Maaike Kooijman
07 juli 2026, 15:05

Onverkochte kleding mag niet meer verbrand worden, maar met de robot van VNYX hoeft dat ook niet

Wereldwijd worden er per jaar tientallen miljarden kilo’s aan kleding afgedankt. Ze opnieuw verkopen kost simpelweg te veel tijd en geld. De Amsterdamse startup VNYX maakt herverkoop winstgevend met robotica en AI. ‘Hoe meer we verkopen, hoe minder kleding wordt gedumpt.’

VNYX-medeoprichter Romy Goedhart op één van de bergen textiel bij Milieuwerk in Amsterdam VNYX-medeoprichter Romy Goedhart op één van de bergen textiel bij Milieuwerk in Amsterdam. | Credits: Slava Zolotko

‘Eigenlijk hield ik helemaal niet van robots.’ Romy Goedhart lacht. ‘Maar inmiddels ben ik om. Dit is de enige manier om het systeem te veranderen.’

Zo komt het dat de ondernemer vorige week samen met medeoprichter Vincent van der Holst de VNYX100 lanceerde: een robot die moet helpen om resale van kleding winstgevend te maken. Geschikt voor kledingsorteerders, distributiecentra en modemerken. ‘Iedereen met veel kleding, eigenlijk.’ De eerste staat in Amsterdam.

Kleding herverkopen met AI en robotica

Wereldwijd worden er per jaar tientallen miljarden kilo’s aan kleding afgedankt (zie kader). Maar niet lang meer: in het kader van de nieuwe Europese Ecodesign-verordening geldt vanaf 19 juli een verbod op het vernietigen van onverkochte consumentenproducten, te beginnen met kleding en schoenen. Grote Europese bedrijven mogen hun onverkochte voorraden en retouren niet langer simpelweg weggooien of verbranden, maar moeten die verkopen of recyclen.

Wereldwijd worden er per jaar tientallen miljarden kilo’s aan kleding afgedankt. Door modemerken, die te veel hebben laten produceren en dat in een volgend modeseizoen niet meer kunnen of willen verkopen. Door retailers die pakketjes retour krijgen. Of door consumenten, die mee willen met de mode − en bovendien hebben ze dat jurkje al een paar keer naar een feest gedragen.

‘Alleen hier komt al zo’n zeven miljoen kilo kleding per jaar binnen. Zes tot acht trucks per dag.’ Goedhart wijst om zich heen in de grote ruimte van Milieuwerk in Amsterdam. Hier komt de kleding terecht die Amsterdammers in de textielbak gooien. Een deel wordt opgekocht door vintagehandelaren, gerecycled of verscheept naar het buitenland. De rest wordt verbrand.

En het aandeel verbrande kleding wordt niet minder, maar meer. Door ultrafast fashion worden kledingsorteerders overspoeld met kleding die niet te repareren of recyclen is, en dus verbrand moet worden. Bovendien hebben bedrijven als Shein een deel van de vraag naar tweedehands kleding vanuit onder meer Afrika overgenomen.

Vincent van der Holst van startup VNYX heeft weinig vertrouwen in de wetgeving. Hij lacht schamper: ‘Modemerken moeten 55 procent van de kleding gaan herverkopen of recyclen. Maar wat denken ze zelf? De industrie heeft de afgelopen jaren simpelweg niet genoeg geïnvesteerd in een schaalbare oplossing die herverkoop rendabeler maakt dan verbranding.’

Daarom komen Van der Holst en Goedhart zelf met die oplossing: een robot die het beoordelen en verkopen van individuele kledingitems een stuk gemakkelijker maakt. Geretourneerde en onverkochte items zijn daarmee geen last of kostenpost meer, maar een nieuwe bron van inkomsten. Dat geeft bedrijven een financiële drijfveer om circulair te werken, naast een wettelijke.

De startup is niet voor niets vernoemd naar de feniks: de vogel die uit zijn as herrijst.

Tien keer zo snel als nu

VNYX claimt de eerste te zijn die herverkoop snel en makkelijk maakt met AI. En dat kan grote bedrijven veel tijd en geld besparen. ‘Zonder automatisering kost het 19 minuten, 8 werknemers en 11 euro om een individueel kledingstuk te beoordelen, fotograferen en verkopen’, zegt Goedhart. ‘Met onze robot kan dat in zo’n twee minuten: bijna tien keer zo snel.’

Dat maakt herverkoop voor het eerst financieel aantrekkelijk voor kledingmerken, zeggen de ondernemers. Temeer omdat de markt voor tweedehands kleding groeiende is. Van der Holst: ‘Vinted is inmiddels één van de grootste verkopers van Europa.’

Professionele modellenfoto’s

De VNYX100 is ontwikkeld door Spark Design & Innovation. Spark heeft toegezegd de eerste robot gratis te bouwen, in ruil voor aandelen. Guus Balkema van Spark is ook toegetreden als medeoprichter en cfo van VNYX. ‘Financiering ophalen voor een techstartup is lastig’, legt Van der Holst uit. ‘Investeerders willen geen pitchdeck zien, maar een werkende robot en betalende klanten. We hebben daarom gezocht naar een partner die er echt in geloofde.’

In de ruimte hangt een lange rail met kledinghangers eraan. Elk kledingstuk wordt eerst gescand; de robot beoordeelt vervolgens met behulp van AI of het meteen verkocht kan worden, eerst gewassen of gerepareerd moet worden, of richting de recyclebak moet. Kan het product herverkocht worden, dan drapeert de robot het over een mannequin en worden er productfoto’s gemaakt waarop het kledingstuk wordt gedragen door een AI-model.

Eén van de kledingstukken die verkocht worden, gedragen door een AI-model.

Veel mensen kopen geen tweedehands kleding omdat ze niet weten hoe ze de kleding moeten stylen, zegt Goedhart. Maar de robot fotografeert de items zo dat ze niet onderdoen voor nieuwe kledingstukken. ‘Professionele foto’s en outfitcombinaties maken de kleding echt aantrekkelijker.’

Dat was nog wel een uitdaging, zeggen de oprichters grijnzend. De foto’s moeten weliswaar professioneel ogen, maar niet té perfect zijn. Goedhart: ‘Eerdere versies van het AI-model poetsten ook de details van de kleding weg. Als een broek een beetje verwassen was, bijvoorbeeld. Dat is nou juist niet de bedoeling. Het leuke aan tweedehands producten is immers dat ze uniek zijn.’

De foto’s worden automatisch geüpload op het verkoopplatform naar keuze: van Vinted of Depop tot de eigen website van een merk. Ook het label − met daarop onder meer de maten, een verkoopprijs en eventuele gebreken vermeld − wordt automatisch geprint. Precieze details over het systeem kan VNYX niet prijsgeven; de patentaanvraag loopt nog.

Vraag niet bij te benen

VNYX is voortgekomen uit vintageplatform Boas, waar Van der Holst en Goedhart zelf eigenaren van zijn. Hoewel er kleding in alle soorten en maten verkocht moest worden, schortte het aan diezelfde diversiteit aan paspoppen. ‘We hebben toen een mannequin in stukken gezaagd, zodat we die met bezemstelen konden verstellen. Maar toen duurde het nóg langer. We wisten: als we een manier vinden om kleding snel en goedkoop op foto’s weer te geven, is dat een gamechanger voor de industrie.’

Om die gamechanger te ontwikkelen, is wel geld nodig. Veel geld. In mei maakte de startup bekend 1 miljoen euro te hebben opgehaald, daarvoor waren er al enkele business angels aan boord. Inmiddels is VNYX aan een nieuwe financieringsronde van ruim 5 miljoen euro bezig: 3 miljoen euro van durfinvesteerders en 2,5 miljoen aan Europese subisidies.

Die ronde moet helpen om de stap te zetten van de VNYX100, die minstens 100.000 kledingstukken per jaar kan verwerken, naar de VNYX3000, goed voor het verwerken van minstens 3 miljoen items per jaar.

V.l.n.r.: Hugo Honijk (directeur Spark Design & Innovation) en VNYX-oprichters Romy Goedhart (chief of partnerships), Vincent van der Holst (ceo), Guus Balkema (cfo) en Balazs Kosa (coo). | Credits: Slava Zolotko

Aan de interesse zal het in elk geval niet liggen. Al in het jaar van oprichting won de startup zowel de Amsterdam Circular Changemaker Award als de Modint New Talent Award. En vanwege de omvang van de berg kledingafval is ook de vraag vanuit bedrijven groot.

‘De vraag is zelfs groter dan we op dit moment kunnen bijbenen’, zegt Van der Holst. ‘En dat zal de komende tijd ook zeker zo blijven. Er is geen kans dat wij snel genoeg kunnen ontwikkelen om de vraag bij te houden.’ Goedhart: ‘Maar dat is alleen maar goed. Als je de Amazons van deze wereld wilt verslaan, moet je tweedehands op hetzelfde niveau brengen.’

Geen lopende band met camera

Bever en Decathlon behoren tot de eerste klanten. Ook Boas gebruikt het systeem en verkoopt de kleding via zijn eigen website. Milieuwerk tekende al voor het afnemen van de VNYX3000, die volgend jaar klaar moet zijn. In de toekomst moeten alle centrale plekken in de kledingsector een eigen robot hebben, zeggen de oprichters.

De samenwerking met Milieuwerk is geen toeval. Het is één van de oudste sociale werkplaatsen van Amsterdam, waar met name mensen met afstand tot de arbeidsmarkt werken.

‘We willen niet alleen kleding, maar ook mensen herwaarderen’, zegt Goedhart. Haar grootste uitdaging in een snelgroeiende startup is teammanagement. ‘Mijn mening over robots is dan wel veranderd, maar menselijkheid blijft het belangrijkst. Ook als we groeien, wil ik iedereen genoeg aandacht geven en tijd vrijmaken voor lunches en teamuitjes.’

Medeoprichter Van der Holst is vooral bezig met het bijbenen van de vraag − zonder zijn hoge standaarden te verliezen. ‘Het makkelijkste is natuurlijk om kleding op een lopende band te leggen met een camera erboven. Dat is ook wat concurrenten doen’, zegt hij. ‘Maar wij willen focussen op snelheid én kwaliteit. Daardoor is ons systeem iets duurder, maar ook van hogere kwaliteit. Zo kan er ook meer geld verdiend worden.’

Lees ook:

Curator onderzoekt doorstart van omgevallen CO2-filteraar SeaO2

Gloort er hoop voor het failliete SeaO2? Er is ‘concrete interesse’ vanuit de cleantech-sector en verwante sectoren om de activiteiten van de Amsterdamse startup, die CO2 uit zeewater haalt, over te nemen. Dat laat curator Roland Camphuis weten aan MT/Sprout.SeaO2 werd op 23 juni failliet verklaard door de rechtbank in Amsterdam. De kas was leeg, zegt Camphuis. ‘Het bedrijf kon niet meer aan de lopende verplichtingen voldoen, waaronder de salarisbetalingen.’De startup vroeg het faillissement zelf aan. Dat blijkt uit de noodkreet die oprichter en ceo Ruben Brands een paar dagen eerder op Linkedin plaatste. Daarin schreef hij: ‘Over een week houdt SeaO2 op te bestaan (…). Daarom trekken we nu aan de bel. Met een relatief bescheiden investering kunnen we het tij nog keren – en we kunnen direct in actie komen.’ Inzet op doorstart SeaO2 zocht 3,6 miljoen euro, schrijft De Leeuwarder Courant, al zou een kapitaalinjectie van 600.000 tot 1 miljoen euro al lucht geven. Daarop zouden verschillende geldschieters zich alsnog hebben gemeld, maar die hulp kwam te laat om door te kunnen. Bij vragen om verdere toelichting verwijst Brands naar de curator.Die is twee weken na de uitspraak van het faillissement voorzichtig optimistisch. ‘Al voor het faillissement is onderzocht welke partijen interesse hadden om bijvoorbeeld financiering te verstrekken of een andere rol te spelen bij de voortzetting van het bedrijf. Dat maakt mijn werk nu een stuk makkelijker.’Geïnteresseerden kunnen zich nog melden, zegt Camphuis. ‘Dat moet dan wel snel. Zij kunnen tot het eind van de week een bod uitbrengen.’ Over het aantal partijen waarmee hij in gesprek is en het aantal biedingen dat hij al heeft ontvangen, doet hij geen uitspraken. Waardevolle knowhow De curator hoopt voor het einde van de maand meer duidelijkheid te hebben over een eventuele doorstart. Dat valt samen met de opzegtermijn van de dertien werknemers van het bedrijf, legt hij uit. ‘De waarde van dit bedrijf zit met name in het intellectuele eigendom, en die drijft op de knowhow van de mensen die er werken.’Tot die tijd zijn ze grotendeels vrijgesteld van werk. Ook de proefinstallatie van SeaO2 op de Afsluitdijk ligt stil. Die werd drie jaar geleden in gebruik genomen. Een mijlpaal: voor het eerst konden Brands en zijn co-founders Rose Sharifian, die inmiddels niet meer bij de startup werkt, en David Vermaas hun technologie in de praktijk testen.De technologie is gebaseerd op het promotieonderzoek van Sharifian naar het filteren van CO2 uit de oceaan, Direct Ocean Capture (DOC) in jargon. TU Delft-professor Vermaas was haar begeleider. Direct Air Capture (DAC), waarbij CO2 rechtstreeks uit de atmosfeer wordt gehaald, is bekender; in Nederland houden scaleups Carbyon en Skytree zich hier bijvoorbeeld mee bezig. Oceaan als spons Maar broeikasgassen hopen zich ook op in onze oceanen. En het filteren van zeewater heeft een aantal belangrijke voordelen ten opzichte van het filteren van lucht, zei Brands eerder tegen MT/Sprout.Om te beginnen heeft water een hogere CO2-dichtheid. Daardoor is het proces efficiënter en energiezuiniger; er hoeft minder volume te worden verwerkt om dezelfde hoeveelheid koolstofdioxide af te vangen. Ook fijn is dat de oceaan daarbij fungeert als een soort spons. De CO2 die uit het water wordt gehaald, wordt binnen vier tot twaalf maanden weer opgenomen om de balans te herstellen.En in tegenstelling tot veel bedrijven die zich met direct air capture bezighouden, heeft SeaO2 geen chemische stoffen nodig om die broeikasgassen te binden. De startup maakt gebruik van een elektrochemisch proces, waarbij de in het water opgeloste CO2 door de toevoeging van zuur wordt omgezet in gasbelletjes, die kunnen worden afgevangen. Heel platgeslagen lijkt het op de reactie die je krijgt als je een scheutje azijn toevoegt aan een glas cola. ‘Terugdraaien’ van klimaatverandering Met de testinstallatie op de Afsluitdijk kan SeaO2 zo jaarlijks één ton CO2 uit het zeewater vissen. Een prestatie voor een jong bedrijf, al is het klein bier vergeleken met de 38,1 miljard ton die vorig jaar wereldwijd uitgestoten werd. Toch is Brands ervan overtuigd dat direct ocean capture op termijn wel degelijk een bijdrage kan leveren aan het ‘terugdraaien’ van klimaatverandering.‘Om de klimaatdoelen te halen, moet wereldwijd jaarlijks 10 miljard ton CO₂ uit de atmosfeer worden verwijderd’, schrijft hij op Linkedin. ‘Wij hebben de technologie ontwikkeld om dat mogelijk te maken, terwijl we tegelijkertijd de verzuring van de oceanen tegengaan.’SeaO2 haalde in drie eerdere investeringsrondes groeigeld op bij onder meer Doen Ventures, Future Tech Ventures, Transavia Ventures, CarbonFix en het Netherlands Enabling Water Technology-consortium (Wetsus, Deltares, de Rijksuniversiteit Groningen en de Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij voor Noord-Nederland). Omzet kwam er ook al binnen, met de verkoop van carbon credits aan bedrijven als Klarna en softwareplatform Ledgy, die hun CO2-uitstoot wilden compenseren. Afwachtende investeerders Nu was het tijd voor de volgende stap: de bouw van pilotfabrieken in Scheveningen en de Eemshaven. Maar het geld dat daarvoor nodig was, bleek lastiger te vinden dan gedacht. Volgens ceo Brands was er wel degelijk serieuze interesse. ‘Het kapitaal bewoog alleen te traag.’Het is een ontwikkeling die de Delftse vliegtuigbouwer Maeve Aerospace dit voorjaar ook de kop kostte. Het lukte de startup niet om de 20 miljoen euro op te halen die nodig was voor de verdere ontwikkeling van een hybride toestel, dat deels op elektriciteit zou gaan vliegen.Klimaattechnologie is niet meer zo populair als een paar jaar geleden, concludeert Brands op Linkedin. ‘Private investeerders wachtten op publieke toezeggingen. Publieke partijen wachtten juist op private investeringen. Daardoor kwam niemand echt in beweging.’Toch blijft hij hoopvol. ‘Dit is niet het einde waarop we hadden gehoopt. Maar de technologie is bewezen en de impact echt, en onze missie is relevanter dan ooit.’Dit artikel verscheen oorspronkelijk op MT/Sprout. Lees ook:Nederlandse scaleup Paebbl legt 10 keer zo veel CO2 vast met nieuwe generatie cementvervanger Hoopvolle ontwikkeling bij filteren CO2 uit de lucht: startups optimistisch over snelle kostendaling en kansen voor opschalen Verduurzaming van kunstmest: van groene ammoniak tot alternatieven in de landbouw