Jeroen de Boer
14 april 2026, 15:43

Pionier Pier Vellinga plaatst windmolen bij zijn huis om energie te delen met de buren

Kun je als huishouden helemaal zelfvoorzienend worden met stroom uit zon en wind? Klimaatexpert Pier Vellinga experimenteert daar al jaren mee en heeft nu ook een eigen windmolen aangeschaft. Door de nieuwe Energiewet moet delen van energie met de buren mogelijk worden, maar dat blijkt in de praktijk nog wel een uitdaging.

windmolen groot def De windmolen van Pier Vellinga. | Credits: Change Inc./Jeroen de Boer

‘Kijk, daar is ‘ie’, zegt Pier Vellinga trots als we op een zonnige woensdagochtend aan komen rijden bij zijn woning aan de rand van het Geldserse dorp Eck en Wiel. De emeritus hoogleraar zet zijn oudere Tesla even stil om te wijzen op een stukje gemeenschappelijke grond van drie woonpercelen. Daar staat een gloednieuwe windmolen met een masthoogte van zo’n 15 meter, van de firma Ecoways.

Normaal gesproken is dit een formaat dat boeren als erfmolen plaatsen, maar voor Vellinga is de windmolen de nieuwste toevoeging aan een privéproject van drie families.

De 75-jarige emeritus hoogleraar aan de universiteit van Wageningen en de Vrije Universiteit Amsterdam staat bekend als autoriteit op het gebied van klimaatverandering. In de jaren tachtig en negentig was Vellinga adviseur van milieuministers Ed Nijpels en later Hans Alders, internationaal stond hij mede aan de wieg van klimaatpanel IPCC.

Vellinga volgt de ontwikkelingen rond het klimaatbeleid nog altijd op de voet, maar is ook druk met zijn privéproject dat het midden houdt tussen hobby- en pionierswerk. Stel, je wilt als huishouden zo veel mogelijk zelfvoorzienend worden met hernieuwbare energie. Hoever kun je dan komen met zonnepanelen, een warmtepomp, batterijopslag, elektrische auto… en een windmolen?

Pier Vellinga bij zijn woning, die voorzien wordt van elektriciteit uit zonnepanelen én een windmolen. | Credits: Change Inc./Jeroen de Boer

Eigen opwek van hernieuwbare energie: zon en wind vullen elkaar aan

Windenergie vormt een belangrijke aanvulling in de maanden dat Vellinga’s zonnepanelen minder stroom leveren. Daarnaast is elektriciteit uit een windmolen noodzakelijk, als je elektrische auto’s zo veel mogelijk met eigen opwek wilt voeden.

‘Een eigen windmolen past goed voor meerdere huishoudens als aanvulling op zonnepanelen, als je allemaal een elektrische auto hebt en je die auto nodig hebt voor woon-werkverkeer’, schetst Vellinga. ‘Auto’s leggen dan algauw zo’n 10.000 tot 20.000 kilometer per jaar af. Voor drie auto’s die bij elkaar 45.000 kilometer rijden, kom je dan in de buurt van 9.000 kilowattuur aan stroom.’

Voor 3.000 kilowattuur van één auto heb je al acht tot tien zonnepanelen nodig, maar vanwege ongelijke opbrengst van zonnestroom in de zomer en winter red je het daarmee niet. Op dat punt biedt een windmolen een cruciale aanvulling. Die van Vellinga werd begin maart opgeleverd en moet op papier 25.000 kilowattuur aan elektriciteit per jaar leveren. Al wordt dat in de praktijk wellicht iets minder: ‘Op basis van het huidige opbrengstpatroon gaan we denk ik uitkomen op zo’n 20.000 kilowattuur.’

Alsnog is dat een indrukwekkende hoeveelheid stroom. Ter vergelijking: een gemiddeld huishouden van drie personen dat op gas stookt en geen elektrische auto heeft, verbruikt volgens budgetinstituut Nibud ongeveer 3.000 kilowattuur elektriciteit per jaar. Met een all-electric warmtepomp, waarmee je een cv-ketel die ruim duizend kuub gas per jaar verbruikt vervangt, moet je volgens Milieu Centraal rekenen op ruim 3.500 kilowattuur aan bijkomend stroomverbruik.

Komt daar het verbruik van een elektrische auto bij, dan loopt het totaal op tot ongeveer 10.000 kilowattuur aan jaarverbruik voor een standaardhuishouden. Dus ongeveer de helft van wat de windmolen levert.

Vellinga is met zijn buren ook bezig om batterijopslag te regelen om de eigen opwek van wind- en zonnestroom beter af te stemmen op de vraag van de huishoudens. ‘Batterijen zijn essentieel om dit zo kostenneutraal mogelijk te maken. Anders kost het alleen maar geld. We doen mee aan een pilot waarbij oude autoaccu’s kunnen worden ingezet voor stationair gebruik.’

Eigen windmolen: rompslomp met vergunningen

De oorsprong van het project rond autonome energievoorziening gaat ruim twintig jaar terug, toen de familie Vellinga samen met twee andere gezinnen een stuk grond kon kopen in Gelderland, inclusief een landschaps- en natuurgebied. ‘Er zat ook een bouwvergunning bij, zodat we daar met drie gezinnen konden wonen door een oude boerderij te restaureren en twee huizen bij te plaatsen. Die zijn de afgelopen tien jaar behoorlijk goed geïsoleerd en voorzien van warmtepompen en zonnepanelen.’

De volgende stap was de aanvulling met een windmolen, maar dat bleek flink wat voeten in de aarde te hebben. Om te beginnen was er de vergunningsprocedure die flink wat tijd in beslag nam. Vellinga: ‘Er waren kritische vragen van omwonenden. Terecht, maar de beantwoording daarvan is een omslachtig proces. Er moesten aanvullende onderzoekjes worden gedaan over de slagschaduw van de windmolen, het geluid, maar ook over de gevolgen als er een wiek afbreekt. Wie is er dan aansprakelijk? Dat was bij elkaar een flinke rompslomp.’

De windmolen van Pier Vellinga. | Credits: Pier Vellinga

Energie delen met de buren

Een fundamentele uitdaging ligt bij het samen opwekken en delen van windenergie met meerdere huishoudens. Dat blijkt in de praktijk allesbehalve eenvoudig. Vellinga: ‘Je kunt een energiecoöperatie oprichten om dat gezamenlijk te doen, maar voor een paar gezinnen is dat behoorlijk complex, onder meer omdat je dan te maken hebt met energiebelasting en btw.’

Zonder energiecoöperatie is het echter ook lastig om onderling energie te delen: ‘Je mag niet zomaar een stroomkabel naar de buren aanleggen. Op het moment dat je leverancier wordt, gaan belastingen een rol spelen. De overheid wil daar grip op houden, omdat de energiebelasting en btw belangrijke inkomstenbronnen zijn.’

Om toch schot in de zaak te krijgen spraken de drie families af dat Vellinga in eerste instantie de windmolen zou kopen. ‘We dachten: laten we eerst zorgen dat die windmolen er staat en dan kijken we wel hoe de wetgeving rond energiedelen zich ontwikkelt.’

Nieuwe energiewet: praktijk moet zich gaan bewijzen

Met een extra hypotheek van een ton op de eigen woning kon Vellinga de aanschaf financieren. Dat was in 2021. Vervolgens duurde het bijna vijf jaar totdat alle hordes waren genomen en de windmolen kon worden neergezet. ‘Het plaatsen zelf ging opvallend snel. Toen alles rond was en we konden starten met de bouw, stond de molen er binnen twee weken. We hebben een dynamisch energiecontract voor de teruglevering aan het net, maar het delen met de buren moet dus nog worden geregeld.’

De nieuwe Energiewet die sinds 1 januari 2026 van kracht is, heeft tot doel om lokale energieopwek en het onderling delen van energie beter te faciliteren. Vellinga: ‘De nieuwe wet zegt dat particulieren energie kunnen delen, maar er is nog weinig jurisprudentie.’

‘Het komt er nu op neer dat je met een aantal particulieren samen dezelfde energiemaatschappij moet nemen. Je verkoopt de hernieuwbare energie die je opwekt aan de energiemaatschappij, en die verkoopt de elektriciteit, met een beetje opslag, aan degenen met wie je energie deelt. Die mogelijkheid zijn we nu aan het onderzoeken.’

Vellinga erkent ruiterlijk dat een windmolen in je achtertuin ‘niet voor iedereen’ is. ‘Plattelandsgebieden lenen zich hier natuurlijk veel beter voor dan dichtbevolkte regio’s in de Randstad. Maar in brede zin moeten we in Nederland wel richting zelfvoorziening op basis van hernieuwbare energie. Voor stedelijke gebieden zijn wind op zee, zonneparken en batterijen waarschijnlijk de meest efficiënte route.’

Lees ook:

Aandacht voor Europese autonomie doet energietransitie floreren − is de voedseltransitie hierna aan de beurt?

De tweede energiecrisis in een paar jaar tijd maakt eens te meer duidelijk dat afhankelijkheid van fossiele brandstoffen Europa kwetsbaar maakt. Dat heeft gevolgen voor het debat over verduurzaming. Wie steun wil vinden voor groene veranderingen moet niet 'duurzaamheid', maar 'strategische autonomie' als uitgangspunt nemen. De toehoorder die niet gevoelig is voor morele argumenten over het doorgeven van de aarde, wil toch op z'n minst de zekerheid van WiFi, mobiel bankieren en een groeiende economie.Die nieuwe invalshoek lijkt de energietransitie een flinke boost te geven. Volgens De Telegraaf 'hamsteren' mensen met zonnepanelen massaal thuisbatterijen bij hoge energieprijzen. Ook de vraag naar onder meer tweedehands elektrische auto’s en warmtepompen lijkt te groeien − al is het lastig voorspellen of die trend doorzet bij nieuwe geopolitieke ontwikkelingen. Geopolitiek zet druk op voedselvoorziening Dat de energiezekerheid onder druk staat, is goed zichtbaar. Hoge prijzen zie je direct aan de pomp en ruim 15.000 bedrijven wachten op een aansluiting op het stroomnet. Die druk bestaat al langer, maar wordt groter door geopolitieke ontwikkelingen.Druk op de voedselzekerheid is in Nederland vooralsnog een stuk minder goed zichtbaar. De plaatselijke supermarkt ligt immers nog gewoon vol. Toch kan het argument van strategische onafhankelijkheid niet alleen worden toegepast op energie, maar ook op voedsel.Geopolitieke ontwikkelingen zorgen op meerdere manieren voor risico's voor onze voedselzekerheid. Nederland mag dan veel voedsel exporteren, toch is onze voedselvoorziening flink afhankelijk van het buitenland. Het gaat dan niet alleen om volledige producten als koffie, cacao en tropische vruchten, maar ook om grondstoffen waarvan het hele voedselsysteem afhankelijk is. Afhankelijk door import kunstmest, veevoer en olie Op symposium Plant FWD liet Stacy Pyett van de Wageningen Universiteit afgelopen week zien hoe die afhankelijkheid op voedselgebied eruitziet. Een belangrijk aspect is de import van kunstmest, zegt Pyett. Dat is nu ook het meest actueel.Aardgas is een grondstof van kunstmest, en ook voor de productie ervan is veel energie nodig. Daarom wordt ongeveer eenvijfde van alle kunstmest wereldwijd geproduceerd in het Midden-Oosten. De levering daarvan staat nu onder druk. Landen die zelf kunstmest maken zijn door de hogere gasprijzen ook duurder uit. Anders dan bij de prijzen aan de pomp merken consumenten de gevolgen van de hogere kunstmestprijzen pas zes tot negen maanden later, nadat er opnieuw is geoogst, legt landbouwanalist Doriana Milenkova uit in de Volkskrant.We zijn ook op andere manieren afhankelijk van het buitenland voor ons voedsel. Zo importeren we veel eiwitrijke gewassen, zoals soja en mais, om die te voeren aan Nederlandse koeien en varkens. Ongeveer 90 procent van de door Nederland geïmporteerde soja belandt niet in vegaburgers, maar in veevoer.Die grondstoffen komen vooral uit Brazilië en de Verenigde Staten. Toen de EU vorig jaar aankondigde heffingen te willen invoeren op mais en soja uit de VS, als reactie op de Amerikaanse importheffingen op staal en aluminium, waarschuwde de koepelorganisatie voor de veevoersector dat dat onvermijdelijk zou leiden tot hogere kosten.En dan is er nog de import van oliehoudende zaden. Eerder werd al duidelijk hoe onafhankelijk Nederland is van de zonnebloemolie uit Oekraïne. Palmolie komt dan weer vooral uit Maleisië en Indonesië. Peulvruchten uit eigen land De vraag die daarop volgt: hoe kan dat anders? Hoe hard je ook je best doet, een palmolieplantage heeft in Nederland geen bestaansrecht. Maar voor de afhankelijkheid van mest en eiwitrijke gewassen heeft Pyett wél een oplossing: peulvruchten telen. Peulvruchten zijn planten die stikstof uit de lucht kunnen binden (zogenoemde 'vlinderbloemigen'). Op die manier maken ze de grond vruchtbaarder, waardoor kunstmest niet (of minder) nodig is.Bovendien worden ze gezien als eiwitbommetjes waar je niet alleen vee mee kunt voeren, maar die ook goed passen in het dieet van de toekomst. Het Voedingscentrum adviseert in haar nieuwe Schijf van Vijf om bijna twee keer zo veel peulvruchten te eten als eerst, en stelt zelfs dat het beter zou zijn om er nóg meer te eten. Dat is ook de droom van de Eiwitboeren van Nederland, die zich verenigd hebben om de teelt van vlinderbloemigen (weer) op de kaart te zetten.Een andere optie is omschakelen naar biologische landbouw, waar onder meer experts van Milieudefensie voor pleiten. Biologische boeren gebruiken biologische mest, bijvoorbeeld van compost of hun eigen dieren. Met een groter aandeel biologisch worden we minder afhankelijk van fossiele brandstoffen, maar de omschakeling gaat niet erg snel. Boost voor nationale eiwitstrategie? Nieuw zijn deze ideeën niet. Al in 2018 riep de Europese Commissie lidstaten op om een nationale eiwitstrategie vorm te geven 'ten behoeve van de strategische voedselsoevereiniteit'. Daaruit volgde in 2020 de Nationale Eiwitstrategie van Nederland. Daarin zegt het Ministerie van Landbouw in te zetten op 'vlinderbloemigen zoals veldbonen, erwten, bruine en witte bonen, lupine, luzerne en klaver'. In die strategie werd onder meer als doel gesteld om 100.000 hectare eiwitrijke vlinderbloemige gewassen in Nederland te hebben in 2030.Een mooi doel, maar daar zijn we nog lang niet. Sterker nog: het oppervlak eiwitrijke gewassen nam de afgelopen jaren zelfs af. Een debat over strategische autonomie in de voedselketen zou zomaar eens kunnen zijn wat er nodig is om het tij te keren. De vraag is alleen nog: wie pakt de handschoen op? Meer lezen over het voedselsysteem van de toekomst? In de nieuwsbrief Kweekvlees & Kool schrijft Change Inc.-redacteur Maaike Kooijman over nieuwe ontwikkelingen en interessante updates. Schrijf je hier in.Lees ook:Minder afhankelijk van grillige prijzen fossiele energie? Waarom de EU juist nu moet doorpakken met de energietransitie Plantaardige alternatieven voor vlees en zuivel kwakkelen, maar er zijn kansen: 'We kunnen leren van de proteïne-hype' Burgers met bonen: zo loodsen supermarkten meer plantaardige eiwitten de winkelmandjes in