‘Kijk, daar is ‘ie’, zegt Pier Vellinga trots als we op een zonnige woensdagochtend aan komen rijden bij zijn woning aan de rand van het Geldserse dorp Eck en Wiel. De emeritus hoogleraar zet zijn oudere Tesla even stil om te wijzen op een stukje gemeenschappelijke grond van drie woonpercelen. Daar staat een gloednieuwe windmolen met een masthoogte van zo’n 15 meter, van de firma Ecoways.
Normaal gesproken is dit een formaat dat boeren als erfmolen plaatsen, maar voor Vellinga is de windmolen de nieuwste toevoeging aan een privéproject van drie families.
De 75-jarige emeritus hoogleraar aan de universiteit van Wageningen en de Vrije Universiteit Amsterdam staat bekend als autoriteit op het gebied van klimaatverandering. In de jaren tachtig en negentig was Vellinga adviseur van milieuministers Ed Nijpels en later Hans Alders, internationaal stond hij mede aan de wieg van klimaatpanel IPCC.
Vellinga volgt de ontwikkelingen rond het klimaatbeleid nog altijd op de voet, maar is ook druk met zijn privéproject dat het midden houdt tussen hobby- en pionierswerk. Stel, je wilt als huishouden zo veel mogelijk zelfvoorzienend worden met hernieuwbare energie. Hoever kun je dan komen met zonnepanelen, een warmtepomp, batterijopslag, elektrische auto… en een windmolen?

Pier Vellinga bij zijn woning, die voorzien wordt van elektriciteit uit zonnepanelen én een windmolen. | Credits: Change Inc./Jeroen de Boer
Eigen opwek van hernieuwbare energie: zon en wind vullen elkaar aan
Windenergie vormt een belangrijke aanvulling in de maanden dat Vellinga’s zonnepanelen minder stroom leveren. Daarnaast is elektriciteit uit een windmolen noodzakelijk, als je elektrische auto’s zo veel mogelijk met eigen opwek wilt voeden.
‘Een eigen windmolen past goed voor meerdere huishoudens als aanvulling op zonnepanelen, als je allemaal een elektrische auto hebt en je die auto nodig hebt voor woon-werkverkeer’, schetst Vellinga. ‘Auto’s leggen dan algauw zo’n 10.000 tot 20.000 kilometer per jaar af. Voor drie auto’s die bij elkaar 45.000 kilometer rijden, kom je dan in de buurt van 9.000 kilowattuur aan stroom.’
Voor 3.000 kilowattuur van één auto heb je al acht tot tien zonnepanelen nodig, maar vanwege ongelijke opbrengst van zonnestroom in de zomer en winter red je het daarmee niet. Op dat punt biedt een windmolen een cruciale aanvulling. Die van Vellinga werd begin maart opgeleverd en moet op papier 25.000 kilowattuur aan elektriciteit per jaar leveren. Al wordt dat in de praktijk wellicht iets minder: ‘Op basis van het huidige opbrengstpatroon gaan we denk ik uitkomen op zo’n 20.000 kilowattuur.’
Alsnog is dat een indrukwekkende hoeveelheid stroom. Ter vergelijking: een gemiddeld huishouden van drie personen dat op gas stookt en geen elektrische auto heeft, verbruikt volgens budgetinstituut Nibud ongeveer 3.000 kilowattuur elektriciteit per jaar. Met een all-electric warmtepomp, waarmee je een cv-ketel die ruim duizend kuub gas per jaar verbruikt vervangt, moet je volgens Milieu Centraal rekenen op ruim 3.500 kilowattuur aan bijkomend stroomverbruik.
Komt daar het verbruik van een elektrische auto bij, dan loopt het totaal op tot ongeveer 10.000 kilowattuur aan jaarverbruik voor een standaardhuishouden. Dus ongeveer de helft van wat de windmolen levert.
Vellinga is met zijn buren ook bezig om batterijopslag te regelen om de eigen opwek van wind- en zonnestroom beter af te stemmen op de vraag van de huishoudens. ‘Batterijen zijn essentieel om dit zo kostenneutraal mogelijk te maken. Anders kost het alleen maar geld. We doen mee aan een pilot waarbij oude autoaccu’s kunnen worden ingezet voor stationair gebruik.’
Eigen windmolen: rompslomp met vergunningen
De oorsprong van het project rond autonome energievoorziening gaat ruim twintig jaar terug, toen de familie Vellinga samen met twee andere gezinnen een stuk grond kon kopen in Gelderland, inclusief een landschaps- en natuurgebied. ‘Er zat ook een bouwvergunning bij, zodat we daar met drie gezinnen konden wonen door een oude boerderij te restaureren en twee huizen bij te plaatsen. Die zijn de afgelopen tien jaar behoorlijk goed geïsoleerd en voorzien van warmtepompen en zonnepanelen.’
De volgende stap was de aanvulling met een windmolen, maar dat bleek flink wat voeten in de aarde te hebben. Om te beginnen was er de vergunningsprocedure die flink wat tijd in beslag nam. Vellinga: ‘Er waren kritische vragen van omwonenden. Terecht, maar de beantwoording daarvan is een omslachtig proces. Er moesten aanvullende onderzoekjes worden gedaan over de slagschaduw van de windmolen, het geluid, maar ook over de gevolgen als er een wiek afbreekt. Wie is er dan aansprakelijk? Dat was bij elkaar een flinke rompslomp.’

De windmolen van Pier Vellinga. | Credits: Pier Vellinga
Energie delen met de buren
Een fundamentele uitdaging ligt bij het samen opwekken en delen van windenergie met meerdere huishoudens. Dat blijkt in de praktijk allesbehalve eenvoudig. Vellinga: ‘Je kunt een energiecoöperatie oprichten om dat gezamenlijk te doen, maar voor een paar gezinnen is dat behoorlijk complex, onder meer omdat je dan te maken hebt met energiebelasting en btw.’
Zonder energiecoöperatie is het echter ook lastig om onderling energie te delen: ‘Je mag niet zomaar een stroomkabel naar de buren aanleggen. Op het moment dat je leverancier wordt, gaan belastingen een rol spelen. De overheid wil daar grip op houden, omdat de energiebelasting en btw belangrijke inkomstenbronnen zijn.’
Om toch schot in de zaak te krijgen spraken de drie families af dat Vellinga in eerste instantie de windmolen zou kopen. ‘We dachten: laten we eerst zorgen dat die windmolen er staat en dan kijken we wel hoe de wetgeving rond energiedelen zich ontwikkelt.’
Nieuwe energiewet: praktijk moet zich gaan bewijzen
Met een extra hypotheek van een ton op de eigen woning kon Vellinga de aanschaf financieren. Dat was in 2021. Vervolgens duurde het bijna vijf jaar totdat alle hordes waren genomen en de windmolen kon worden neergezet. ‘Het plaatsen zelf ging opvallend snel. Toen alles rond was en we konden starten met de bouw, stond de molen er binnen twee weken. We hebben een dynamisch energiecontract voor de teruglevering aan het net, maar het delen met de buren moet dus nog worden geregeld.’
De nieuwe Energiewet die sinds 1 januari 2026 van kracht is, heeft tot doel om lokale energieopwek en het onderling delen van energie beter te faciliteren. Vellinga: ‘De nieuwe wet zegt dat particulieren energie kunnen delen, maar er is nog weinig jurisprudentie.’
‘Het komt er nu op neer dat je met een aantal particulieren samen dezelfde energiemaatschappij moet nemen. Je verkoopt de hernieuwbare energie die je opwekt aan de energiemaatschappij, en die verkoopt de elektriciteit, met een beetje opslag, aan degenen met wie je energie deelt. Die mogelijkheid zijn we nu aan het onderzoeken.’
Vellinga erkent ruiterlijk dat een windmolen in je achtertuin ‘niet voor iedereen’ is. ‘Plattelandsgebieden lenen zich hier natuurlijk veel beter voor dan dichtbevolkte regio’s in de Randstad. Maar in brede zin moeten we in Nederland wel richting zelfvoorziening op basis van hernieuwbare energie. Voor stedelijke gebieden zijn wind op zee, zonneparken en batterijen waarschijnlijk de meest efficiënte route.’
Lees ook:
- ‘Elke voorspelling over de ‘magische’ opkomst van zonne-energie blijkt te voorzichtig’
- Nederland wekt meer hernieuwbare energie op in 2025, maar gooit ook groene stroom voor ruim 1,5 miljoen huishoudens weg
- Gedrag met hoge CO2-impact moeilijk te veranderen, maar Milieu Centraal ziet toch veel kansen




