De meeste mensen die op een bedrijventerrein werken, zouden er niet willen wonen. En dat is gek, vindt Hugo Kranenburg. Niet omdat hij graag huizen wil bouwen tussen al het grijs, wel omdat veel mensen meer tijd op hun werk doorbrengen dan thuis.
En dus mogen bedrijventerreinen best wat groener, vindt hij. ‘Thuis wil je toch ook een mooie tuin?’ Samen met Gert-Jan Hubers richtte hij Greendustry op. Kranenburg werd directeur, Hubers voorzitter van het bestuur van de stichting.
Greendustry ontwerpt en ontwikkelt ‘bedrijfsnatuur’: natuur op bedrijventerreinen. Dat heeft grote voordelen voor werkgevers en werknemers. Toch ziet Kranenburg zichzelf niet echt als changemaker, zegt hij aarzelend als Change Inc. hem voor deze rubriek benadert.
Dat is wel erg bescheiden.
‘Ik heb niet de illusie dat ik in mijn eentje de wereld ga veranderen. Sterker nog: ik zou Greendustry in mijn eentje nooit bedacht hebben. Het ontstond tijdens een gesprek met mijn medeoprichter Gert-Jan, toen ik zei dat ik meer voor het klimaat wilde doen.’ Lachend: ‘Ik gebruik graag goede ideeën van anderen. Ik heb het slechts uitgewerkt.’
Waarom wilde je ‘meer voor het klimaat doen’?
‘We hebben Greendustry opgericht in de periode dat er veel klimaatdemonstraties en -protesten waren. Het was de tijd van soep op schilderijen gooien. Ik vind het klimaat ook belangrijk, maar maak liever iets nieuws dan dat ik iets kapotmaak. Protesteren is niet zo mijn ding, constructief bijdragen wel.’
Greendustry is een stichting. Waarom niet ‘gewoon’ een commercieel adviesbureau?
‘Dat vragen mensen vaker, maar ik vind het heel logisch. Bedrijven worden opgericht om winst te maken, maar onze winst zit in het groen. Dáár moet het geld heen. Dat moet niet ergens aan de strijkstok blijven hangen. We doen gewoon mee in het economisch verkeer, maar mogen geen winst maken.
Het was wel in het begin wel een tegenvaller dat we geen ANBI-status konden krijgen. Die aanvraag is afgewezen omdat wij bedrijven helpen. Mensen zouden hun giften aan ons daardoor niet kunnen aftrekken bij de Belastingdienst.’
Hoe gaan jullie te werk?
‘Onze klanten zijn meestal gemeenten die een bedrijventerrein willen vergroenen en ondernemers ervan willen overtuigen dat ook zij daar baat bij hebben. Het gebeurt ook weleens dat bedrijven zelf het initiatief nemen, maar in dat geval gaat het moeizamer.
De gemeente bezit weliswaar een minderheid van de grond op bedrijventerreinen, maar is wel cruciaal bij groenontwerpen die een erf overschrijden. Als een gemeente zelf nog geen geld gereserveerd heeft voor zo’n project, duurt het vaak lang tot er wel geld kan worden vrijgemaakt.
Greendustry adviseert over het goede groen op de goede plek. Maar belangrijkste nog is dat we ondernemers en gemeenten bij elkaar brengen. Dat vind ik het leukst om te doen. Ik ben geen ecoloog – daar heb ik collega’s voor – maar ik weet wel hoe ik mensen moet verbinden.
Bij dat verbinden is vooral taal belangrijk. Je moet beide doelgroepen kunnen aanspreken. Een gemeente nodigen we bijvoorbeeld uit voor een co-creatiesessie; bij een ondernemer noemen we het een pizza-avond. Een gemeente wil een klimaatbestendige omgeving, een ondernemer gewoon een koele auto na een lange werkdag.’
Waarom focussen jullie specifiek op bedrijventerreinen?
‘Vooral omdat daar heel veel winst te behalen is. Bedrijventerreinen zijn over het algemeen gigantisch versteend. Daardoor kan water er niet weglopen en wordt het er snel heel warm.
Daarbij zijn bedrijventerreinen economisch extreem belangrijk. Ze moeten dus aantrekkelijk zijn en blijven voor werknemers. Dat zijn ze nu niet.’
Lukt het altijd om alle ondernemers mee te laten doen?
‘Wat ik tof vind aan groen is dat het een soort wondermiddel is om heel veel problemen tegelijk op te lossen. Het gaat hitte en wateroverlast tegen, stimuleert biodiversiteit en zorgt voor een gezonde leefomgeving.
Op die manier kun je altijd wel een argument bedenken waarmee je iemand kunt overtuigen. Vinden mensen natuur en biodiversiteit niet per se belangrijk, dan willen ze wel een goede werkgever zijn. Op die ‘harde’ kant van winst maken moet je ook kunnen inspelen om bedrijven te kunnen overtuigen.
Ondernemers die niet meteen overtuigd zijn, haken in een later stadium toch vaak aan als ze zien wat anderen doen. Maar er zullen er altijd een paar blijven die hun hele perceel besteend willen houden. Het heeft weinig nut om daar dan veel energie aan te besteden.’
Op welke voorbeelden ben je trots?
‘In de Zuid-Hollandse gemeente Molenlanden hebben we een ‘parkeerbos’ aangelegd. Dat is een mooi voorbeeld van hoe je natuur kunt combineren met activiteiten die toch al plaatsvinden. We willen economie en ecologie verbinden.’

Het ‘parkeerbos’ in de gemeente Molenlanden. | Credits: Greendustry
Gaat het ook weleens mis?
Grijnzend: ‘Ik heb een presentatie van twintig minuten over al onze fouten. Die geef ik weleens aan gemeenten, zodat zij ervan kunnen leren.
Het gaat vooral fout als je belangrijke mensen vergeet te betrekken. Of als je gemeenten en ondernemers niet snel genoeg bij elkaar in een ruimte zet. Dan hebben beide al zo hun eigen gedachten, en de kans is groot dat die niet matchen.
Fouten als deze hebben we meerdere keren gemaakt. Maar van fouten leert men. Ik werd laatst een rasoptimist genoemd; ik denk wel dat dat klopt.’
Met wie zou je graag nog samenwerken?
‘Ik zou wel wat meer invloed willen hebben op het beleid van gemeenten, te zorgen dat vergroening hoger op de agenda komt. We hebben recent kennissessies georganiseerd in de provincie Noord-Holland. Het zou mooi zijn als we dat ook op andere plekken mogen doen.’



