Jeroen de Boer
27 mei 2026, 15:27

Industrie staat te springen om goedkopere groene waterstof: innovatieve Nederlandse elektrolysers bieden kansen

Nederland kan een belangrijke speler worden in Europa bij de ontwikkeling van groene waterstof. Voorwaarde is wel dat de prijs van duurzame waterstof concurrerend wordt. Innovatieve clean tech-bedrijven zoals Alquion en Zero Emission Fuels werken aan oplossingen om dat te bereiken.

waterstof | Credits: Getty Images

Nederland heeft sterke kaarten om binnen Europa een sleutelrol te vervullen bij de levering van duurzaam geproduceerde waterstof voor de industrie. Wel moeten er nog flinke stappen worden gezet om groene waterstof beter betaalbaar te maken.

Innovatie bij elektrolysers, die waterstof produceren met elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, spelen een belangrijke rol bij het kostenvraagstuk. Dat bleek afgelopen week tijdens een specdiale sessie over groene waterstof in Nederland op de World Hydrogen Summit 2026 in Rotterdam.

Nederland nummer twee in Europa met productie grijze waterstof

Waterstof wordt nu nog voor het grootste deel via chemische processen uit aardgas gehaald, waarbij ook CO2 vrijkomt. Vanwege het historische belang van aardgas in Nederland en de aanwezigheid van zware industrie is ons land een grote producent van ‘grijze’ waterstof. Met een productie van iets meer dan 1 miljoen ton op jaarbasis staat Nederland, na Duitsland, zelfs op de tweede plaats in Europa, blijkt uit cijfers van het European Hydrogen Observatory.

Om productieprocessen te verduurzamen moet de industrie meer gebruik gaan maken van groene waterstof. Voor Europa is dat inmiddels ook om strategische redenen essentieel. Het afbouwen van de afhankelijkheid van import van aardgas uit onder meer de VS en het Midden-Oosten betekent immers dat er alternatieven moeten komen voor waterstofproductie op basis van aardgas.

Kansen voor Nederland

Waterstofexpert Mark Breed van TNO stelde tijdens een presentatie op de World Hydrogen Summit dat er strategische kansen liggen voor Nederland om een belangrijk knooppunt te worden voor zowel de distributie als gedeeltelijke productie van groene waterstof.

De uitbouw van wind op zee, met als voorlopige doelstelling 40 gigawatt aan vermogen in 2040, levert potentieel een flinke bron van groene stroom op. Die kan deels gebruikt worden om elektrolysers te voeden voor de productie van waterstof.

Daarnaast beschikt Nederland over een pijpleidinginfrastructuur voor aardgas. Die kan als basis dienen voor een nieuw waterstofnetwerk met vertakkingen naar onder meer Duitsland. Gasunie is in dit verband bezig met ontwikkeling van het zogenoemde Hynetwork, waarvan het eerste traject van 32 kilometer tussen Pernis en de Maasvlakte afgelopen week officieel werd opgeleverd.

waterstof netwerk Nederland

Plan voor pijpleidingnetwerk voor waterstof in Nederland. | Credits: Hynetwork

Een derde troef van Nederland is volgens Breed het technologische kennisnetwerk van bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstituten. Dat is van grote waarde voor de ontwikkeling van een ecosysteem voor groene waterstof. Breed: ‘Nederland kent een sterke integratie van energie- en industriesectoren en dat biedt kansen voor de ontwikkeling van groene waterstof.’

Opschalen groene waterstof loopt achter bij ambities

EU-lidstaten zijn verplicht om ervoor te zorgen dat 42 procent van het waterstofverbruik van de industrie in 2030 bestaat uit groene waterstof. In 2035 moet dat zelfs 60 procent zijn. Het is echter zeer de vraag of die groeiambities realistisch zijn.

Om de Europese doelen te bereiken zou de afname van groene waterstof door de Nederlandse industrie zeer fors moeten stijgen. In lijn hiermee zou de binnenlandse productiecapaciteit van elektrolysers flink omhoog moeten; eerder zijn doelen geformuleerd van 3 tot 4 gigawatt aan elektrolyservermogen in 2035. De daadwerkelijke groei van de capaciteit in Nederland loopt daar flink bij achter.

Voor de industrie is het vooralsnog lastig om zwaar in te zetten op de inkoop van groene waterstof, zolang prijzen van groene waterstof substantieel hoger zijn vergeleken met die van grijze waterstof. Voor de basisindustrie brengen hogere kosten immers grote concurrentierisico’s mee.

Deze maand heeft minister van Klimaat en Groene Groei Stientje van Veldhoven besloten om voor de Nederlandse industrie een inkooppercentage van 4 procent groene waterstof te hanteren in 2030. Dat moet oplopen tot 9,9 procent in 2035. Dat betekent dat er een enorm gat is ten opzichte van de Europese doelen voor groene waterstof, erkent ook de minister zelf.

Groene waterstof van eigen bodem als flexibele optie voor windenergie

Om groene waterstof op grote schaal te kunnen inzetten zijn er dus dringend oplossingen nodig die de prijs concurrerender maken met die van grijze waterstof. Positief is dat daar op verschillende manieren aan wordt gewerkt door startups en scaleups die innoveren met elektrolysers.

Ceo Mattijs Slee van Alquion. Credit: Alquion

Ceo Matthijs Slee van scaleup Alquion schetste bij zijn presentatie dat een aantal factoren doorslaggevend is voor de productie van groene waterstof in Nederland. Zo is van groot belang hoe je elektriciteit van windparken op zee inzet voor elektrolyse. Zeker in een context waarbij het schommelende aanbod van windenergie bijdraagt aan problemen met netcongestie.

Verder moet je er rekening mee houden dat de productie van groene waterstof in Nederland concurrentie krijgt van geïmporteerde waterstof uit regio’s met goedkope zonnestroom. Het kan bijvoorbeeld aantrekkelijk worden om grootschalig groene waterstof af te nemen uit landen in het Midden-Oosten, Afrika en Zuid-Europa.

Alquion, dat eerder dit jaar ontstond uit een  fusie van Battolyser Systems en VDL Hydrogen Systems, wil zich onderscheiden met de zogenoemde Flexolyser. Dat is een elektrolyser die eenvoudig aan- en uitgezet kan worden zonder dat dit leidt tot prestatieverlies. Klassieke elektrolysers zijn juist ontworpen om continu waterstof te produceren.

Voordeel van de Flexolyser is dat deze bij uitstek geschikt is om in te spelen op de schommelingen van elektriciteitsprijzen, als gevolg van verschuivingen in de vraag naar en het aanbod van hernieuwbare energie. Slee: ‘Wat je nu ziet met plannen voor windparken op de Noordzee is dat de overheid via contracts-for-difference subsidie wil geven op momenten dat de prijzen van windstroom laag zijn. Als je van de Noordzee echt een grote energiecentrale wilt maken, is dat geen houdbaar model.’

Alquion ziet een model voor zich waarbij de Flexolyser groene waterstof produceert op momenten dat de prijzen van windstroom laag zijn vanwege overtollig aanbod. Een energiebedrijf dat de Flexolyser inzet, zou afspraken kunnen maken met netbeheerders om flexibele capaciteit te bieden voor de balans van het stroomnet. Het ontlasten van het net kan dan gepaard gaan met korting op de nettarieven.

Dit is volgens Slee cruciaal om de productie van groene waterstof in Nederland concurrerend te maken: ‘De kosten van groene waterstof kennen grofweg drie componenten: kapitaalinvesteringen voor de bouw van elektrolysers, operationele kosten en de kosten van elektriciteit in combinatie met de nettarieven. Dat laatste weegt relatief zwaar. Door te besparen op de elektriciteitskosten en nettarieven kun je groene waterstof goedkoper produceren dan geïmporteerde waterstof.’

Import van groene waterstof

De prijs van geïmporteerde groene waterstof wordt dus een fundamenteel referentiepunt. Slee: ‘Die gaat bepalen wanneer het loont om lokaal te produceren. De Flexolyser wordt daarmee bij uitstek interessant als flexibel handelsinstrument. Je zet ‘m in op specifieke momenten, als de prijzen van windenergie op de Noordzee laag genoeg zijn om met lokale productie onder de prijs van geïmporteerde groene waterstof te duiken.’

De oplossing van Alquion kan zo op de energiemarkt een middel worden om een optimale balans te vinden tussen de import van groene waterstof en eigen productie met behulp van goedkope windstroom.

Omdat de Flexolyser onregelmatig waterstof produceert, ligt het voor de hand om deze waterstof in te zetten als één van de bronnen van het landelijke pijpleidingnetwerk voor waterstof waar Nederland aan bouwt. ‘Dat netwerk moet op basis van verschillende aanvoerbronnen een stabiel basisaanbod van waterstof leveren en wordt ook belangrijk voor de vergroening van de industrie in het Duitse Ruhrgebied’, aldus Slee.

Alquion wil de Flexolyser de komende jaren gefaseerd uitrollen naarmate ook de nationale waterstofinfrastructuur opchaalt. In 2027 moet het eerste demonstratieproject draaien. De volledige, commerciële opschaling kan rond 2030 plaatsvinden.

Kleine, modulaire elektrolyser

De Delftse startup Zero Emission Fuels (ZEF) presenteerde een andere route om elektrolysers voor groene waterstof rendabel te maken. Die vertoont veel gelijkenissen met de manier waarop zonne-energie groot is geworden: opschalen met kleine, modulaire eenheden.

Voordeel daarvan is onder meer dat je een steilere technologische leercurve doormaakt, omdat verbeterde versies van een product elkaar sneller opvolgen. Door te werken met studententeams van de TU Delft heeft ZEF de afgelopen jaren in de onderzoeksfase al negen verbeterde versies van zijn kleine, modulaire elektrolyser ontwikkeld, vertelde co-founder Jan van Kranendonk.

De elektrolyser van ZEF moet zich op vier punten gaan onderscheiden: lage productiekosten per eenheid, lage plaatsingskosten, eenvoudige schaalbaarheid en lage elektriciteitskosten.

Goedkope zonnestroom als basis voor betaalbare groene waterstof

Vanwege het belang van goedkope elektriciteit kiest ZEF ervoor om zijn elektrolysers te integreren in grotere zonneparken. Van Kranendonk:  ‘De kosten van elektriciteit zijn cruciaal om groene waterstof rendabel te maken en van alle hernieuwbare bronnen is elektriciteit van zonneparken veruit het goedkoopst.’

Grootschalige zonneparken leveren goedkope elektriciteit voor elektrolyse. | Credits: Antonio Garcia via Unsplash

ZEF mikt dus op kleine elektrolysers die onderdeel vormen van zonneparken voor het produceren van concurrerende groene waterstof. Voor 2027 staat een eerste pilotproject in Portugal op de agenda. Daarna wil ZEF zijn product verder ontwikkelen om over circa vier jaar klaar te zijn voor grootschalige toepassing met commerciële massaproductie.

Om de betrouwbaarheid van zijn modulaire elektrolysers te kunnen garanderen, werkt ZEF in eerste instantie met een economische levensduur van tien jaar. ‘De technische levensduur van de elektrolysers is langer, maar met kwaliteitsgaranties van tien jaar kun je financieringsmodellen makkelijker rondkrijgen en verzekeringsrisico’s afdekken bij het opschalen van projecten’, aldus Van Kranendonk.

Bij het ontwerp van de elektrolysers hanteert ZEF nadrukkelijk een circulaire aanpak. Van Kranendonk: ‘We zorgen dat alle onderdelen recyclebaar zijn. Er zitten bijvoorbeeld geen schadelijke stoffen zoals pfas in. Circulariteit nemen we vanaf het begin mee, want je wilt met een innovatief product geen nieuwe afvalbergen creëren.’

Lees ook:

Hoe serieus zijn multinationals met verduurzaming? 'Het is heel belangrijk om scherp te meten wat bedrijven echt doen'

Meten is weten. Vanuit die gedachte begon de internationale non-profitorganisatie World Benchmarking Alliance (WBA) in 2018 met het opstellen van vergelijkende ranglijsten voor een groep van tweeduizend grotendeels beursgenoteerde bedrijven met publieke jaarverslagen. Die ondernemingen zijn actief over de hele wereld en samen goed voor 55 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen.‘Benchmarken is belangrijk, maar daarmee alleen red je het niet’, vertelt algemeen directeur Gerbrand Haverkamp vanuit Amsterdam, waar WBA is gevestigd. ‘Op ranglijsten kijken bedrijven als Coca-Cola en Pepsi, FrieslandCampina en Arla, hoe ze het doen ten opzichte van hun directe concurrenten. Maar er zijn doorgaans meer prikkels nodig voor bedrijven om grote stappen te zetten met duurzame verandering.’WBA vergelijkt hoe grote ondernemingen scoren op verschillende aspecten van de Sustainable Development Goals van de VN. Daarbij spelen naast klimaat onder meer sociale gelijkheid en digitale inclusie een rol.Voordat je in 2018 bij de oprichting van WBA betrokken was, had je al een ‘Index Initiative’ ontwikkeld om bedrijven te vergelijken. Hoe kwam je daarop?‘Eerder in mijn carrière werkte ik als beleidsmedewerker bij Nederlandse ministeries. Daar zag ik heel duidelijk dat er een verschil is tussen het feitelijke beleid en de manier waarop dat wordt verkocht. Neem bijvoorbeeld het isoleren van sociale huurwoningen. Afhankelijk van de politieke kleur van partijen werd hetzelfde beleid verkocht als een manier om sociale huren betaalbaar te houden, een maatregel die goed is voor het klimaat of een investering in vastgoedwaarde.Ik leerde dat het belangrijk is om scherp te meten wat bedrijven echt doen, dus daar wilde ik mee verder. Dat is ook het startpunt geworden voor de World Benchmarking Alliance.Het verschil tussen zeggen en doen blijft belangrijk. Momenteel zie je bijvoorbeeld een verandering in het narratief van grote bedrijven, die minder nadruk leggen op ‘duurzaamheid’ en meer op ‘weerbaarheid’. Door de geopolitieke ontwikkelingen is die omslag vrij snel gegaan. Tegelijkertijd kun je aan de hand van benchmarks zien dat de feitelijke veranderingen rond duurzaamheidsbeleid veel beperkter zijn.’Om duurzame impact bij bedrijven te realiseren zet de WBA in op drie trajecten: leren, druk uitoefenen en normering. Hoe werkt dat in de praktijk?‘De basis van wat we doen ligt bij de benchmarks. Die kunnen bedrijven gebruiken om er zelf lessen uit te trekken. Als een onderneming bijvoorbeeld vraagt waarom ze lager scoren dan de concurrentie, leggen we dat uit. Maar we zijn geen consultant die advies geeft over hoe organisaties hun problemen moeten oplossen. Dat strookt niet met onze onafhankelijke positie.Leren van de vergelijkingen in benchmarks is een eerste stap, maar veel veranderingen komen pas tot stand als er druk komt van buitenaf. Dan kun je denken aan kwesties die in de media worden aangekaart, of rechtszaken die door ngo’s worden aangespannen. Onze data kunnen door iedereen worden gebruikt ter ondersteuning van argumenten, ook door bedrijven als ze kritiek willen weerleggen.De kennis die we produceren is onder meer waardevol voor beleggersorganisaties als Climate Action 100+. Zij kunnen met onze data en analyses tijdens aandeelhoudersvergaderingen een discussie aangaan op basis van onderbouwde feiten. We leveren dus munitie voor verschillende partijen om druk uit te oefenen.’En de normering?‘Het liefst willen we dat gewenst gedrag van bedrijven in regelgeving wordt vastgelegd. In de EU gaat het voor duurzaamheid bijvoorbeeld om rapportageverplichtingen zoals de CSRD- en CSDDD-regelgeving. We pleiten er bij overheden voor om de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven actief te vertalen naar harde standaarden die je kunt koppelen aan bijvoorbeeld het Klimaatakkoord van Parijs.Een ander voorbeeld is de succesvolle lobby die we hebben gevoerd om leefbare lonen op de agenda te krijgen bij de VN-conferentie in Doha in 2024. Landen moeten verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor minimumloonstandaarden, zodat bedrijven niet simpelweg kunnen vertrekken naar een ander land zodra de minimumlonen ergens omhooggaan. Daarmee voorkom je een race to the bottom.’WBA richt zich op een breed spectrum van belangengroepen om bedrijven te bewegen tot duurzame verandering. Waarom kiezen jullie daarvoor?'Als je een bedrijf wilt laten bewegen, moet je begrijpen dat de directie aan een breed scala van verwachtingen moet voldoen: van klanten en medewerkers, maar ook van overheden en beleggers.Als je je slechts op één groep richt, is de impact beperkt. We weten dat verandering voor non-gouvernementele lobbygroepen vaak te langzaam gaat en voor een deel van de beleggers te snel. Maar de neuzen moeten uiteindelijk wel dezelfde kant op staan. Als de verwachtingen van verschillende stakeholders te ver uit elkaar lopen, raakt een bedrijf verlamd en is de kans groot dat er weinig tot niets gebeurt.’WBA publiceerde onlangs een rapport waaruit bleek dat in de olie- en gassector minder dan 10 procent van de bedrijven doelstellingen heeft die in lijn liggen met het Klimaatakkoord van Parijs. Wat zegt dat over de kansen om daadwerkelijk stappen te zetten met de afbouw van fossiele brandstoffen?‘Een aantal jaar geleden leek het er even op dat de olie- en gasindustrie echt ging veranderen, maar die beweging is helaas stilgevallen door een gebrek aan externe druk vanuit cruciale partijen. Dat laat zien hoe belangrijk gecombineerde actie is. Momenteel doen twee belangrijke stakeholders niet goed mee: overheden en beleggers.Er zijn bijvoorbeeld vrijwel geen landen die op dit moment bereid zijn om te stoppen met nieuwe boringen naar olie en gas. Wat Nederland heeft gedaan met het sluiten van het grote gasveld in Groningen is vrij uniek – en dat kwam dan nog door de aardbevingsschade. En kijk je naar investeerders, dan geldt grofweg dat veel beleggers in de olie- en gassector simpelweg niet geloven dat hernieuwbare energie op korte termijn dezelfde rendementen oplevert als investeringen in fossiele brandstoffen.Als alleen milieuorganisaties en een deel van de publieke opinie druk uitoefenen om te stoppen met investeringen in olie en gas, gaat dat niet gebeuren. Overheden en beleggers zijn nodig om dat financieel en juridisch af te dwingen.’WBA toonde zich afgelopen jaar kritisch over de afzwakking van EU-wetgeving rond duurzaamheidsrapportages van bedrijven. Welke risico’s zie je daar?'De allergrootste bedrijven vallen nog steeds onder de wetgeving voor duurzaamheidsrapportages. Toch betekent de Omnibus-richtlijn dat je een stap terugdoet. De schade komt vooral doordat het voor bedrijven niet meer duidelijk is welke koers Europa wil varen. Op zich is het niet vreemd als je wetgeving probeert te vereenvoudigen, maar ondernemingen weten nu niet goed meer hoe serieus Europa is met doelstellingen om klimaatneutraal te worden.Het is bijvoorbeeld bijzonder pijnlijk dat de verplichting voor het opstellen van een climate transition-plan is geschrapt. Zo'n plan is juist extreem nuttig om helder te krijgen wat ondernemingen nodig hebben om tot netto nul uitstoot te komen. Zonder transitiescenario’s worden discussies gevoerd op basis van anekdotische argumenten en dan ben je een stuk verder van huis.’In het jaarverslag over 2025 merkte je op dat WBA zelf is geraakt door bezuinigingen in onder meer de VS op budgetten voor non-profitorganisaties.‘Wij worden gefinancierd door publieke organisaties en filantropische instellingen om onafhankelijke rapporten en analyses te kunnen maken. In 2025 viel vrij plotseling een deel van de financiering weg. Dat had te maken met het verdwijnen van de Amerikaanse hulporganisatie USAID, maar ook met bezuinigingen in Europese landen om defensiebudgetten te verhogen. Verder was er veel onzekerheid bij Amerikaanse filantropische instellingen.Door deze samenloop van omstandigheden moesten we fors bezuinigen en afscheid te nemen van ruim veertig gewaardeerde collega’s. Het was daardoor zeker een zwaar jaar voor de organisatie en dat voelde ik ook persoonlijk.’Zie je de nabije toekomst positiever in?‘De beschikbare budgetten vanuit overheden en filantropische instellingen zijn kleiner geworden, maar er is inmiddels wel sprake van stabilisatie. We zien daarnaast kansen om productiviteitswinst te boeken met behulp van AI, waarmee  we het wegvallen van werknemers in de organisatie deels kunnen opvangen.Bij zo’n crisis ga je ook scherper kijken naar je eigen ecosysteem: wat je zelf doet en wat verwante organisaties doen. Dat levert al meer onderlinge samenwerking op. Positief is ook dat er in de VS en Europa een nieuwe groep filantropen opstaat die begrijpt dat er een krachtige tegenbeweging nodig is om de huidige anti-duurzaamheidsgolf te keren. Daar zitten zeker lichtpuntjes.’ Lees ook:Niels Postma vond per toeval de eerste papieren datalogger uit: zijn sensor kan de transportsector tonnen e-waste besparen Het bedrijventerrein van de toekomst: ‘Groen is een soort wondermiddel om heel veel problemen tegelijk op te lossen’ Duurzamer reizen tegen de klippen op: ‘Ik ben groot voorstander van een eerlijke prijs voor vliegreizen’