrechtendeskundige bij ASN Bank en voorzitter van het Platform Living Wage Financials (PLWF), houdt zich met name bezig met de kledingsector. ASN Bank ontwikkelde een engagement-strategie voor die sector, want ondanks milieu- en mensenrechtenproblematiek ziet de bank heil in de kledingbranche. “Kleding is een basisproduct”, aldus Van der Sluijs.Uitsluiten versus engagementVoor de fossiele sector is dat een heel ander verhaal, vindt Piet Sprengers. De manager duurzaamheidsstrategie en beleid bij ASN Bank benadrukt dat we van de kernactiviteit van de fossiele sector af willen: olie- en aardgaswinning. Een andere sector die de bank volledig uitsluit is de wapenindustrie.'Als je weet hoe je olie boort, dan weet je nog niet hoe je een windmolenpark beheert'De afgelopen jaren komen er geregeld berichten naar buiten van financiële instellingen die hun beleid voor die sectoren aanpassen. Zo is het al langere tijd not done om in (controversiële) wapens te investeren. Daarnaast zetten meerdere instellingen stappen op het gebied van steenkolen. De kolenindustrie is één van de grootste CO2-uitstoters. Daarnaast krijgt de vervuilende energiebron steeds meer concurrentie van duurzame alternatieven. Dat maakt het voor investeerders minder interessant om erin te beleggen. Investeerders zien de steenkolenindustrie steeds vaker als een verloren zaak, maar zij beleggen vaak nog wel in grote olie- en gasbedrijven. ASN Bank niet.Sprengers ziet wel wat in een soort sterfhuisconstructie voor de fossiele sector. “Die moet gewoon beheerst afgebouwd worden.” Sprengers verwacht namelijk niet dat fossiele bedrijven de omslag kunnen maken naar duurzame energiewinning. “Dat vraagt om een hele andere organisatie van het bedrijf met hele andere kennis. Als je weet hoe je olie moet boren dan weet je nog niet hoe je een windmolenpark moet beheren”, stelt Sprengers.En Ørsted dan?Toch bestaat er een voorbeeld van een fossiel bedrijf dat de omslag wel maakte: het Deense Ørsted. Dat veranderde zijn kernactiviteit én zijn naam van olie en gas naar hernieuwbare energie. (Het heette eerst Dong: Dansk Olie og Naturgas). Ørsted staat bekend om de bouw van de eerste en grootste windparken op zee en het bedrijf wil in 2021 twee gigantische zonneparken in de Verenigde Staten aanleggen. “Zeg nooit, nooit”, reageert Sprengers daarop. Feit blijft dat het merendeel van de olie- en gasbedrijven blijven inzetten op fossiele zaken, zoals de zoektocht naar nieuwe olie- en gasvelden. “Wat telt is in hoeverre bedrijven hun fossiele activiteiten écht afbouwen en niet alleen hoeveel duurzame energie ze er bij bouwen”, aldus Sprengers.Sommige beleggers kiezen ervoor om te beleggen in dit soort bedrijven om dan via aandeelhoudersvergaderingen verandering te weeg te brengen. Activistisch Shell-aandeelhouder Follow This kiest die route. Het brengt klimaatresoluties in stemming op vergaderingen in de hoop dat andere aandeelhouders, zoals Nederlandse pensioenfondsen, daarin meestemmen.Aandeel als ingangFinanciële instellingen hebben invloed door te kiezen wat zij met hun geld doen. Het terugtrekken van investeringen geeft bijvoorbeeld een belangrijk signaal af. Helemaal als meerdere partijen dat doen. Sprengers heeft moeite met het argument dat financiële instellingen alleen invloed kunnen uitoefenen als zij aandeelhouder zijn (en blijven) van een bedrijf. “Dat is te zwartwit.” Hij vraagt zich af of er nog een andere reden achter zit: geld verdienen. Hij benadrukt dat bijvoorbeeld grote pensioenfondsen en banken ook met bedrijven praten waarin zij nog niet investeren. En voor ASN Bank gold dat zij juist in gesprek kwamen met de DSM-directie toen zij besloten te stoppen met beleggen. Dat besloot de bank toen bleek dat er een link was tussen de producten van DSM en de ontwikkeling van wapens.'Bij Amerikaanse bedrijven ben ik weleens uit een call gezet'Van der Sluijs is het met hem eens. “Bij Amerikaanse bedrijven ben ik weleens uit een call gezet, omdat wij geen aandeelhouder waren, maar je kunt ook contact zoeken via de media of via een brief of wat dan ook. Dus het is allemaal niet super zwartwit.” Wel snapt zij dat andere financiële instellingen misschien andere keuzes maken dan ASN Bank. Voor haar is het belangrijkste dat daar een strategie achter zit. “Heb erover nagedacht en zorg ervoor dat het complementair is; dat je op een gegeven moment ook consequenties stelt.” Dat is dan ook de manier waarop ASN Bank de strategie voor de kledingsector inricht. “Meaningful engagement”, noemt Van der Sluijs dat.Lees ook: Problemen in de kledingsector: 'We zijn verslaafd aan lage prijzen'De wortel en de stokVan der Sluijs legt uit wat betekenisvol ‘engagen’ volgens haar inhoudt. Ten eerste gebeurt het vaak in samenwerking met andere partijen uit de financiële sector én daarbuiten. Ten tweede is het cruciaal om zelf te meten. Dat is nodig als je, zoals in het geval van ASN Bank in de kledingsector, verder wil gaan dan alleen kinderarbeid afschaffen, maar ook leefbaar loon nastreeft. (Leefbaar loon is het loon dat iemand nodig heeft om onder andere te eten, te wonen en de kinderen naar school te sturen). Ten derde gaat het om een lange adem hebben, zodat bedrijven de tijd hebben om te veranderen. Ten vierde vindt zij het belangrijk dat er publieke en open communicatie over de resultaten plaatsvindt. “Zodat we er ook verantwoording over kunnen afleggen.” Tot slot gaat het om mijlpalen stellen. Als blijkt dat bedrijven die mijlpalen consequent niet halen, gaat ASN Bank over tot uitsluiten. “Want als je naast die wortel niet ook de stok hebt, dan is het weinig betekenisvol.”Sprengers vindt dat er nog een strategie besproken moet worden. “Je hebt engagen en desinvesteren, maar je hebt ook investeren. Dus dat je juist probeert om het geld wat de klant je heeft toevertrouwd zoveel mogelijk in de richting te sturen die de klant en jij belangrijk vinden.” Het investeren zelf moet ook als aparte strategie benoemd worden, vindt Sprengers.De kracht van de financiële sectorVan der Sluijs merkt op dat steeds meer financiële instellingen inzien dat duurzaamheid financiële waarde heeft. Zij hoopt dat deze instellingen op termijn maatschappelijk rendement even zwaar gaan wegen als financieel rendement. Dan kan de impact groot zijn. Het maakt volgens haar namelijk meer indruk als een financiële instelling een bedrijf opbelt om over milieu of mensenrechten te praten dan als een NGO dat doet. “Dan worden ze daar wakker, want dan zit je over een verdienmodel te praten.”Zij vindt dat de transitie naar een duurzame economie vraagt om een nieuwe houding van financiële instellingen. “Als de afgelopen tien à twintig jaar ons iets heeft geleerd is dat we echt van een aandeelhoudersmodel naar een stakeholdermodel moeten, dus van shareholder naar stakeholder, willen we echt met zijn allen die transitie maken. Anders blijven we sleutelen aan een bestaand systeem dat nooit compatible is met duurzaamheid.”Financiële instellingen lijken voorzichtig een duurzamere richting op te gaan, bijvoorbeeld door het vrijwillig ondertekenen van het Klimaatakkoord. En Sprengers herinnert zich een bijeenkomst van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) waarin werd gesproken over de rol die banken kunnen spelen bij de coronacrisis. Voor hem een voorbeeld van hoe banken meer nadenken over hun eigen toegevoegde waarde aan de samenleving. Sprengers wil dat gegeven niet te veel opblazen, maar stelt hij: “Het staat wel op de agenda. Er wordt serieus over nagedacht.” Kortom, het begin is er. Afbeelding: Adobe Stock