Woensdag heeft de rechtbank Den Haag opnieuw een baanbrekend klimaatvonnis gewezen. In de zogenoemde Bonaire-klimaatzaak (Greenpeace Nederland tegen de Staat der Nederlanden) wordt het Nederlandse klimaatbeleid juridisch getoetst en per saldo te licht bevonden. De uitspraak dwingt de Staat om op relatief korte termijn met aangescherpte klimaatplannen te komen.
Waar ging het om?
Greenpeace stelde dat de Nederlandse Staat onrechtmatig handelt jegens de inwoners van Bonaire door te weinig te doen om de Nederlandse CO2-uitstoot te verminderen (mitigatie) en de gevolgen van klimaatverandering, zoals overstromingen en hitte, te addresseren (adaptatie).
De rechtbank heeft het klimaatbeleid getoetst aan de minimale verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit internationale klimaatafspraken, waaronder het Akkoord van Parijs en het VN Klimaatverdrag. Daarbij moet volgens de rechtbank worden gekeken naar het totaalpakket van mitigatie- en adaptatiemaatregelen, waarbij ook de transparantie van het beleid een belangrijke rol speelt.
Klimaatrechtadvocaat Marieke Faber is mede-oprichter van New Paradigm, een advocatenkantoor voor toekomstgerichte organisaties. Ze ondersteunt bedrijven en organisaties bij juridisch-strategische uitdagingen op het gebied van duurzaam en verantwoord ondernemen.
Nederlandse klimaatdoelen schieten tekort
De rechtbank constateert dat de wettelijke CO₂-reductiedoelstellingen uit de Klimaatwet zowel qua vorm als inhoud tekortschieten. De doelen zijn onvoldoende bindend en bestrijken bovendien niet de hele economie. De aanzienlijke uitstoot van de luchtvaart en zeevaart wordt niet (volledig) meegerekend. De doelen van Nederland geven daarmee een vertekend beeld.
Bijzonder relevant is dat de rechtbank vervolgens ingaat op de minimale inspanning die de Staat in dit verband moet leveren. Zij volgt het betoog van Greenpeace dat Nederland een eerlijke bijdrage (fair share) moet leveren aan het beperken van de mondiale opwarming van de aarde tot 1,5 graad Celsius. Dat betekent in ieder geval dat Nederland uiterlijk 2030 een emissiereductie van ten minste 43 procent realiseert ten opzichte van 2019.
Maar dat is niet genoeg, aldus de rechtbank. Als ontwikkeld land met een historisch hoge uitstoot mag van Nederland – net als van andere Europese landen – een extra inspanning worden verwacht. Hoe die aanvullende bijdrage concreet wordt ingevuld, laat de rechtbank nadrukkelijk aan de Staat. Maatregelen kunnen bestaan uit verdere emissiereductie in eigen land, maar ook uit aanvullende adaptatiemaatregelen of het ondersteunen van emissiereductie in andere landen.
De rechtbank definieert dus een minimale reductielat voor Nederland, maar schrijft niet voor welke beleidsmix (verder) nodig is om tot een eerlijke bijdrage te komen.
Bonaire ongelijk behandeld
In deze zaak oordeelt de rechter voor het eerst ook over de adaptatie-inspanningen van een land. Hoewel de Staat inmiddels stappen zet, ontbreekt nog steeds een integraal adaptatieplan voor Bonaire, terwijl de kwetsbaarheid van het eiland al decennialang bekend is. De rechter constateert dan ook dat de Nederlandse adaptatie-inspanningen in het verleden onvoldoende zijn geweest.
De rechter gaat nog een stap verder en oordeelt dat Bonaire ongelijk is behandeld. Ondanks hogere en urgentere klimaatrisico’s loopt het adaptatiebeleid daar achter op Europees Nederland. Dat levert strijd op met het discriminatieverbod. Dit oordeel is een wake-upcall voor andere (Europese) landen met overzeese gebieden.
Onder aan de streep oordeelt de rechtbank dat het totaalpakket aan klimaatbeleid tekortschiet en daarmee de grondrechten van de inwoners van Bonaire schendt. Dat is onrechtmatig en kan in de toekomst mogelijk leiden tot schadeclaims.
Huiswerk voor de Staat
Uiterlijk in 2030 moet er een robuust adaptatieplan liggen. Daarnaast krijgt de Staat achttien maanden om de wettelijke emissiereductiedoelen in lijn zijn te brengen met het Akkoord van Parijs. Dat betekent een forse ambitieverhoging, onder meer omdat de uitstoot van lucht- en scheepvaart moet worden meegenomen. Ook het onderliggende maatregelenpakket zal flink moeten worden opgeschaald.
De rechtbank geeft de Staat dus behoorlijk wat huiswerk. Hoewel de inkt van het coalitieakkoord nauwelijks droog is, zal serieus moeten worden gekeken hoe de beleidsvoornemens zich verhouden tot deze uitspraak.




