Jeroen de Boer
30 juni 2026, 15:19

Recht op reparatie is nog steeds vrijblijvend: 'Langere garantietermijn werkt beter', volgens onderzoeker van TU Delft

Circulair gebruik van elektronica kan het gebruik van nieuwe grondstoffen enorm verlagen. Maar beleid en regelgeving werken niet altijd even effectief. ‘Bedrijven buigen regelgeving die ook maar een klein beetje ruimte overlaat om in hun voordeel’, zegt Benjamin Sprecher van de TU Delft.

ciriculair gebruik grondstoffen recht op reparatie | Credits: Getty Images

In het debat over circulair gebruik van grondstoffen zijn duurzaamheid en geopolitiek nauw met elkaar verweven geraakt. Minder afhankelijkheid van internationale grondstofketens − met China als de mondiale sleutelspeler − staat in Europa inmiddels hoog op de politieke agenda.

De energietransitie stelt Nederland en Europa wel voor een speciale uitdaging. Technologie voor onder andere batterijen, zonnepanelen en computerchips leunt zwaar op kritieke grondstoffen waar Europa bijzonder weinig controle over heeft.

Dergelijke grondstoffen zitten ook verwerkt in klassieke consumentenelektronica zoals wasmachines, stofzuigers, mobiele telefoons en computers. Circulair gebruik van elektronica kan dus bijdragen aan beperking van het gebruik van nieuwe grondstoffen. Met strategische én duurzaamheidsvoordelen.

De vraag is wel of wetgeving en beleid op het gebied van circulariteit op de meest effectieve manier worden ingezet. Dat geldt onder meer voor een nieuwe Europese richtlijn die op 31 juli van kracht wordt en het ‘recht op reparatie’ moet versterken voor consumenten.

Change Inc. sprak erover met Benjamin Sprecher. Hij is als specialist in circulair productontwerp verbonden aan de faculteit voor Industrial Design Engineering van de TU Delft, en is daarnaast directeur van het Centre for Materials & Resilience (CMR). Deze denktank voor kritieke grondstoffen en circulariteit bracht eerder dit jaar een rapport uit over de omgang met consumentenelektronica in relatie tot kritieke grondstoffen.

Directeur Benjamin Sprecher van het Centre for Materials & Resilience. | Credits: TU Delft

Merk je dat de verschuiving in de discussie over circulariteit naar ‘weerbaarheid’ en ‘strategische autonomie’ het makkelijker maakt om beleidsmakers mee te krijgen in verduurzaming?

‘Het milieuperspectief blijft voor mij het belangrijkste, maar dit helpt wel, ja. Praten over strategische autonomie is een manier om in gesprek te blijven met partijen die van nature minder op hebben met duurzaamheid. Als je daardoor dingen kunt bereiken die zowel goed zijn voor het milieu als voor de zelfstandigheid van Europa, moeten we dat doen. Een beetje zoals de bekende uitspraak van Bertolt Brecht: Erst das Fressen und dann die Moral. (Eerst het eten en dan de moraal, red.)

Aan de andere kant zijn niet alle ideeën die worden geopperd vanuit een strategisch perspectief, even effectief. Soms hoor ik politici praten over het aanleggen van strategische voorraden voor kritieke grondstoffen. Dat levert niets op als je niet ook de verwerkingscapaciteit hebt voor die materialen. De belangrijke beleidskeuzes liggen juist rondom het verwerken van grondstoffen tot producten.’

Het rapport Rewiring Consumer Electronics noemt het ontwerp van consumentenelektronica een cruciale factor. Dat bepaalt sterk of componenten toegankelijk zijn voor bijvoorbeeld reparatie, en daarmee ook de kansen voor hergebruik van belangrijke grondstoffen. 

‘Je moet beseffen dat er bij bedrijven meestal twee aparte afdelingen betrokken zijn bij het ontwerp van producten. Aan de ene kant heb je ontwerpers die vooral kijken naar de buitenkant, waarbij zaken als vorm en de gebruikservaring van de consument een grote rol spelen. En dan heb je de ingenieurs die zich bezighouden met hoe het product daadwerkelijk in elkaar wordt gezet.

Een product kan daardoor voor een gebruiker een premium uitstraling hebben met dito prijs, terwijl het bijvoorbeeld moeizaam blijkt om bij motoronderdelen te komen omdat er twaalf verschillende soorten schroeven zijn gebruikt.

Die interne toegankelijkheid is echter superbelangrijk als je onderdelen wilt vervangen of waardevolle grondstoffen wilt behouden. Dat heeft een masterstudent van onze opleiding onlangs onderzocht door zo’n vijftien willekeurige stofzuigers te demonteren. Daarbij bleek de tijd die nodig was om bij de motor te komen te variëren van één tot zes minuten.

Voor de businesscase van circulaire processen telt zo’n verschil in arbeidstijd heel zwaar. Misschien lijkt zes minuten om bij de motor te komen niet veel, maar als je in serie werkt en er is een factor zes qua tijdsverschil, dan maakt dat enorm veel uit voor de doorloopsnelheid. Je wint per tijdseenheid in het ene geval immers zes keer zo veel materiaal terug als in het andere.’

Een belangrijke bevinding uit het rapport is dat ontwerpaanpassingen die zorgen voor besparingen op het gebruik van kritieke materialen, zeer effectief kunnen zijn. Maakt het nog uit of je mikt op minder gebruik van eenzelfde grondstof of vervanging van het ene materiaal door een andere grondstof?

‘Soms kun je heel veel winnen door één materiaal geheel te vervangen door een ander. Voor batterijen is het bijvoorbeeld enorme winst, als het lukt om lithium te vervangen door natrium. Dat laatste is veel breder beschikbaar en goedkoper om te winnen. Maar in andere gevallen moet je veel specifieker kijken.

Herontwerp van bepaalde motoren kan bijvoorbeeld een besparing van 20 procent opleveren van het benodigde neodymium. Dat zou je met regelgeving kunnen stimuleren. De kunst is dan wel dat je wetgeving zo formuleert dat die het beoogde effect sorteert, zonder dat je te gedetailleerde eisen gaat stellen. Regelgeving moet wel uitvoerbaar blijven voor bedrijven.

Het verschil in perspectief tussen landen en bedrijven wordt hierbij vaak vergeten. Een multinational met een fabriek in Europa kan op toeleveringsrisico’s reageren door de fabriek naar China te verplaatsen om toegang tot bepaalde grondstoffen veilig te stellen. Maar voor het land waar de fabriek van zo’n onderneming dan gesloten wordt, is dat natuurlijk een drama, want daar is iedereen z’n baan kwijt. Dat spanningsveld is belangrijk voor het beleid rond kritieke grondstoffen, zeker in een land als Nederland, waar de politiek graag naar het bedrijfsleven luistert.’

Bij ontwerpverbeteringen die circulariteit beter borgen, kan de levensduur van consumentenelektronica volgens het CMR-rapport in veel gevallen worden verdubbeld, met een halvering van de benodigde kritieke materialen. Wat is er voor nodig om dat af te dwingen?

‘Het gaat vooral om hoe je regels precies inricht. Bedrijven zijn heel goed in staat om regelgeving die ook maar een klein beetje ruimte overlaat in hun voordeel om te buigen, en daar lobbyen ze ook actief voor.

Het komt regelmatig voor dat producten die op papier uitstekend scoren in rankings voor repareerbaarheid in de praktijk helemaal niet repareerbaar zijn. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als je verschillende subcriteria een gelijke weging geeft bij de beoordeling. Als het verschaffen van informatie over reparatie, het gemak waarmee je een apparaat uit elkaar kunt halen en de beschikbaarheid van reserveonderdelen alle drie even zwaar wegen, kan een totaalscore best hoog uitvallen. Ook als bepaalde cruciale reserveonderdelen niet beschikbaar zijn en een product daardoor de facto onrepareerbaar is.’

Hoe kan regelgeving effectiever?

‘Het oprekken van garantietermijnen is één van de krachtigste maatregelen waarmee je veel teweeg kunt brengen. Dus niet twee of vijf jaar garantie, maar gewoon garantie tot wat redelijkerwijs de technische levensduur zou moeten zijn. Dat kan zo oplopen tot twaalf of vijftien jaar, afhankelijk van de productcategorie.

Als je dan meeneemt dat bedrijven bij langere garantietermijnen de keuze hebben om een gerepareerd product of een refurbished alternatief aan te bieden, dwing je automatisch af dat ze anders gaan nadenken over design en repareerbaarheid. Linksom of rechtsom moeten ze dan sterker gaan sturen op kwaliteit en een langere levensduur.’

Werkt dat beter dan de nieuwe EU-richtlijn voor het recht op reparatie? Daar wordt onder meer gesproken over een reparatieplicht voor producenten en importeurs binnen een ‘redelijke termijn’ en tegen een ‘redelijke prijs’.

‘Als je de EU-richtlijn doorleest, klinkt die vooralsnog heel vrijblijvend met veel ruimte voor interpretatie. Vanuit het verleden weten we dat zoiets niet werkt, omdat je uiteindelijk bedrijven stimuleert om zich wel aan de letter, maar niet aan de geest van de wet te houden.

Zodra één concurrent besluit om een maas in de wet te benutten, neemt de druk op de rest toe om daarin mee te gaan. Dan ontstaat er al snel een race to the bottom. Daarom voel ik meer voor relatief eenvoudige wetgeving die ondernemingen een bepaalde kant op duwt, zoals lange garantietermijnen.’

Zie je ruimte voor Nederland om met nationale wetgeving circulair gebruik van producten sterker te stimuleren?

‘De Nederlandse politiek heeft de afgelopen jaren vooral gedacht dat er minder regels moeten komen voor bedrijven en dat we niet méér moeten doen dan het absolute minimum van wat Europa voorschrijft. Daarmee heeft Nederland zijn invloed op het Europese debat onnodig beperkt.

Bij circulariteit ligt er wel degelijk ruimte om proactief op te treden als land. Frankrijk is bijvoorbeeld zelf begonnen met nationale wetgeving over repareerbaarheid en dat wordt nu op Europees niveau doorgetrokken. Dus even los van de inhoud: je ziet dat zo’n strategie effect kan hebben.

Het minste wat Nederland kan doen is nadenken over circulaire wetgeving die effectief is zonder dat je bedrijven overlaadt met detailregels, en zich daar hard voor maken in Brussel.’

Lees ook:

7 dingen die in juli veranderen door nieuwe duurzame regels voor bedrijven en consumenten

Halverwege het jaar worden doorgaans flink wat nieuwe overheidsregels en -wetten van kracht. In juli verandert er ook het gebied van duurzaamheid het nodige. Dat raakt zowel ondernemers als consumenten.Zo treden er nieuwe wetten en regelingen in werking die gericht zijn op het bevorderen van circulariteit, duurzame mobiliteit en energiezuinige gebouwen. Consumenten krijgen te maken met nieuwe rechten, zoals de mogelijkheid om producten gemakkelijker te laten repareren. Bedrijven moeten rekening houden met nieuwe belastingen, zoals de vrachtwagenheffing die mede gebaseerd is op de CO2-voetafdruk van trucks.Change Inc. biedt een overzicht van de zeven belangrijkste wijzigingen in duurzame wetgeving waar je rekening mee moet houden. Vrachtwagenheffing voor transportondernemers Vanaf 1 juli 2026 wordt in Nederland de vrachtwagenheffing ingevoerd, een belasting per gereden kilometer voor vrachtvoertuigen met een gewicht boven de 3,5 ton. Transportondernemers betalen voortaan voor de gereden afstanden, waarbij het tarief afhankelijk is van de milieukenmerken van de vrachtwagen. Een hogere CO2-uitstoot wordt zwaarder belast. Voor emissievrije vrachtwagens geldt een lager tarief, om de overstap naar elektrisch rijden te stimuleren.De opbrengst van de heffing wordt door de overheid geïnvesteerd in de verduurzaming van de transportsector. In 2026 is in totaal 253 miljoen euro beschikbaar voor subsidies bij de aanschaf van elektrische of waterstoftrucks en laadpalen.In het kader van de steun ter verlichting van de hoge energieprijzen geldt tussen 1 september en 31 december overigens een tijdelijke verlaging van 22,3 procent op het tarief van de vrachtwagenheffing. Nieuwe milieuprestatie-eisen voor gebouwen Per 1 juli 2026 worden de milieuprestatie-eisen voor nieuwe gebouwen (MPG) aangescherpt om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verkleinen. Deze regels moeten ervoor zorgen dat de milieubelastende impact van materialen en bouwmethoden voor gebouwen aan bepaalde milieunormen voldoen. Daarvoor wordt gekeken naar CO2-uitstoot van gebruikte materialen, maar ook naar de impact op luchtvervuiling en waterschaarste.Deze wetgeving is relevant voor projectontwikkelaars en architecten die nieuwe kantoren of woningen ontwerpen. Voor kantoren worden de eisen 15 procent scherper en voor het eerst zijn er ook milieueisen voor scholen, winkels, zorginstellingen en bedrijfshallen. Kleinere woningen en sommige kantoren die lastig aan bepaalde eisen kunnen voldoen, krijgen juist te maken met een versoepeling van de milieuprestatie-eisen. Dat is bijvoorbeeld het geval als er relatief veel buitengevel is in verhouding tot het vloeroppervlak. Netaansluiting voor kleinverbruikers: prioriteit voor essentiële diensten Vanwege de toenemende drukte op het elektriciteitsnet introduceren netbeheerders op 1 juli 2026 een nieuw systeem voor prioritering bij netaansluitingen. Netbeheerders letten hierbij op het maatschappelijk belang van de aanvrager, op basis van het prioriteringskader van toezichthouder ACM. Die geeft voorrang aan ‘congestieverzachters’ (partijen die de flexibele capaciteit van het net vergroten), ‘veiligheid’ (noodhulpdiensten, ziekenhuizen, politie, defensie) en ‘basisbehoeften’ (woningbouw en onderwijs).Wie een nieuwe of zwaardere aansluiting aanvraagt, kan op een wachtlijst terechtkomen als het lokale stroomnet vol is. Dat geldt ook voor kleinverbruikers met een aansluiting tot maximaal 3 x 80 Ampère. Daar vallen zowel huishoudens als kleinere bedrijven onder. Controle op uitlaatsysteem AdBlue Vanaf 1 juli 2026 intensiveert de politie de controles op uitlaatsystemen van voertuigen die rijden op diesel, gas of waterstof. Er wordt specifiek gecontroleerd op de correcte werking van AdBlue-systemen om illegale manipulatie tegen te gaan. Deze maatregel is van toepassing op alle bezitters en chauffeurs van dergelijke voertuigen.Het doel is om de uitstoot van schadelijke stikstofoxiden te beperken en ervoor te zorgen dat voertuigen voldoen aan de wettelijke milieunormen tijdens het rijden. Vernietigingsverbod op onverkochte producten zoals kleding In het kader van de nieuwe Europese Ecodesign-verordening geldt vanaf 19 juli 2026 een verbod op het vernietigen van onverkochte consumentenproducten, te beginnen bij kleding en schoeisel. Bedrijven mogen onverkochte voorraden niet langer simpelweg weggooien of verbranden.De wet is van toepassing op retailers en modefabrikanten binnen de EU. Het verbod dwingt hen tot een circulair beleid waarbij onverkochte artikelen moeten worden gedoneerd, hergebruikt of hoogwaardig gerecycled. In sommige gevallen is er een uitzondering en blijft vernietiging mogelijk omwille van gezondheid, veiligheid of regelgeving. Recht op reparatie in EU Per 31 juli 2026 treedt nieuwe EU-wetgeving in werking die het 'recht op reparatie' moet versterken. Deze wet verplicht fabrikanten om reparaties voor een aantal elektronicaproducten − zoals wasmachines, stofzuigers en mobiele telefoons − eenvoudiger en toegankelijker te maken voor consumenten.De wetgeving stelt dat reparaties technisch mogelijk moeten zijn tegen een ‘redelijke’ prijs en binnen een redelijke termijn. Reserveonderdelen moeten langer beschikbaar blijven en er moet goede informatie over reparatiemogelijkheden beschikbaar zijn. Ook komt er een online register voor een overzicht van reparatiediensten. Goedkoper geld lenen om te verduurzamen voor mkb In het kader van het steunpakket voor hoge energieprijzen van het kabinet-Jetten is sinds 18 juni een regeling van kracht waarbij kleine en middelgrote bedrijven goedkoper geld kunnen lenen. Er zijn afspraken gemaakt met financieringsorganisatie Qredits, die de rente op de bestaande MKB Duurzaamheidslening heeft verlaagd van 4,95 procent naar 2 procent.Deze kredietfaciliteit is bedoeld voor investeringen in verduurzaming bij het mkb, bijvoorbeeld voor energiebesparing of een circulaire bedrijfsvoering. Lees ook:Niet technologie, maar samenwerking lijkt de sleutel tot het versnellen van circulaire bouw Netcongestie oplossen door energie slimmer te gebruiken: technisch kan het, maar het beleid loopt achter Nieuwe ceo Mud Jeans: ‘Vroeger waren we circulair en hadden we ook een mooi product. Nu is dat andersom'