Marc Seijlhouwer 19 november 2021, 09:00

Deelauto’s een flop? Niet als we autorijden eerlijk zouden regelen

Ondanks de groei zijn deelauto’s niet zo populair als gehoopt, bleek uit een recent rapport. Maar dat betekent niet dat ze een mislukking zijn, vindt de CEO van autodeelservice Snappcar. Hij vindt dat autodelen eerlijker moet worden, door hogere parkeerkosten voor auto’s en minder stimulering van autobezit.

Deelauto mensen blij adobe stock Autodelen kan zo leuk zijn, toch wil 'de Nederlander' er nog niet echt aan. Hoe kan dat? | Credits: Adobe Stock

Het is waar: de massa is nog niet bereikt met de deelauto. Maar als ik Erik Rutten, CEO van Snappcar, vraag of het de goede kant op gaat antwoordt hij resoluut ja. “Kijk naar de groei in de grote steden, daar is het concept een groot succes. Omdat zelf een auto hebben daar veel minder loont, en mensen minder vaak een eigen auto nodig hebben”.

Dat moet meer gebeuren. Rutten vindt het niet logisch dat er wel subsidie is voor autobezit, maar niet voor de deelauto. “Er is een aanschafsubsidie, maar je mag vaak ook gratis parkeren met een elektrische auto, of met korting. Voor deelauto’s zijn dat soort voordelen er niet, terwijl het voor het milieu én voor de drukte op de weg veel kan opleveren. Het verhaal is nu: de elektrische auto is de duurzame optie. Dat moet worden: minder auto’s op de weg is de duurzame optie.”

Lees hier meer over de duurzaamheid van deelauto’s

Minder auto’s op de weg

Rutten heeft een duidelijk statement voor duurzaamheid: een miljoen auto’s minder. Dat kan genoeg zijn om de meeste problemen met files op te lossen – dat blijkt ook tijdens de pseudo-lockdowns waar we tijdens covid doorheen gingen. Het levert meer plek op voor speeltuinen, parken of andere dingen omdat er minder parkeerplekken nodig zijn. En het scheelt potentieel veel CO2, omdat mensen die deelauto’s pakken dit lang niet voor al hun verplaatsingen doen. Terwijl autobezitters wel snel de auto pakken voor dingen waar ook het OV een optie is.

Maar een miljoen auto’s op een wagenpark van negen miljoen, dat is veel. Het betekent dat een belangrijk deel van de mensen bezit en gemak op moeten geven. En meer moeten betalen als ze een auto nodig hebben. Rutten ziet het niet zo. “Snappcar heeft in 93 procent van de postcodes een deelauto staan. En er zijn nog een heleboel andere bedrijven die auto’s aanbieden. Er is dus bijna altijd wel een auto beschikbaar. En het dure imago van deelauto’s is ook niet terecht, als je kijkt naar wat je allemaal betaalt voor autobezit.”

Autodelen is gedoe

En toch. Het rapport liegt niet: veel mensen zien weinig in de deelauto. Rutten snapt het wel. “Je moet voor elke dienst een andere app hebben, veel inloggen, niet alles werkt soepel. De user experience kan beter. Maar zó ingewikkeld is het nou ook weer niet.” De deelauto is niet voor iedereen, erkent Rutten. Forens je elke dag, dan is autodelen duur en onpraktisch. “Maar vele mensen pakken de auto alleen in het weekend. Zij kunnen in plaats daarvan de deelauto pakken. Zelfs als zo’n wagen een tweede auto vervangt, is dat enorme duurzaamheidswinst. Je hebt immers geen nieuwe productie nodig. En dat is helemaal waar als delen een elektrische auto vervangt.” Elektrische auto’s produceren kost namelijk flink wat CO2 door het accupakket. Een batterij-elektrische auto zorgt voor 13,6 ton CO2-uitstoot, een benzineauto voor 8 ton. De terugverdientijd van zo’n batterijauto ligt op een paar jaar. Een auto níet kopen levert meteen klimaatwinst op.

Twee soorten deelauto’s

Snappcar is een deelautobedrijf in de puurste zin van het woord. Je
kunt bij het bedrijf je eigen auto inschrijven, waarna je hem kunt delen
met anderen. Met installatie van een speciaal kastje kunnen mensen er
zonder sleutel in, Snappcar regelt alles en krijgt een klein bedrag. De
rest is voor de eigenaar van de auto.

Daarmee verschilt het van veel andere deelauto’s, zoals Greenwheels.
Die bedrijven hebben zelf een wagenpark dat mensen kunnen reserveren.
Deze auto’s hebben speciale parkeerplekken in steden en dorpen.

Maar Rutten weet ook dat minder consumeren lastig is. Hij vergelijkt
het met vlees eten. “We weten dat dat minder moet voor het milieu. Nu
zijn er steeds betere vleesvervangers, waardoor we onze speklap kunnen
vervangen. Maar minder eten, in plaats van evenveel van andere
producten, dat is heel lastig te realiseren.”

Rutten grossiert in vergelijkingen met andere sectoren. Want hij
gelooft niet dat het onmogelijk is om ‘consuminderen’ populair te maken.
“Spotify zorgt ervoor dat steeds minder mensen een platencollectie
hebben. Toch is het razend populair, omdat het betaalbaar en makkelijk
is. Dat kan met autodelen ook.”

Bedrijven en autodelen

Autodelen is, zeker bij Snappcar,
iets van particulieren. Je huurt zelf een auto voor eigen gebruik. Maar
het bedrijfsleven kan ook meer doen om autodelen populair te maken.
“Sowieso moeten bedrijven nadenken of ze nog wel leaseauto’s willen
geven. Ik was consultant vroeger, en toen was het lastig om geen auto
van de zaak te krijgen. Dat moet veranderen. Een mobiliteitsbudget in
plaats van een leaseauto maakt al veel verschil. En als bedrijven het
helemaal goed willen doen, kunnen ze kijken of ze de auto’s die ze
hebben, kunnen inzetten als deelauto als werknemers er niet in
rijden.”

Maar autodelen populairder maken is uiteindelijk vooral aan de
overheid. Want hoewel er bedrijven zijn die een prima boterham verdienen
met autodelen, kan het alleen groot worden met hulp. “En dat is niet
kapitaalintensief, zoals de subsidie voor elektrisch rijden dat wel is.
Met een beetje goedkoper parkeren voor de deelauto en eventueel subsidie
om een kastje in de auto te bouwen zodat autodelen mogelijk wordt, kom
je een heel eind.”

Eline Oudenbroek: "Werkelijke verandering ontstaat uiteindelijk door het doen"

Wat is jouw visie op een duurzame toekomsteconomie? “We hebben onbewust veel schade aangericht aan onze planeet. Nu zullen we bewust met nieuw ontwikkelde technieken moeten werken aan haar herstel. Alle drie de bedrijven waar ik actief ben hebben duurzaamheidsdoelen gesteld binnen hun core business waarmee ze actief de leefomgeving beter maken. Bij Interface is dat het CO2-neutraal produceren en recent het CO2 vastleggen in de producten. Bij Tauw gaat het om het ontwikkelen van oplossingen om de kwaliteit van de leefomgeving sterk te verbeteren, met focus op water- en bodemvraagstukken. En bij Alfen het ontwikkelen van oplossingen voor (de opslag van) betaalbare, schone energie.” Toezichthouders stellen samen met de directie die doelen vast. Hiermee geven we richting aan de inspanning van medewerkers en leveranciers. Want je komt verder als je samenwerkt met je leveranciers en de resultaten daarvan deelt met de rest van de industrie en vice versa. Ik denk dat samenwerken in een duurzame toekomsteconomie noodzakelijk is. Als iedereen voor zichzelf gaat pionieren dan hebben we misschien individueel wel een economisch goede toekomst op de korte termijn, maar in het grotere plaatje verliezen we allemaal.” Eline Oudenbroek is voorzitter van de Raad van Commissarissen bij ingenieursbureau Tauw en commissaris bij installatiebedrijf AlfenDoor de klimaatcrisis en de energietransitie moeten veel bedrijven nu een transitie doormaken. Vaak ook onder hoge tijdsdruk. Welke type leiderschap is daarvoor nodig? “Volgens mij is het toverwoord in deze tijd verbinding. Je kunt het niet alleen. Een leider moet inspireren. Dat merk ik bij Interface, waar de inmiddels overleden oprichter nog steeds de inspirator is. Hij heeft een stip op de horizon gezet. Wij zullen in 2040 een ‘C02 negatieve onderneming’ zijn. In die doelstelling worden ook leveranciers meegenomen. Zij zijn cruciaal voor het behalen van deze doelstelling door co-creatie. Uiteindelijk heeft dit ook weer een positief rimpeleffect naar andere partijen waar zij aan leveren. Maar je kunt nog zo’n mooie visie hebben, je kunt alleen een snelle draai maken als iedereen vanuit zijn eigen hart zich verbonden voelt met die doelstelling. Dus heel belangrijk is weten: wat inspireert mensen, wat kunnen en willen ze toevoegen en hoe maken we de verbinding om die energie tussen mensen te laten stromen. En dus: hoe stel ik een plan op met concrete doelen die begrijpelijk en behapbaar zijn, zodat iedereen er actief aan kan bijdragen. Vervolgens is het zaak om dit om te zetten in concrete acties en daadkracht, want werkelijke verandering ontstaat natuurlijk door het doen. Als toezichthouder zit je niet zelf achter het stuur. In die rol vertrouw je op de professionals in de directie en het managementteam. Je bent afhankelijk van je kennis van de productie- en besluitvormingsprocessen en natuurlijk van de mensen, dus is het zaak ze goed te leren kennen. Je weet welke mensen sleutelposities innemen in het bedrijf en wat de bedrijfscultuur is. Met die hoofdrolspelers maak je de plannen met bijbehorende doelstellingen. Dat zijn niet altijd de usual suspects. In elk bedrijf zitten wel mensen die door hun persoonlijkheid of aparte kennis veel toegevoegde waarde hebben wanneer er gekozen wordt om een andere koers te varen bij het opnieuw stellen van ambitieuze doelstellingen.” Hoeveel impact kan je als toezichthouder maken? En hoe doe je dat? “Instrumenten van de toezichthouder zijn onder andere de doelen die je stelt samen met de directie en de bijbehorende incentives. Hiermee kun je bijvoorbeeld nadruk leggen op het samenwerken in de keten en het delen van kennis en technieken. Of op het realiseren van concrete, duurzame resultaten.” Binnen de bedrijven waar ik toezichthouder ben, zijn we die doelen voor komende jaren helder en concreet aan het maken. In een beursgenoteerd bedrijf als Alfen hebben aandeelhouders hier een rol. Bij een bedrijf als Tauw, waar participatief leiderschap is geïmplementeerd en het eigendom in handen is van de medewerkers, komen die doelstellingen meer vanuit de dialoog in de organisatie. Maar overal geldt dat de maatschappij als een soort externe commissaris functioneert. Op die manier krijgt de maatschappij steeds meer invloed op de doelstellingen van bedrijven.” “Omdat de duurzaamheidsthema’s waaraan belang wordt gehecht per land kunnen verschillen, zullen internationaal opererende bedrijven daar rekening mee moeten houden. In Nederland zijn we bijvoorbeeld, naast recycling en behoud van grondstoffen, heel erg gericht op stikstofreductie terwijl in andere landen het materialenpaspoort van gebruikte grondstoffen juist meer prioriteit heeft. Daarom onderzoeken we internationaal wat de focusthema’s en bijbehorende targets zijn die we moeten stellen aan de directie.” Wat zijn de uitdagingen die je bij het toezicht houden op de verduurzaming van bedrijven tegenkomt? “Voornamelijk inzicht in definities en het gebrek aan duidelijke meetmethoden. Bij de bedrijven waar ik toezicht houd zoeken we naar relevante nulmetingen om op basis daarvan onze voortgang op duurzaamheidsdoelen te formuleren en te meten. Er is nog veel in ontwikkeling.”