Stipt op tijd verschijnt Ritchie op ons beeldscherm. Rustig en vriendelijk vertelt ze met een Schotse tongval hoe ze zich jarenlang alleen maar in de cijfers achter duurzaamheid verdiepte. Maar gaandeweg ontdekte ze: vooruitgang hangt niet alleen van data af, maar gaat eigenlijk meer over mensen en het economische systeem dat hun keuzes beïnvloedt.
Daarom zoekt ze steeds vaker actief het gesprek op met andere disciplines, waarbij ze haar inzichten deelt in heldere taal, wars van jargon of retoriek. Eigenlijk net zoals in haar boek.
In 2024 verscheen Not the End of the World. Waarom wilde u dit boek schrijven?
‘Om meerdere redenen. De eerste was vrij persoonlijk. Ik maakte me al jaren zorgen over klimaatverandering en andere milieuproblemen. Tien, vijftien jaar geleden was ik ronduit pessimistisch over de toekomst. Het voelde alsof niemand echt iets wilde doen, alsof we met open ogen op een ramp afstevenden. Die houding verlamt. Als je actie wilt stimuleren, heb je mensen nodig die geloven dat verandering mogelijk is.
Inmiddels sta ik ergens anders. Maar veel mensen voelen zich nu zoals ik me toen voelde. Ik krijg regelmatig mails van jonge mensen die zich radeloos en toekomstloos voelen. En zelfs veel klimaatwetenschappers hebben het gevoel dat ze weinig meer kunnen doen. Het boek is mijn poging om hun, en mijn vroegere zelf, iets anders te vertellen. Ja, de problemen zijn groot. Maar het is nog niet te laat.
Daarnaast merkte ik dat er een groot verschil is tussen wat mensen denken dat duurzaam is, en wat volgens de data écht impact heeft. Dat wilde ik rechtzetten.’
Hannah Ritchie (1993) is een Schotse datawetenschapper en senior onderzoeker aan de Oxford Martin School. Als adjunct-hoofdredacteur van Our World in Data gebruikt ze statistiek om de grootste uitdagingen van deze tijd inzichtelijk te maken.
In haar eerste boek, Not the End of the World: How We Can Be the First Generation to Build a Sustainable Planet (2024), laat Ritchie aan de hand van data zien hoeveel vooruitgang er al geboekt is op het gebied van duurzaamheid. Ze pleit voor een ‘urgente vorm van optimisme’ over grootschalige problemen en de mogelijkheid om een duurzame samenleving te bouwen.
We werden getriggerd door de data in uw boek, waaruit blijkt dat niet alleen jongeren in het westen, maar ook in landen als de Filipijnen, India en Brazilië het gevoel hebben dat het niet goed gaat met de mensheid. Dat is niet slechts een westers fenomeen.
‘Ja, dat verraste mij ook. In eerder onderzoek zagen we vaak dat mensen met een lager inkomen milieuproblemen lager op hun prioriteitenlijst zetten. Begrijpelijk, omdat ze met urgentere zorgen te maken hebben. Maar je kunt ook andersom redeneren: dat iemand in de Filipijnen zich meer zorgen maakt over klimaatverandering dan iemand in het Verenigd Koninkrijk [omdat de gevolgen van klimaatverandering daar sneller zichtbaar zijn, red.].
Ik verwachtte een van die twee lijnen terug te zien, maar wat eruit kwam was dat jongeren wereldwijd opvallend vergelijkbare gevoelens hebben. Dat gevoel van onheil is iets wereldwijd.’
De belangrijkste boodschap van uw boek is dat er ook positieve ontwikkelingen zijn. Hoe bent u die op het spoor gekomen?
‘Toen ik nog erg pessimistisch was keek ik niet naar data, maar las ik vooral het nieuws. Daardoor wist ik eigenlijk niet hoe de wereld zich écht ontwikkelde. Dat veranderde toen ik het werk van statisticus Hans Rosling ontdekte. Zijn TED-talks waren een eyeopener. Hij stelde simpele quizvragen, zoals: ‘Neemt extreme armoede toe of af?’ Bijna iedereen, inclusief ikzelf, had het fout. Dat was voor mij een keerpunt. Veel dingen waarvan ik dacht dat ze verslechterden, bleken juist te verbeteren. Data helpt ons daar scherper naar te kijken.
Een deel van die verwarring komt, denk ik, omdat mensen niet goed beseffen hoe het vroeger eigenlijk was. We nemen ons huidige leven voor lief zonder ons te realiseren dat het niet zo lang geleden bijvoorbeeld nog vanzelfsprekend was dat kinderen maar een overlevingskans van vijftig procent hadden. Ook hebben veel mensen het idee dat de vooruitgang gestagneerd is. Maar voor een groot deel van de wereld vinden de belangrijkste veranderingen júíst nu plaats. Dat haalt zelden het nieuws. Dat vervormt ons beeld van de werkelijkheid.’
Moeten de media dan meer doen om die verhalen over te brengen?
‘Ik ben daar in het verleden best kritisch op geweest. Tegelijk: journalisten zitten in een lastige positie. Hun verdienmodel draait om clicks, ze moeten inspelen op wat de aandacht trekt. En mensen reageren van nature nou eenmaal sterk op negatief nieuws.
De echte vraag is: is journalistiek er om te informeren of om te vermaken? Idealiter doet ze het allebei. Maar ik denk dat media meer kunnen doen om mensen goed te informeren over hoe de wereld écht verandert.’
Ook veel klimaatorganisaties en het IPCC gebruiken alarmerende taal. De naam ‘Extinction Rebellion’ suggereert dat het al vijf over twaalf is.
‘Ik zou dat het IPCC niet verwijten. Zij zijn vaak juist heel voorzichtig, soms zelfs té voorzichtig in hun communicatie. Hun rapporten zijn dik en droog; weinig mensen lezen die echt. Maar je hebt gelijk wat sommige actiegroepen betreft. Ik snap waar hun felheid vandaan komt. Vaak is het frustratie, het gevoel dat niemand luistert. Dus gaan ze schreeuwen, extreme scenario’s schetsen, gewoon om door te dringen.
Het risico is alleen dat mensen daardoor afhaken. We reageren meestal niet goed op zulke zwart-witboodschappen. Ze kunnen vervreemdend werken. Als je wilt dat mensen meedoen, moeten ze geloven dat hun inzet ertoe doet. Dat er nog iets te winnen valt.’
Er is een fundamentele discussie tussen ‘deep ecology’ en een modernistisch ecologisch denken. ‘Deep ecologists’ pleiten voor een mentale verandering in de klimaatcrisis, modernisten geloven in technologie. Waar staat u?
‘Technologie is cruciaal. Zonder innovaties zou ik veel somberder zijn. Socioculturele verandering is vaak ontzettend moeilijk en verloopt traag. Dus ja, we hebben technologie nodig.
Maar de echte vraag is: zal de combinatie voldoende zijn? Laat me duidelijk zijn. Technologie alleen gaat ons niet redden. We moeten ook het systeem waarin die technologieën opereren veranderen. Wat heb je aan een briljante oplossing als niemand ‘m gebruikt? Of als het economische systeem die innovatie tegenwerkt? Daarom hebben we ook economische, culturele en politieke verandering nodig. Je kunt innovatie niet los zien van de context.’
Gelooft u echt dat technologie ons onder de juiste voorwaarden op alle vlakken kan redden?
‘In sommige domeinen zal socioculturele verandering belangrijker zijn. In de energiesector ben ik relatief hoopvol. Daar zijn al sterke alternatieven voor fossiele brandstoffen. De overstap naar schone energie is logisch, niet alleen ecologisch, maar ook economisch en sociaal.
Maar op één gebied ben ik minder hoopvol over technologie: ons voedselsysteem. Wat we eten is sterk cultureel bepaald. Als we de milieu-impact van ons voedsel willen verlagen, is minder vlees eten essentieel. Maar daar boeken we nauwelijks vooruitgang. Wereldwijd stijgt de vleesconsumptie nog steeds en zelfs in rijke landen daalt die amper. Er zijn wat uitzonderingen, maar geen brede trend. Dat baart me zorgen, want ik geloof niet dat we daar snel culturele verandering in gaan zien. Maar technologie alleen gaat dit niet oplossen.’
U wordt vaak als optimistisch neergezet, soms als te optimistisch. Hoe ziet u dat zelf?
‘Ik zie mezelf niet als overdreven optimistisch. Ik probeer juist realistisch te zijn. Neem het klimaatakkoord van Parijs: de 1,5 graden-doelstelling gaan we niet meer halen. En ik denk dat het naïef en schadelijk is om te doen alsof dat nog wél gaat lukken. Als je blijft zeggen dat het mogelijk is, creëer je een soort ontkenning, terwijl we ons juist moeten klaarmaken voor de realiteit.
Hoop is belangrijk, maar valse hoop werkt averechts. Ik probeer daarin eerlijk te zijn.’
Wat geeft u hoop of inspiratie?
‘Twee dingen. Ten eerste de geschiedenis. Als je terugkijkt, zie je dat we zo veel vooruitgang hebben geboekt. Mensen hebben altijd al problemen opgelost die eerst onoplosbaar leken. Met moeite, maar het lukte.
Ik stel mezelf soms de vraag: hoe zou iemand in 1850 naar zijn wereld hebben gekeken? Waarschijnlijk als uitzichtloos. Net zoals wij nu vaak naar klimaatverandering kijken. Maar sindsdien hebben we ongelooflijk veel bereikt, dingen die echt ondenkbaar waren. Dat besef geeft me perspectief.
Het tweede is de grote groep mensen die nu aan oplossingen werken. Je ziet ze zelden, maar ze zijn er wel. Wetenschappers, ingenieurs, lokale gemeenschappen, gewoon de mensen die thuis een warmtepomp installeren. Er vindt een stille, collectieve verandering plaats die je niet op het nieuws ziet.’
Wat zou u willen zeggen tegen mensen met klimaatangst of klimaatdepressie?
‘Dat het een volkomen normale reactie is. Veel mensen voelen zich alleen in hun zorgen, maar ze zijn dat niet. Het is een begrijpelijke, zelfs rationele reactie op de omvang van het probleem. Dat is belangrijk om te beseffen.
De beste manier om daarmee om te gaan is om iets te doen, hoe klein ook. Je kunt en hoeft het niet alleen op te lossen, maar je kunt wél iets bijdragen. Omring je met mensen die ook verschil maken. Dat maakt echt uit.
Die angstgevoelens verdwijnen niet, en misschien hoeft dat ook niet. Angst kan ook een beschermend instinct zijn. Maar het gaat erom dat je die energie ergens in kwijt kunt, dat je ‘m omzet in iets constructiefs. En als laatste tip? Volg wat minder vaak het nieuws.’
Dromers, denkers, doeners
Dit interview is overgenomen uit Dromers, denkers, doeners. Gesprekken over de economie van morgen van Amsterdam University Press. Het boek is geschreven voor Govert Buijs, Ellen Klaver en Marcus van Toor. Zij hebben de interviews met deze bevlogen vernieuwers van de economie ook afgenomen.
Dromers, denkers, doeners


