In het debat over circulair gebruik van grondstoffen zijn duurzaamheid en geopolitiek nauw met elkaar verweven geraakt. Minder afhankelijkheid van internationale grondstofketens − met China als de mondiale sleutelspeler − staat in Europa inmiddels hoog op de politieke agenda.
De energietransitie stelt Nederland en Europa wel voor een speciale uitdaging. Technologie voor onder andere batterijen, zonnepanelen en computerchips leunt zwaar op kritieke grondstoffen waar Europa bijzonder weinig controle over heeft.
Dergelijke grondstoffen zitten ook verwerkt in klassieke consumentenelektronica zoals wasmachines, stofzuigers, mobiele telefoons en computers. Circulair gebruik van elektronica kan dus bijdragen aan beperking van het gebruik van nieuwe grondstoffen. Met strategische én duurzaamheidsvoordelen.
De vraag is wel of wetgeving en beleid op het gebied van circulariteit op de meest effectieve manier worden ingezet. Dat geldt onder meer voor een nieuwe Europese richtlijn die op 31 juli van kracht wordt en het ‘recht op reparatie’ moet versterken voor consumenten.
Change Inc. sprak erover met Benjamin Sprecher. Hij is als specialist in circulair productontwerp verbonden aan de faculteit voor Industrial Design Engineering van de TU Delft, en is daarnaast directeur van het Centre for Materials & Resilience (CMR). Deze denktank voor kritieke grondstoffen en circulariteit bracht eerder dit jaar een rapport uit over de omgang met consumentenelektronica in relatie tot kritieke grondstoffen.

Directeur Benjamin Sprecher van het Centre for Materials & Resilience. | Credits: TU Delft
Merk je dat de verschuiving in de discussie over circulariteit naar ‘weerbaarheid’ en ‘strategische autonomie’ het makkelijker maakt om beleidsmakers mee te krijgen in verduurzaming?
‘Het milieuperspectief blijft voor mij het belangrijkste, maar dit helpt wel, ja. Praten over strategische autonomie is een manier om in gesprek te blijven met partijen die van nature minder op hebben met duurzaamheid. Als je daardoor dingen kunt bereiken die zowel goed zijn voor het milieu als voor de zelfstandigheid van Europa, moeten we dat doen. Een beetje zoals de bekende uitspraak van Bertolt Brecht: Erst das Fressen und dann die Moral. (Eerst het eten en dan de moraal, red.)
Aan de andere kant zijn niet alle ideeën die worden geopperd vanuit een strategisch perspectief, even effectief. Soms hoor ik politici praten over het aanleggen van strategische voorraden voor kritieke grondstoffen. Dat levert niets op als je niet ook de verwerkingscapaciteit hebt voor die materialen. De belangrijke beleidskeuzes liggen juist rondom het verwerken van grondstoffen tot producten.’
Het rapport Rewiring Consumer Electronics noemt het ontwerp van consumentenelektronica een cruciale factor. Dat bepaalt sterk of componenten toegankelijk zijn voor bijvoorbeeld reparatie, en daarmee ook de kansen voor hergebruik van belangrijke grondstoffen.
‘Je moet beseffen dat er bij bedrijven meestal twee aparte afdelingen betrokken zijn bij het ontwerp van producten. Aan de ene kant heb je ontwerpers die vooral kijken naar de buitenkant, waarbij zaken als vorm en de gebruikservaring van de consument een grote rol spelen. En dan heb je de ingenieurs die zich bezighouden met hoe het product daadwerkelijk in elkaar wordt gezet.
Een product kan daardoor voor een gebruiker een premium uitstraling hebben met dito prijs, terwijl het bijvoorbeeld moeizaam blijkt om bij motoronderdelen te komen omdat er twaalf verschillende soorten schroeven zijn gebruikt.
Die interne toegankelijkheid is echter superbelangrijk als je onderdelen wilt vervangen of waardevolle grondstoffen wilt behouden. Dat heeft een masterstudent van onze opleiding onlangs onderzocht door zo’n vijftien willekeurige stofzuigers te demonteren. Daarbij bleek de tijd die nodig was om bij de motor te komen te variëren van één tot zes minuten.
Voor de businesscase van circulaire processen telt zo’n verschil in arbeidstijd heel zwaar. Misschien lijkt zes minuten om bij de motor te komen niet veel, maar als je in serie werkt en er is een factor zes qua tijdsverschil, dan maakt dat enorm veel uit voor de doorloopsnelheid. Je wint per tijdseenheid in het ene geval immers zes keer zo veel materiaal terug als in het andere.’
Een belangrijke bevinding uit het rapport is dat ontwerpaanpassingen die zorgen voor besparingen op het gebruik van kritieke materialen, zeer effectief kunnen zijn. Maakt het nog uit of je mikt op minder gebruik van eenzelfde grondstof of vervanging van het ene materiaal door een andere grondstof?
‘Soms kun je heel veel winnen door één materiaal geheel te vervangen door een ander. Voor batterijen is het bijvoorbeeld enorme winst, als het lukt om lithium te vervangen door natrium. Dat laatste is veel breder beschikbaar en goedkoper om te winnen. Maar in andere gevallen moet je veel specifieker kijken.
Herontwerp van bepaalde motoren kan bijvoorbeeld een besparing van 20 procent opleveren van het benodigde neodymium. Dat zou je met regelgeving kunnen stimuleren. De kunst is dan wel dat je wetgeving zo formuleert dat die het beoogde effect sorteert, zonder dat je te gedetailleerde eisen gaat stellen. Regelgeving moet wel uitvoerbaar blijven voor bedrijven.
Het verschil in perspectief tussen landen en bedrijven wordt hierbij vaak vergeten. Een multinational met een fabriek in Europa kan op toeleveringsrisico’s reageren door de fabriek naar China te verplaatsen om toegang tot bepaalde grondstoffen veilig te stellen. Maar voor het land waar de fabriek van zo’n onderneming dan gesloten wordt, is dat natuurlijk een drama, want daar is iedereen z’n baan kwijt. Dat spanningsveld is belangrijk voor het beleid rond kritieke grondstoffen, zeker in een land als Nederland, waar de politiek graag naar het bedrijfsleven luistert.’
Bij ontwerpverbeteringen die circulariteit beter borgen, kan de levensduur van consumentenelektronica volgens het CMR-rapport in veel gevallen worden verdubbeld, met een halvering van de benodigde kritieke materialen. Wat is er voor nodig om dat af te dwingen?
‘Het gaat vooral om hoe je regels precies inricht. Bedrijven zijn heel goed in staat om regelgeving die ook maar een klein beetje ruimte overlaat in hun voordeel om te buigen, en daar lobbyen ze ook actief voor.
Het komt regelmatig voor dat producten die op papier uitstekend scoren in rankings voor repareerbaarheid in de praktijk helemaal niet repareerbaar zijn. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als je verschillende subcriteria een gelijke weging geeft bij de beoordeling. Als het verschaffen van informatie over reparatie, het gemak waarmee je een apparaat uit elkaar kunt halen en de beschikbaarheid van reserveonderdelen alle drie even zwaar wegen, kan een totaalscore best hoog uitvallen. Ook als bepaalde cruciale reserveonderdelen niet beschikbaar zijn en een product daardoor de facto onrepareerbaar is.’
Hoe kan regelgeving effectiever?
‘Het oprekken van garantietermijnen is één van de krachtigste maatregelen waarmee je veel teweeg kunt brengen. Dus niet twee of vijf jaar garantie, maar gewoon garantie tot wat redelijkerwijs de technische levensduur zou moeten zijn. Dat kan zo oplopen tot twaalf of vijftien jaar, afhankelijk van de productcategorie.
Als je dan meeneemt dat bedrijven bij langere garantietermijnen de keuze hebben om een gerepareerd product of een refurbished alternatief aan te bieden, dwing je automatisch af dat ze anders gaan nadenken over design en repareerbaarheid. Linksom of rechtsom moeten ze dan sterker gaan sturen op kwaliteit en een langere levensduur.’
Werkt dat beter dan de nieuwe EU-richtlijn voor het recht op reparatie? Daar wordt onder meer gesproken over een reparatieplicht voor producenten en importeurs binnen een ‘redelijke termijn’ en tegen een ‘redelijke prijs’.
‘Als je de EU-richtlijn doorleest, klinkt die vooralsnog heel vrijblijvend met veel ruimte voor interpretatie. Vanuit het verleden weten we dat zoiets niet werkt, omdat je uiteindelijk bedrijven stimuleert om zich wel aan de letter, maar niet aan de geest van de wet te houden.
Zodra één concurrent besluit om een maas in de wet te benutten, neemt de druk op de rest toe om daarin mee te gaan. Dan ontstaat er al snel een race to the bottom. Daarom voel ik meer voor relatief eenvoudige wetgeving die ondernemingen een bepaalde kant op duwt, zoals lange garantietermijnen.’
Zie je ruimte voor Nederland om met nationale wetgeving circulair gebruik van producten sterker te stimuleren?
‘De Nederlandse politiek heeft de afgelopen jaren vooral gedacht dat er minder regels moeten komen voor bedrijven en dat we niet méér moeten doen dan het absolute minimum van wat Europa voorschrijft. Daarmee heeft Nederland zijn invloed op het Europese debat onnodig beperkt.
Bij circulariteit ligt er wel degelijk ruimte om proactief op te treden als land. Frankrijk is bijvoorbeeld zelf begonnen met nationale wetgeving over repareerbaarheid en dat wordt nu op Europees niveau doorgetrokken. Dus even los van de inhoud: je ziet dat zo’n strategie effect kan hebben.
Het minste wat Nederland kan doen is nadenken over circulaire wetgeving die effectief is zonder dat je bedrijven overlaadt met detailregels, en zich daar hard voor maken in Brussel.’
Lees ook:
- In de strijd om kritieke grondstoffen wordt circulariteit een geopolitiek wapen: deze Nederlandse bedrijven lopen voorop
- Deze zomer gaat het ‘recht op reparatie’ in, maar een maas in de wet ondermijnt het effect
- Van ‘minder schade’ naar ‘meer herstel’: de R-ladder voor de circulaire economie kan wel een update gebruiken




