Afgelopen week meldde de beheerder van het hoogspanningsnet TenneT dat voor de regio’s Flevopolder-Gelderland-Utrecht acute problemen dreigen met nieuwe netaansluitingen. Niet alleen bedrijven, maar ook de nieuwbouw kan hierdoor geraakt worden. De waarschuwing van TenneT zal de roep om actie doen aanzwellen, maar aanstaand minister Stientje van Veldhoven moet daarbij keuzes maken die makkelijk politieke weerstand kunnen oproepen.
TenneT hamert onder meer op snelle besluitvorming over de bouw van een nieuw hoogspanningsstation ten noorden van de stad Utrecht. De provincie heeft afgelopen november ingestemd met een ‘verdere verkenning’ van Haarrijn als voorkeurslocatie. Eind maart wordt daarover een besluit genomen.
Trajecten voor de planning van nieuwe infrastructuur voor het stroomnet nemen momenteel zo’n acht tot twaalf jaar in beslag. Het nieuwe kabinet wil de doorlooptijd van vergunnings- en goedkeuringsprocedures verkorten met een Crisiswet Netcongestie, maar dat neemt niet weg dat netuitbreiding een oplossing voor de langere termijn blijft.
Uit eerdere analyses blijkt bijvoorbeeld dat er tussen 2024 en 2040 in totaal 195 miljard euro geïnvesteerd moet worden in het elektriciteitsnet, waarvan 107 miljard euro op land. Daar hebben netbeheerders de komende vijftien jaar dus nog de handen vol aan.
Met maatregelen op korte en middellange termijn om slimmer om te gaan met het gebruik van het net kan naar verwachting maximaal zo’n 22,5 miljard euro bespaard worden op de geraamde kosten van 107 miljard euro voor netuitbreiding op land. Het gaat hierbij onder meer om energiebesparing, tariefdifferentiatie voor piekverbruik en andere vormen van flexibiliteit. Bijvoorbeeld de inzet van batterijopslag en zakelijke contracten met afspraken over beperking van de afname van stroom op piekmomenten.
Maatregelen tegen netcongestie voor komende 5 tot 10 jaar
Hoe dan ook blijft de uitdaging groot, aangezien de energietransitie de komende decennia een structurele stijging van elektriciteitsvraag meebrengt. Elektrificatie van het transport, toenemend gebruik van warmtepompen en verduurzaming van de industrie zorgen ervoor dat elektriciteit een groter deel van de totale energievraag voor z’n rekening neemt. Er zijn wel maatregelen die op korte termijn verlichting kunnen bieden voor netcongestie, maar die vragen om gedurfde keuzes.
Begin deze maand stuurde demissionair minister Sophie Hermans van Klimaat en Groene Groei een analyse naar de Tweede Kamer met acht suggesties voor een ‘aansluitoffensief’. Uitgangspunt daarbij was de aangevraagde nieuwe capaciteit voor aansluitingen bij TenneT en de regionale netbeheerders in 2025.
Afgelopen jaar stond er in totaal voor 38 gigawatt aan verzoeken uit voor aansluitingen op het hoogspanningsnet. Dit ging om 212 aanvragen. Bij de regionale netbeheerders was de aangevraagde capaciteit in totaal 9 gigawatt, verdeeld over ruim 14.000 aanvragen van zakelijke gebruikers.
Met het voorgestelde aansluitingsoffensief kan in 2030 5 tot 10 gigawatt aan capaciteit worden ingevuld, dus ongeveer 10 tot 20 procent van wat er in 2025 was aangevraagd. Voor 2035 zou 10 tot 20 gigawatt kunnen worden vrijgespeeld.
Snelle oplossingen voor netcongestie: politiek gevoelig
Als je kijkt naar het soort maatregelen dat op kortere termijn verlichting kan bieden voor netcongestie, valt op dat de snelste oplossingen veelal ook flinke maatschappelijke consequenties hebben: huishoudens en bedrijven moeten hiervoor linksom of rechtsom bepaalde offers brengen. Dat vraagt om een andere mentaliteit met minder zekerheid dat je altijd beschikking hebt over netstroom. Hieronder volgen drie voorbeelden.
1. Meer risico nemen: grotere kans op stroomstoringen
Het Nederlandse elektriciteitsnet is extreem betrouwbaar. TenneT stelde afgelopen jaar in een analyse dat de norm van maximaal 4 uur per jaar stroomuitval tot 2030 haalbaar is. Door problemen met netcongestie kan dit wel oplopen tot 12,6 uur stroomuitval in 2033, om daarna terug te vallen tot 9,2 uur in 2035. Het gaat hier om de zogenoemde LOLE-norm: loss of load expectation.
Als je het aantal uitvaluren afzet tegen het aantal uren in een jaar, kom je met 4 uur op een totaal van 8.760 uur op een laag percentage: 0,046 procent. Als netcongestie in 2033 leidt tot 12,6 uur uitval, gaat het om 0,14 procent stroomuitval op jaarbasis.
De hoge betrouwbaarheid van het Nederlandse elektriciteitsnet is mede een gevolg van het inbouwen van zogenoemde reservecapaciteit bij het toekennen van aansluitingen aan zakelijke en particuliere gebruikers. Hierdoor zit het stroomnet op papier vol, terwijl niet alle fysiek beschikbare ruimte wordt gebruikt. Een voorstel uit het ‘aansluitoffensief’ is de totstandkoming van een onafhankelijke adviesraad die jaarlijks voorstellen doet aan de minister om minder zekerheid in te bouwen.
Door de reservecapaciteit iets minder ruim te nemen kan volgens het aansluitoffensief op korte termijn 2 tot 4 gigawatt aan ruimte op het stroomnet worden vrijgespeeld. Het gevolg kan wel zijn dat ‘de kans op storingen en uitval’ toeneemt. Dit geldt vooral als andere maatregelen relatief langzaam worden uitgerold. Dat betreft bijvoorbeeld de invoering van flexcontracten die de toegang tot het net op piekmomenten beperken.
Het snel aanpakken van ‘papieren’ netcongestie vraagt dus om een gedurfde opstelling van de nieuwe minister: die moet burgers en bedrijven vertellen dat ze wat vaker te maken kunnen krijgen met storingen.
2. Controle over piekverbruik van warmtepompen en laadpalen
Door de opmars van elektrisch rijden en elektrisch aangedreven warmtepompen neemt de vraag naar stroom in de vroege avonduren structureel toe. Voor laadpalen wordt al gekeken naar afspraken tussen regionale netbeheerders en exploitanten van laadpleinen en snellaadstations over flexibiliteit. Die moeten zorgen voor laadbeperkingen tijdens momenten van piekvraag op het net.
Ook zijn er onder meer in Drenthe kleinschalige pilots gedaan met aansturing van warmtepompen in woonwijken, waarbij de netbeheerder op afstand met slimme aansturing de stroomvraag van warmtepompen op piekuren kan reguleren.
Waar het in Nederland nog altijd aan ontbreekt, is gestandaardiseerd landelijk beleid. Het contrast met bijvoorbeeld Duitsland is op dit punt enorm. Daar zijn sinds 1 januari 2024 via een aanpassing van de Energiewet veel sterkere mogelijkheden gecreëerd voor regionale netbeheerders om de capaciteit die kleinverbruikers kunnen inzetten, aan te passen.
Voor kleinverbruikers geldt in Duitsland dat apparaten met een vermogen van meer dan 4,2 kilowatt (zoals warmtepompen en laadpalen) verplicht software moeten bevatten die aansturing op afstand door regionale netbeheerders mogelijk maakt. Netbeheerders hebben wettelijk de mogelijkheid om bij dreigende overbelasting van het net bepaalde apparaten tijdelijk uit te schakelen.
Kleinverbruikers moeten in Duitsland wel altijd over minimaal 4,2 kilowatt aan netcapaciteit kunnen blijven beschikken. Dus huizen komen nooit volledig zonder stroom te zitten. Ter referentie: in Nederland heb je met een kleinverbruikersaansluiting van 1 x 25 ampère een vermogen van 5,8 kilowatt, en met 3 x 25 ampère 17,3 kilowatt.
In ruil voor deze sturingsmacht zijn regionale netbeheerders in Duitsland verplicht om nieuwe aanvragen voor kleinverbruikersaansluitingen altijd in te willigen, ook in congestiegebieden.
In Nederland staat de ‘Duitse optie’ nog niet op de politieke agenda. Het zou wel een relatief snel te realiseren maatregel zijn die zorgt voor meer grip op het piekverbruik van warmtepompen en laadpalen. Het kabinet-Jetten moet daarvoor z’n nek durven uitsteken. De minister moet bijvoorbeeld geloofwaardig kunnen uitleggen dat kleinverbruikers altijd toegang houden tot het stroomnet, mits ze op piekmomenten afschaling van hun netaansluiting tot een bepaald minimumniveau accepteren.
3. Prijsprikkels: gebruik stroomnet op piekmomenten duurder maken of toegang tot capaciteit beprijzen
Nauw verbonden met de toegang tot het net op piekmomenten is de discussie over de aanpassing van nettarieven. Het idee hierbij is dat je via prijsprikkels piekverbruik probeert te ontmoedigen.
Afgelopen vrijdag kondigde markttoezichthouder ACM aan dit jaar met voorstellen te komen voor een ‘tijdafhankelijk nettarief’ voor zowel groot- als kleinverbruikers. De vraag is hoe dit precies moet gaan werken.
Zo zou bijvoorbeeld het netwerktarief tussen 17.00 en 21.00 uur generiek kunnen worden verhoogd. Maar zo’n prijsprikkel betekent niet noodzakelijk dat je meer grip krijgt op het piekverbruik van warmtepompen en laadpalen, als er geen capaciteitsbeperkingen zijn ingebouwd. Rijkere huishoudens met bijvoorbeeld een 3 x 25 ampère-aansluiting kunnen tijdens een duurder tijdslot nog steeds hun elektrische auto laden en de warmtepomp maximaal inzetten.
Een alternatief dat is voorgesteld door voormalig coördinator netcongestie Ben Voorhorst en energie-expert Leendert Florusse, gaat uit van een tariefsysteem dat onderscheid maakt op basis van de maximale capaciteit die je kunt benutten op piekmomenten.
Wie bijvoorbeeld in de winter met een aansluiting van 3 x 25 ampère tussen 16.00 en 21.00 een beperking tot 5,5 kilowatt accepteert, betaalt minder dan iemand die op die van het volledige vermogen van de aansluiting gebruik wil maken (ruim 17 kilowatt). Een dergelijke systematiek zou beter aansluiten bij de eerder genoemde ‘Duitse optie’, waarbij de netbeheerder de capaciteit van kleinverbruikers bij dreigende overbelasting kan terugschakelen. Je kunt immers het accepteren van tijdsbeperkingen op de netcapaciteit financieel belonen.
Het doorvoeren van prijsprikkels is relatief snel mogelijk, maar vraagt opnieuw om politieke durf: een minister die helder kan maken dat we in een wereld van nieuwe schaarste leven, waarin je als gebruiker niet meer op elk willekeurig moment ongelimiteerde hoeveelheden elektriciteit kunt opeisen.




