Het Noord-Hollandse dorp Opmeer wil in 2030 een kleine kerncentrale bouwen. Experts noemen dat plan in een NOS-artikel ‘volstrekt onhaalbaar’. Volgens energieonderzoekers is de kans groot dat er tegen die tijd hooguit een demonstratiemodel bestaat dat nog geen stroom kan leveren.
Je zou dit kunnen afdoen als een lokale politieke luchtballon. Maar psychologisch gezien is het een bijzonder herkenbaar verhaal. Het laat een mechanisme zien dat we in het klimaatdebat overal tegenkomen: techno-optimisme als uitstelstrategie.
Opmeer: van zonneweides naar kernreactoren
In Opmeer speelde eerder iets anders. Er waren plannen voor zonneweides. Die stuitten op protest van inwoners en verdwenen uiteindelijk in de ijskast.
Nu is er een alternatief: een Small Modular Reactor (SMR). Een nieuwe generatie kernreactoren waarvan onderdelen in fabrieken worden gemaakt en vervolgens op locatie worden opgebouwd. In theorie sneller en goedkoper dan grote kerncentrales.
In de praktijk zijn deze reactoren echter nog nauwelijks ontwikkeld. Experts schatten dat commerciële toepassing in Nederland eerder rond 2040 dan 2030 ligt, en zelfs dat is onzeker. En toch heeft het plan een duidelijke politieke aantrekkingskracht. Want het belooft iets wat psychologisch belangrijk is: dat we nu niets hoeven te veranderen.
De psychologie achter techno-optimisme
Als maatregelen die nu al beschikbaar zijn, zoals windmolens, zonnevelden of energiebesparing, weerstand oproepen, ontstaat er vaak een sterke behoefte aan een oplossing die in de toekomst ligt. Een technologie die nog niet bestaat en nog niet bewezen is, maar wel belooft dat het probleem straks wordt opgelost.
Psychologen herkennen hierin een vorm van coping. Mensen proberen de spanning te verminderen die ontstaat als ze weten dat er een probleem is, maar tegelijkertijd moeite hebben met de oplossingen die daarvoor nodig zijn. Een toekomstige technologische doorbraak biedt dan een uitweg. Die geeft hoop én het maakt het mogelijk om moeilijke keuzes uit te stellen.
Het rebound-effect van techno-optimisme
Op zichzelf is er niets mis met optimisme over technologie. Innovatie is essentieel voor de energietransitie. Zonder nieuwe oplossingen voor opslag, netcapaciteit, industrie en mobiliteit komen we er simpelweg niet.
Het probleem ontstaat wanneer dat optimisme bestaande oplossingen verdringt. In het NOS-artikel zegt energie-expert Wim Turkenburg te vrezen dat Opmeer niets meer met wind- en zonne-energie doet zolang het inzet op een kleine kerncentrale. Dat is het reboundeffect van techno-optimisme: hoe sterker het geloof in een toekomstige technologische oplossing, hoe kleiner de bereidheid wordt om maatregelen te nemen die nu al werken. Met andere woorden: de belofte van morgen wordt een reden om vandaag niets te doen.
Een patroon dat we overal zien
Dit mechanisme beperkt zich niet tot kernenergie. Het duikt steeds weer op in het klimaatdebat. Bijvoorbeeld bij:
- CO2-afvang die emissies van fossiele industrieën zou neutraliseren;
- Waterstof als oplossing voor vrijwel elke energietoepassing;
- Synthetische brandstoffen die vliegen klimaatneutraal zouden maken;
- Geo-engineering om het klimaat met technische trucs te ‘repareren’.
Al deze technologieën kunnen een rol spelen. Sommige waarschijnlijk zelfs een belangrijke. Maar steeds zien we hetzelfde patroon: de hoop op toekomstige oplossingen vermindert de urgentie om huidige oplossingen te gebruiken.
Het echte probleem: acceptatie van oplossingen die nu al werken
De energietransitie wordt vaak gepresenteerd als een technologisch vraagstuk. Alsof het vooral draait om de vraag welke technologie uiteindelijk wint. Maar het voorbeeld van Opmeer laat iets anders zien. De technologieën die we nu nodig hebben – wind, zon, energiebesparing – bestaan al. Ze zijn bewezen effectief, schaalbaar en relatief goedkoop.
De grootste uitdaging zit dus ergens anders: in acceptatie, gedrag en politieke keuzes. Technologie kan ons helpen, maar technologie kan ons ook een verhaal bieden dat psychologisch aantrekkelijk is: dat we nog even kunnen wachten.
De vraag is daarom niet of kleine kerncentrales ooit een rol kunnen spelen. Misschien wel. De echte vraag is wat er met onze keuzes van vandaag gebeurt zolang we blijven hopen op oplossingen van morgen.
Reint Jan Renes is gedragswetenschapper en lector Psychologie voor een duurzame stad aan de Hogeschool van Amsterdam.
Lees ook:
- Optimisme over zonne-energie: ‘Snelheid van technologische ontwikkeling én kostendaling nog steeds onderschat’
- Klaas Dijkhoff over gedragsverandering: ‘Kweekvlees moet net zo door mijn baard druipen als slachtvlees’
- Gedrag met hoge CO2-impact moeilijk te veranderen, maar Milieu Centraal ziet toch veel kansen



