Een plukweide, een plek voor kinderen om te leren moestuinieren, een groene vlechthaag die door de hele stad moet gaan lopen: het zijn slechts enkele initiatieven die je op de ‘groene kaart‘ van Breda vindt. De Brabantse stad werd vorig jaar benoemd tot ‘National Park City’, als eerste in Nederland. Een speciale stichting moet ervoor zorgen dat Breda in 2030 één van de meest natuurrijke steden van Europa is.
Het idee dat steden en dorpen ‘groen’ moeten zijn, wordt steeds breder geaccepteerd. Enkele decennia geleden wilden we natuur vooral beperken tot natuurgebieden, inmiddels weten we: in een groene omgeving is onze mentale én fysieke gezondheid beter. Contact met de natuur verbetert bijvoorbeeld onze concentratie, geheugen en leerprestaties, en mensen in natuurrijke gebieden hebben minder hart- en vaatziekten en andere fysieke klachten.
Biodiversiteit is bovendien de basis van de wereld om ons heen, van cruciaal belang voor onder meer onze voedselproductie en hoe bestand onze omgeving is tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Niet zo gek dus dat vrijwel alle nieuwbouwwijken die uit de grond worden gestampt ruimte laten voor bomen en struiken. Maar we vergeten vaak dat de 100.000 woningen die per jaar gerealiseerd moeten worden slechts een fractie zijn van de ruim 8 miljoen woningen in Nederland. Vergroenen die bestaande wijken ook?
Van gazons naar bloemrijk grasland
Ecoloog Karin Albers heeft eigenlijk een hekel aan ‘groen’. Niet aan de kleur, maar aan het woord. Met groen, weet ze, bedoelen we vaak gemaaide gazons en gesnoeide haagjes. Kijk je naar biodiversiteit, dan is dat niet genoeg. Liever spreekt ze van ‘natuur’: een diversiteit aan inheemse planten en dieren die voldoende de ruimte krijgen.
Twee jaar geleden publiceerde Albers haar boek Iedere straat verdient natuur. Hoe zit het nu met die ambitie? ‘Daar zijn we nog lang niet.’ Want ook zij kent vooral de natuurinclusieve nieuwbouwwijken. Goede voorbeelden van het transformeren van de bestaande bebouwde omgeving kan ze zo snel niet bedenken. Gebeurt het wel, dan lift vergroening vaak mee op een ander project, zoals het vervangen van rioolleidingen.
Goede cijfers over de natuur in Nederlandse wijken zijn er niet. Dat is ook moeilijk te meten: wanneer is iets ‘natuur’? Wel brengt stichting Steenbreek met onder meer luchtopnames, infraroodbeelden en satellietdata in kaart hoe versteend wijken zijn − en waar kansen voor vergroening liggen.
Ook Albers ziet veel kansen − zelfs in een overvol Nederland. Deels omdat er ‘heel veel onnodige bestrating is’. Geveltuintjes passen bijvoorbeeld bijna overal nog. Maar ook grotere oppervlakten die al groen zíjn, kunnen natuurlijker worden gemaakt. Albers: ‘Bijna elke wijk heeft wel een park, of een speeltuin. Nu bestaat dat vaak uit gazons. Vervang die door bloemrijk grasland, leg her en der een poeltje aan en je komt al een heel eind. Met het upgraden van bestaand groen tot natuurlijk groen valt veel winst te behalen.’
De rol van vastgoedbeheerders
Het zijn echter niet alleen gemeenten die voor meer natuur in de stad kunnen zorgen. Ook particuliere en sociale verhuurders hebben veel grond in bezit, zegt Roosmarijn van de Velde. Zij is verantwoordelijk voor het thema biodiversiteit binnen de Dutch Green Building Council (DGBC). ‘De natuur houdt niet op bij de openbare ruimte.’
Hoewel Van de Velde erkent dat natuur vooral aandacht krijgt bij nieuwbouwprojecten, ziet ze dat vastgoedbeheerders zich steeds vaker realiseren dat ook de bestaande bebouwde omgeving moet worden vergroend. Bijvoorbeeld voor de gezondheid van bewoners, om hittestress tegen te gaan en om meer water te kunnen opvangen bij extreme regenval.
Dat leidt deels al tot concrete actie. Zo heeft a.s.r. real estate in samenwerking met adviesbureau Sweco al het groen in de eigen vastgoedportefeuille in beeld gebracht. Zo werd ook de ‘groenpotentie’ berekend. Vastgoedpartijen zijn soms ook bereid om in de openbare ruimte te investeren, omdat aanpassingen in het straatbeeld vaak effectiever zijn voor klimaatadaptatie dan aanpassingen aan gebouwen zelf.
Maar waar natuurinclusiviteit bij nieuwbouwprojecten tegenwoordig vaak in de ontwerpfase is inbegrepen − alleen al omdat veel gemeenten daar normen voor stellen − is het thema bij bestaande bouw geen onderdeel van het proces, ziet Van de Velde. Daardoor ontbreekt er een duidelijke prikkel om te vergroenen. ‘Want als het altijd kan, kan het ook nooit.’
Daarbij, zegt ze, worstelen veel partijen met de vraag hoe ze effectief kunnen vergroenen: ‘Vastgoedbeheerders zijn geen ecologen.’ Er is weliswaar de zogenoemde Basiskwaliteit Natuur, die randvoorwaarden omschrijft voor het overleven van algemene soorten in Nederland, maar daar horen nog geen concrete maatregelen bij.
DGBC werkt daarom samen met onder andere vastgoedbeleggers, Naturalis, Deltaplan Biodiversiteitsherstel en de overheid aan een marktstandaard biodiversiteit. Zo’n openbare methode geeft inzicht in de huidige natuurinclusiviteit van het vastgoed en verbeterkansen. Die moet in de loop van volgend jaar af zijn.
Een insectvriendelijke stad
Voor wie het bebouwde gebied natuurlijker wil maken, is er sinds vorige week wel de nieuwe ‘Handreiking insectendiversiteit in de bebouwde omgeving‘. Die is opgesteld door Collectief Natuurinclusief: een samenwerking tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven. Het collectief werkt toe naar een natuurinclusieve samenleving in 2050, waarin alles wat mensen doen met respect voor de natuur gebeurt.
In de nieuwe handreiking worden elf richtlijnen voor de insectvriendelijke stad gepresenteerd. Dat varieert van ‘creëer natuurkernen van minimaal 0,8 hectare groot’ tot ‘maai hetzelfde oppervlak maximaal twee keer per jaar en maai niet alles, maar laat steeds een deel van de vegetatie staan’.
Waarom de specifieke focus op insecten? Simpel, vertelt ecoloog Victor Beumer van adviesbureau Aveco de Bondt. Hij is domeintrekker bouw bij Collectief Natuurinclusief. Beumer: ‘Insecten spelen een sleutelrol in alle ecosystemen. Ze zorgen voor bestuiving, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en noem maar op. Tegelijkertijd nemen insecten in aantallen en soorten het snelst af.’ Het aantal bestuivers, zoals bijen en zweefvliegen, is de afgelopen decennia met naar schatting 50 tot 90 procent gekelderd.
Bijenkasten zijn niet genoeg
Ja, Beumer weet heus dat insecten geen sexy onderwerp zijn. Erger: insecten zijn niet bepaald geliefd. Plannen om bestaande wijken te vergroenen kunnen om die reden regelmatig op weerstand rekenen − anders dan in nieuwbouwwijken waar nog geen bewoners zijn. Weinig mensen staan te juichen om extra muggen en wespen in hun achtertuin.
Maar veel van die bezwaren van bewoners zijn gebaseerd op onjuiste aannames, weten Beumer en Albers. Wespen zijn het grootste deel van de zomer bijvoorbeeld niet tot last, maar eten juist veel andere ‘vervelende’ insecten. Bovendien is gezond water in een wijk vaak geen bron van muggen. Albers: ‘Die komen eerder uit een emmer water die al twee weken in de tuin van de buren staat.’
Onwetendheid speelt ook bij gemeenten en andere partijen die meer groen moeten aanleggen. Veel mensen verwarren bijvoorbeeld ‘dieren’ met ‘biodiversiteit’, ziet Beumer. Niet alle dieren zijn even nuttig voor een omgeving. Neem de honingbij in bijenkasten. ‘Die is gedomesticeerd, zeg maar de koe onder de bijen. Dat is een grote concurrent voor de wilde bij.’
Meer dan de kers op de taart
Ontwikkelaars kiezen bovendien vaak onbewust voor planten en bomen waar nog pesticiden op zitten, of voor materialen die niet pesticidevrij zijn. Beumer: ‘Die middeltjes zijn ontworpen om insecten tegen te houden. Dat maakt alle maatregelen die je neemt in feite dus ongedaan.’
De oplossing ligt in biologische werkwijzen, die standaard geen bestrijdingsmiddelen gebruiken. Maar het kan wel even duren voor de keten van publiek ingekocht groen verandert, zegt Beumer. Deels omdat omschakelen naar biologisch nou eenmaal tijd kost, maar ook omdat planten niet in een week volgroeid zijn. Kwekers willen best biologisch werken, ziet hij, maar dan willen ze wel garanties van gemeenten of andere aankopers. Die moeten de biologische boom over een paar jaar immers nog willen afnemen.
Het is misschien wel precies dat soort samenwerkingen die vergroening kunnen helpen. Want als partijen het in hun eentje doen, brokkelt de ambitie vaak gaandeweg af. Ontwikkelaars laten zich tegenhouden door geld- of ruimtegebrek, ziet Albers. Maar dat is vooral een kwestie van prioriteiten. ‘Natuur in de stad wordt gezien als een nice-to-have: de kers op de taart. Terwijl het juist één van de hoofdingrediënten zou moeten zijn.’



