De Nederlandse energietransitie vergt forse investeringen in onder meer verzwaring van het elektriciteitsnet, de uitbouw van de capaciteit van windmolens op zee en verduurzaming van het energiegebruik in de industrie. Dat lijkt een dure exercitie, maar het hangt er daarbij sterk vanaf welke kosten je meeneemt.
Adviseurs voor duurzame financiering Hesse McKechnie en Arjan Udding zetten in een nieuw artikel voor de Rotterdam School of Management (Erasmus Universiteit) uiteen dat de perceptie van een dure energietransitie bijgesteld moet worden. Sterker: kiezen voor een duurzame en weerbaardere energiehuishouding pakt voor Nederland op de lange termijn voordeliger uit.
McKechnie en Udding hebben hiervoor gekeken naar vier scenario’s en voor elk scenario de jaarlijkse kosten voor de periode vanaf 2026 tot en met 2050 in kaart gebracht.
Het eerste scenario ‘Geen transitie’ is een hypothetische ontwikkeling, waarbij de mix van energiebronnen niet verandert en Nederland extreem afhankelijk blijft van de import van olie en gas. Het tweede scenario ‘Huidig beleid’ gaat uit van schattingen op basis van voorgenomen beleid, zoals uitgewerkt in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving. Hierbij komt Nederland in 2050 niet uit op netto nul uitstoot van broeikasgassen.
Scenario’s drie en vier zorgen voor netto nul uitstoot in 2050, maar doorlopen verschillende routes. Het traject ‘Adapt’ gaat uit van flinke elektrificatie en groei van wind op zee, maar zet tegelijk zwaar in op afvang- en opslag van CO2. Dat laatste betekent ook dat industrieën waar CO2-reductie lastig is, niet fundamenteel veranderen.
Het vierde scenario ‘Transform’ impliceert radicalere verduurzaming, met een daling van de totale energievraag, industriële vergroening en aanpassing van consumptiepatronen. Dit veronderstelt ook de uitbouw van innovatieve technologieën als het afvangen van CO2 uit de lucht (direct air capture) en de productie van synthetische brandstoffen.
Energietransitie: netto nul uitstoot vergt hogere kapitaalinvesteringen
In de grafiek hieronder is een basismodel uitgewerkt voor de jaarlijkse kosten van de vier scenario’s in de periode tot en met 2050.
De kosten zijn hier onderverdeeld in drie soorten: kapitaalinvesteringen, operationele kosten voor onderhoud van infrastructuur en brandstofkosten van bijvoorbeeld olie, gas, biobrandstoffen, geïmporteerde groene waterstof, synthetische brandstoffen en uranium.
Per saldo lijken de scenario’s ‘Geen Transitie’ en ‘Huidig Beleid’ iets goedkoper, al zijn de verschillen met de netto nul-scenario’s ‘Adapt’ en ‘Transform’ niet heel groot. Opvallend is dat bij het radicalere ‘Transform’-scenario de kapitaalinvesteringen weliswaar hoog zijn vergeleken met ‘Huidig Beleid’, maar daartegenover staan fors lagere (fossiele) brandstofkosten. Hierdoor is ‘Transform’ op jaarbasis maar 9 miljard euro duurder.
Kosten van klimaatverandering en afhankelijkheid fossiele energie
Het nadeel van de bovenstaande kostenanalyse is dat er geen rekening wordt gehouden met realistisch te verwachten economische schade van klimaatverandering, plus de risico’s van blijvende afhankelijkheid van de import van olie en gas (energieveiligheid).
Grafiek van de week
Voor de transitie naar een duurzame economie is meer nodig dan alleen rationele argumenten. Maar cijfers zeggen wél heel veel. In een wereld waarin je wordt overspoeld met informatie is het vaak lastig om te bepalen wat echt belangrijk is. In de rubriek ‘Grafiek van de week‘ licht Change Inc. op een visuele manier een onderwerp uit dat substantiële impact heeft op duurzame transities.
In een aangepaste conservatieve schatting hebben McKechnie en Udding dergelijke effecten meegenomen. Het gaat daarbij om vier zaken. Op de eerste plaats zijn economische klimaatkosten meegenomen op basis van een CO2-prijs van gemiddeld 174 euro per ton uitstoot. Hoe minder CO2-reductie je de komende vijfentwintig jaar realiseert, des te hoger deze kostenpost.
Verder zijn gezondheidskosten gerelateerd aan luchtvervuiling als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen verrekend. Op de derde plaats is er een prijs gezet op de mate van afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen (energieveiligheid). De afgelopen jaren hebben laten zien dat olie- en gascrises hoge kosten kunnen meebrengen voor de Nederlandse economie.
Als vierde is gekeken naar zogenoemde positieve vraageffecten voor de economie. Het idee is dat een verschuiving van een op fossiele import gebaseerde economie naar een op duurzame technologie gebaseerd energiesysteem zorgt voor extra investeringen in de binnenlandse economie. Hogere binnenlandse investeringen hebben een versterkend effect op de economische vraag.
Energietransitie is niet duur
Als je deze vier factoren kwantificeert, verandert het kostenplaatje van de energietransitie voor de verschillende scenario’s aanzienlijk. Dat is hieronder te zien.
Inclusief kosten voor CO2-uitstoot, gezondheid, periodieke olie- en gascrises en economische vraageffecten is het ‘Geen Transitie’-scenario het duurst (134 miljard euro per jaar). Het ‘Transform’-scenario komt nu als goedkoopste uit de bus (113 miljard euro).
‘Adapt’ blijft nog iets duurder dan ‘Huidig Beleid’, maar dat komt vooral doordat dit scenario stevig leunt op afvang van CO2, terwijl de importafhankelijkheid van fossiele brandstoffen relatief hoog blijft.
Per saldo liggen de economische kosten van ‘Huidig beleid’, ‘Adapt’ en ‘Transform’ zo dicht bij elkaar dat dit volgens McKechnie en Udding geen doorslaggevende factor mag zijn. Nederland kan prima kiezen voor het energiesysteem dat we het liefst willen: weerbaar, gezond en goed voor het klimaat.




