Marc Seijlhouwer 07 oktober 2021, 14:57

In 2022 komt de innovatie in elektrische auto’s uit de VS - als het aan General Motors ligt

General Motors, het legendarische automerk uit Michigan, opent volgend jaar een onderzoekscentrum voor elektrische auto’s. In dit centrum moeten batterijen en andere techniek ontwikkeld worden die ervoor zorgt dat stekkerwagens straks 1.000 kilometer op één lading kunnen rijden.

GM Battery Research And Development 07 Er is veel onderzoek nodig om een batterij geschikt te maken voor een auto | Credits: GM

Het Wallace Center, vernoemd naar een van de pioniers op batterijgebied binnen General Motors (GM), moet de spil worden van de toekomst van het autobedrijf. Zowel op korte als lange termijn zullen ingenieurs nieuwe batterijen ontwikkelen die auto’s betaalbaarder en beter maken. Dat wil GM onder andere doen met een batterijtechniek die ze nu al hebben: ‘Ultium’. Dat zijn batterijen die je zowel verticaal als horizontaal bij elkaar kan leggen, wat de ontwerpers meer vrijheid geeft om de auto vorm te geven. Dat kan uitkomst bieden voor de wagens die GM wil bouwen. Zo kondigde het al een elektrische Hummer aan, de iconische benzine-slurper van vroeger.

Nieuwe technieken voor batterij

Maar voor de verdere toekomst moet het onderzoekscentrum echt grote dingen opleveren. GM gaat allerlei nieuwe batterijtechnieken onderzoeken om zo een auto te bouwen die 1.000 kilometer kan rijden op een volle batterij. Dat is aanzienlijk meer dan de gemiddelde elektrische auto nu kan (hoewel Tesla claimt in 2023 een Roadster op de markt te hebben die ook zo ver komt). GM kijkt naar dingen als lithium-metaalbatterijen (die anders zijn dan lithium-ionbatterijen), silicium- en solid-statebatterijen. Allemaal technieken die nog niet eerder grootschalig in auto’s zaten, bijvoorbeeld omdat ze te instabiel of te duur waren. GM gelooft dat deze technieken kunnen helpen om de elektrische auto in de toekomst beter te maken.

Hoewel het een onderzoekslab wordt, blijft de binding met de nabijgelegen autofabrieken belangrijk. Daarom zullen er grootschalige prototypen van de experimentele batterijen uit het lab komen. Deze kunnen vervolgens getest worden en, als alles werkt, kan de techniek daarna snel op grote schaal in elektrische auto’s worden gezet.

De eerste elektrische auto

Het Amerikaanse autobedrijf heeft een flinke inhaalrace te doen op concurrent Tesla. Net als de grote Europese autobedrijven begon GM relatief laat met het ontwikkelen van elektrische wagens. En dat terwijl GM in de jaren ’90 een absolute voorloper was; toen presenteerde het bedrijf de EV1. Deze auto ging zelfs in productie, maar na 2.500 auto’s trok GM de stekker eruit. Reden: de hoge kosten van productie en onderhoud. Sindsdien is er veel veranderd. Nu zijn de onderhoudskosten van elektrische auto’s bijvoorbeeld juist veel lager dan die van benzineauto’s.

De tijd is eindelijk rijp voor groene waterstof

In 2019 zag de wereld er anders uit. Toen hadden nog maar een paar landen verregaande strategieën om groene waterstof, gemaakt met water en duurzame stroom, in te zetten in de energiehuishouding. Twee jaar later hebben maar liefst zeventien landen - waaronder Nederland - zo’n plan op tafel liggen. En hoewel de uitwerking van die plannen soms nog te wensen overlaat, lijkt er na jaren van praten wel degelijk iets te gebeuren, aldus het Energieagentschap. Apparatuur voor waterstof komt langzaam van de grond Het zwaartepunt van waterstofproductie ligt in Europa: 40 procent van de waterstoffabrieken ligt op dit continent. Ook Nederland levert een (heel bescheiden) bijdrage in de vorm van Hystock, het waterstoffabriekje in Groningen. De hoeveelheid geïnstalleerd vermogen van elektrolysers, de machines die water omtoveren in waterstof, verdubbelde in vijf jaar tijd van 150 naar 300 megawatt. En er zijn een heleboel plannen: het IEA telt er 350, die samen goed zijn voor 54 gigawatt aan waterstofvermogen. Als al die plannen voor 2030 tot wasdom komen kunnen ze 8.000 ton waterstof produceren. Dat lijkt veel, maar de wereldwijde vraag naar waterstof als grondstof was in 2020 al 90.000 ton. En dat is vooral de vraag uit de industrie, die waterstof als grondstof gebruikt. Nu gebruikt de industrie waterstof gemaakt van gas. Als men straks ook waterstof wil gebruiken als alternatief voor aardgas, of als brandstof voor auto’s, dan zal de vraag alleen maar toenemen. Het IEA ziet dan ook dat het aanbod voor groene waterstof in 2030 eigenlijk tien keer zo groot moet zijn, willen we de doelen van Parijs in 2050 halen. Internationaal samenwerken voor waterstof Kortom: hoewel we ten opzichte van een paar jaar geleden grote stappen maakten, moet er sneller meer gebeuren op het gebied van waterstof. Alleen dan kan de CO2-uitstoot snel genoeg dalen en catastrofale opwarming van de aarde voorkomen worden. Hoe dat precies moet? Het IEA geeft in ieder geval een tip: meer internationale samenwerking. Want alleen doordat landen met elkaar afspraken maken over productie en afname van groene waterstof kan er een markt ontstaan. En die markt zal ervoor zorgen dat groene waterstof goedkoper wordt, waarmee er meer investeringen komen en de productie groeit. Japan (dat onder andere samenwerkt met Australië) en Europa (waar via de EU een waterstofproject loopt waar veel landen aan meedoen) geven hierin het goede voorbeeld. Ook Latijns-Amerika en het Midden-Oosten werken aan waterstofprojecten die vooral voor de export bedoeld zijn.