De Nederlandse industrie worstelt met verduurzaming, maar heeft wel een aantal haalbare opties, zoals het gebruik van waterstof uit aardgas in combinatie met grootschalige afvang en opslag van CO2. Consultant PwC stelde afgelopen week in een rapport dat er kosteneffectieve manieren zijn om de netto CO2-uitstoot van Nederlandse industrie naar vrijwel nul te brengen in 2040.
Dat rapport verscheen net voordat de Europese Commissie plannen naar buiten bracht om het emissiesysteem voor CO2 te hervormen – met als belangrijke uitkomst dat de industrie binnen het ETS (Emissions Trading System) van de EU ruimte krijgt om de CO2-uitstoot pas ná 2040 naar netto nul te brengen. Daardoor wordt minder duidelijk hoe aantrekkelijk het blijft om te investeren in CO2-arme productieprocessen.
Brussel claimt dat de klimaatdoelen van de EU – met een uitstootreductie van 85 procent in 2040 ten opzichte van 1990 – haalbaar blijven, onder meer met de introductie van een nog niet uitgewerkte doelstelling om de elektrificatie van het energieverbruik fors te verhogen. Daarnaast komen er aparte potjes die de industrie moeten overhalen om te investeren in CO2-arme productieprocessen.
Efficiënte opties voor CO2-reductie
Bij de verduurzaming van industriële processen in Nederland speelt waterstof een cruciale rol. Momenteel maakt de industrie grootschalig gebruik van waterstof uit aardgas. Het chemische proces om waterstof te winnen uit aardgas zorgt wel voor veel CO2-uitstoot en daarom wordt gesproken over ‘grijze’ waterstof.
Het duurzaamst is overschakelen op groene waterstof, maar dat is nog relatief duur. Het rapport van PwC stelt daarom dat de meest kosteneffectieve route voorlopig bij blauwe waterstof ligt. Je benut dan waterstof uit aardgas, maar vangt daarbij CO2 af en slaat die op onder de Noordzee. Dat levert een CO2-neutraal proces op.
Hoe belangrijk blauwe waterstof kan worden, blijkt uit onderstaande grafiek uit het PwC-rapport. De oranje balk helemaal links vertegenwoordigt de totale opgave van 44 miljoen ton CO2-reductie voor raffinaderijen, de basischemie, kunstmest, staal, industriële gassen, voeding, afval, glas, papier en keramische productie. De andere balken geven het aandeel van verschillende reductieopties weer, waarbij blauwe waterstof (blauwe balk) goed is voor liefst 41 procent van het totaal.

CO2-afvang en -opslag (CCS) kan nog extra reductie opleveren voor industriële processen waar waterstof geen rol speelt. In totaal is CCS dan goed voor 21 miljoen ton aan CO2-reductie, bijna de helft van het totaal.
Porthos en Aramis, twee grote projecten voor CO2-opslag onder de Noordzee waar nu aan gewerkt wordt, bieden volgens de schattingen van PwC samen een opslagcapaciteit van 7,5 miljoen ton CO2 per jaar tegen 2030, met een groei naar 25 miljoen ton per jaar in 2035.
Rol Europese CO2-prijs bij verduurzaming industrie
Het afvangen en opslaan van CO2 brengt voor bedrijven extra kosten mee. Dat maakt blauwe waterstof net wat duurder dan grijze waterstof. Bij de keuze om extra kosten te maken speelt de Europese CO2-prijs een belangrijke rol voor grote industriële bedrijven.
Industriële bedrijven die onder het ETS vallen, moeten jaarlijks emissierechten inleveren bij de Nederlandse Emissieautoriteit in overeenstemming met hun CO2-uitstoot. Een deel van de rechten krijgen ze gratis, de rest moeten ze kopen op de emissiemarkt.
De hoogte van de CO2-prijs op de handelsmarkt is dan relevant: hoe hoger de prijs van emissierechten (momenteel ongeveer 80 euro per ton CO2), des te aantrekkelijker het wordt om te investeren en verduurzaming via CO2-reductie. Immers: minder uitstoot betekent dan dat je minder (dure) emissierechten hoeft bij te kopen.
Zwakkere financiële prikkel om te vergroenen
In het rapport van PwC is de ontwikkeling van de Europese CO2-prijs één van de variabelen die meeweegt bij het kostenplaatje van verduurzaming van de Nederlandse industrie. Aangenomen wordt dat de Europese CO2-prijs naar 126 euro per ton stijgt in 2030 en daarna verder oploopt. Maar het effect van de Europese hervormingsplannen voor het ETS is daarin nog niet meegenomen.
Afgelopen vrijdag werd duidelijk dat die plannen onder meer een vertraging van de afbouw van de uitgifte van nieuwe emissierechten behelzen. Simpel gezegd: het totale aanbod van emissierechten wordt in de periode tot 2040 hoger. Dat kan tot gevolg hebben dat de marktprijs van CO2 lager blijft dan tot nog toe werd aangenomen.
Voor bedrijven is dat direct relevant voor de afweging om te investeren in verduurzaming (bijvoorbeeld door te kiezen voor blauwe waterstof), dan wel het afkopen van CO2-uitstoot via emissierechten. Zolang emissierechten relatief goedkoop blijven en ruim beschikbaar zijn, kan het financieel aantrekkelijker zijn om op de markt rechten te kopen in plaats van te investeren in emissiereductie.
De Europese Commissie denkt dat risico te kunnen ondervangen door onder meer speciale potjes te maken voor gratis emissierechten (ETS Investment Booster, Industrial Decarbonisation Bank). Die krijgen bedrijven alleen in ruil voor gerichte investeringen in decarbonisatie. Maar het is nog onduidelijk of dit soort initiatieven echt verschil gaat maken.
Kosten elektriciteit moeten omlaag
Zowel voor het tempo van verduurzaming als voor de internationale concurrentiepositie van de industrie vormen de kosten van CO2-uitstoot maar een deel van het verhaal. Twee andere dingen zijn van groot belang: de kosten van elektriciteit en de vraag naar duurzame industriële producten (groen staal, CO2-arm cement, duurzame plastics, enzovoorts).
De Europese industrie kampt met relatief hoge stroomkosten vergeleken met onder meer China en de VS. Om fiscale redenen geldt dat voor de Nederlandse industrie in het bijzonder.
Dit heeft mede te maken met de rol van aardgas als prijsbepaler op de stroommarkt en de toegenomen afhankelijkheid van de EU van geïmporteerd (vloeibaar) aardgas uit onder meer de VS. In de grafiek hieronder zijn de gemiddelde prijzen van stroom op de groothandelsmarkt te zien. Europese prijzen zijn ruim het dubbele van die in de VS en liggen ook ruim de helft hoger dan in China.
Als bedrijven verder willen verduurzamen, gaat elektriciteit een steeds grotere rol spelen. Dan gaat het niet alleen om direct elektriciteitsverbruik, maar ook om de vervanging van aardgas door elektriciteit als energiebron om warmte te genereren (onder meer via e-boilers en warmtepompen).
Om stroom echt goedkoper te maken in Europa moet wel aan een reeks knoppen worden gedraaid: forse investeringen de opwek van stroom van windparken op zee en zonnepanelen, plus investeringen in netuitbreiding en batterijopslag om netcongestie aan te pakken. Want alleen dan kunnen de relatief lage operationele kosten van elektriciteit uit zon en wind ten volle worden benut.
In theorie zou een dergelijk pakket onderdeel kunnen zijn van de nieuwe Brusselse ambitie om het aandeel van stroom in het eindverbruik van energie te verhogen naar 46 procent in 2040. Maar dan moeten er op dat vlak wel gerichte investeringen komen die de industrie ondersteunen.
In het Electrification Action Plan werd vrijdag een aantal doelen geformuleerd (lagere elektriciteitsprijzen, meer warmtepompen, extra batterijopslag), maar die zijn nog slechts beperkt onderbouwd door financieringsplannen van de EU of van lidstaten zelf. Belangrijk punt daarbij is dat de uitvoering voor een groot deel afhankelijk is van nationaal fiscaal beleid waar de EU niet direct over gaat.
Stimulans voor vraag naar groene industriële producten
Waar lagere prijzen van (groene) stroom bedrijven kunnen helpen om groene keuzes aan de kostenkant aantrekkelijker te maken, liggen er ook kansen aan de vraagzijde. Zolang groen staal en duurzame plastics duurder zijn omdat vervuilendere alternatieven te laag worden belast, kan de overheid dat compenseren door inkoop van duurzamere alternatieven te verplichten.
Concrete plannen hiervoor zijn eerder dit jaar geformuleerd in de Europese Industrial Accelerator Act. Bij overheidsaanbestedingen in de bouw en de auto-industrie moeten verplichtingen komen voor het gebruik van CO2-arm staal, cement en aluminium. Dit geldt echter nog niet voor chemieproducten, terwijl juist de chemiesector behoefte heeft aan meer zekerheid over de afzet van bijvoorbeeld duurzamer plastic. Hier wordt alleen op het niveau van eindproducten met vooralsnog vrijblijvende Europese ecolabels gewerkt.
De perspectieven voor verduurzaming van de industrie zijn dus behoorlijk dubbel. Brussel lijkt de stok van het emissiehandelssysteem voor CO2 te willen inruilen voor een aantal optionele worteltjes. Minder harde druk om CO2-emisses te reduceren, meer bureaucratische complexiteit met aparte potjes om te verduurzamen. Plus een vooralsnog zachte belofte om grootschalig te elektrificeren.
Lees ook:
- EU zwakt CO2-emissiehandelssyteem fors af en hoopt op inhaalslag met elektrificatie
- EU kijkt naar opties voor verlaging stroomkosten van de industrie, maar duurzame transitie vraagt om bredere aanpak
- Hoogleraar energie en duurzaamheid Gert Jan Kramer: ‘Nederland moet knoppen zo zetten dat concurrentienadeel verdwijnt’




