Reint Jan Renes 16 maart 2026, 15:10

Niks mis met techno-optimisme, maar geloof in kernenergie mag wind en zon niet remmen

Innovatie is essentieel voor de energietransitie. Maar we moeten niet alleen inzetten op technologie die nu nog niet bewezen is, betoogt gedragswetenschapper Reint Jan Renes. De belofte van morgen mag geen reden zijn om vandaag niets te doen.

Bouw van een Small Modular Reactor Experts schatten dat commerciële toepassing van Small Modular Reactors (SMR's) in Nederland eerder rond 2040 dan 2030 ligt. | Credits: Getty Images

Het Noord-Hollandse dorp Opmeer wil in 2030 een kleine kerncentrale bouwen. Experts noemen dat plan in een NOS-artikel ‘volstrekt onhaalbaar’. Volgens energieonderzoekers is de kans groot dat er tegen die tijd hooguit een demonstratiemodel bestaat dat nog geen stroom kan leveren.

Je zou dit kunnen afdoen als een lokale politieke luchtballon. Maar psychologisch gezien is het een bijzonder herkenbaar verhaal. Het laat een mechanisme zien dat we in het klimaatdebat overal tegenkomen: techno-optimisme als uitstelstrategie.

Opmeer: van zonneweides naar kernreactoren

In Opmeer speelde eerder iets anders. Er waren plannen voor zonneweides. Die stuitten op protest van inwoners en verdwenen uiteindelijk in de ijskast.

Nu is er een alternatief: een Small Modular Reactor (SMR). Een nieuwe generatie kernreactoren waarvan onderdelen in fabrieken worden gemaakt en vervolgens op locatie worden opgebouwd. In theorie sneller en goedkoper dan grote kerncentrales.

In de praktijk zijn deze reactoren echter nog nauwelijks ontwikkeld. Experts schatten dat commerciële toepassing in Nederland eerder rond 2040 dan 2030 ligt, en zelfs dat is onzeker. En toch heeft het plan een duidelijke politieke aantrekkingskracht. Want het belooft iets wat psychologisch belangrijk is: dat we nu niets hoeven te veranderen.

De psychologie achter techno-optimisme

Als maatregelen die nu al beschikbaar zijn, zoals windmolens, zonnevelden of energiebesparing, weerstand oproepen, ontstaat er vaak een sterke behoefte aan een oplossing die in de toekomst ligt. Een technologie die nog niet bestaat en nog niet bewezen is, maar wel belooft dat het probleem straks wordt opgelost.

Psychologen herkennen hierin een vorm van coping. Mensen proberen de spanning te verminderen die ontstaat als ze weten dat er een probleem is, maar tegelijkertijd moeite hebben met de oplossingen die daarvoor nodig zijn. Een toekomstige technologische doorbraak biedt dan een uitweg. Die geeft hoop én het maakt het mogelijk om moeilijke keuzes uit te stellen.

Het rebound-effect van techno-optimisme

Op zichzelf is er niets mis met optimisme over technologie. Innovatie is essentieel voor de energietransitie. Zonder nieuwe oplossingen voor opslag, netcapaciteit, industrie en mobiliteit komen we er simpelweg niet.

Het probleem ontstaat wanneer dat optimisme bestaande oplossingen verdringt. In het NOS-artikel zegt energie-expert Wim Turkenburg te vrezen dat Opmeer niets meer met wind- en zonne-energie doet zolang het inzet op een kleine kerncentrale. Dat is het reboundeffect van techno-optimisme: hoe sterker het geloof in een toekomstige technologische oplossing, hoe kleiner de bereidheid wordt om maatregelen te nemen die nu al werken. Met andere woorden: de belofte van morgen wordt een reden om vandaag niets te doen.

Een patroon dat we overal zien

Dit mechanisme beperkt zich niet tot kernenergie. Het duikt steeds weer op in het klimaatdebat. Bijvoorbeeld bij:

  • CO2-afvang die emissies van fossiele industrieën zou neutraliseren;
  • Waterstof als oplossing voor vrijwel elke energietoepassing;
  • Synthetische brandstoffen die vliegen klimaatneutraal zouden maken;
  • Geo-engineering om het klimaat met technische trucs te ‘repareren’.

Al deze technologieën kunnen een rol spelen. Sommige waarschijnlijk zelfs een belangrijke. Maar steeds zien we hetzelfde patroon: de hoop op toekomstige oplossingen vermindert de urgentie om huidige oplossingen te gebruiken.

Het echte probleem: acceptatie van oplossingen die nu al werken

De energietransitie wordt vaak gepresenteerd als een technologisch vraagstuk. Alsof het vooral draait om de vraag welke technologie uiteindelijk wint. Maar het voorbeeld van Opmeer laat iets anders zien. De technologieën die we nu nodig hebben – wind, zon, energiebesparing – bestaan al. Ze zijn bewezen effectief, schaalbaar en relatief goedkoop.

De grootste uitdaging zit dus ergens anders: in acceptatie, gedrag en politieke keuzes. Technologie kan ons helpen, maar technologie kan ons ook een verhaal bieden dat psychologisch aantrekkelijk is: dat we nog even kunnen wachten.

De vraag is daarom niet of kleine kerncentrales ooit een rol kunnen spelen. Misschien wel. De echte vraag is wat er met onze keuzes van vandaag gebeurt zolang we blijven hopen op oplossingen van morgen.

Reint Jan Renes is gedragswetenschapper en lector Psychologie voor een duurzame stad aan de Hogeschool van Amsterdam.

Lees ook:

Elektrisch vliegen: het echte potentieel ligt bij korte Europese vluchten

Merlijn van Vliet kwam eigenlijk bij toeval in aanraking met de wereld van elektrisch vliegen. Tijdens zijn opleiding tot piloot moest hij uitwijken naar een ander vliegveld. Na een moeizame landing zag hij daar twee kleine witte vliegtuigen staan. Elektrisch. Zijn instructeur was sceptisch. ‘Daar hoef je je niet druk om te maken, dat wordt niks.’Voor Van Vliet was het juist het begin van een nieuwe missie. Hij richtte eFlight Academy op, de ‘eerste duurzame vliegschool ter wereld en startte NRG2FLY, een bedrijf dat laadnetwerken voor elektrische vliegtuigen ontwikkelt. Kleine vluchten, grote impact Volgens Van Vliet staat elektrisch vliegen ongeveer waar elektrisch rijden vijftien jaar geleden stond. De technologie is er, maar nog niet perfect. De huidige toestellen kunnen ongeveer een uur vliegen. Voor vlieglessen is dat meer dan genoeg. En dat zijn er veel. Alleen al in Nederland gaat het om honderdduizenden vliegbewegingen per jaar.Maar het echte potentieel ligt volgens hem in korte Europese vluchten. ‘30 procent van alle vluchten in Europa is korter dan 500 kilometer. Dat gaan we binnen een paar jaar elektrisch kunnen vliegen.’ Netwerk voor elektrisch vliegen ligt er al Wat veel mensen vergeten, is dat de infrastructuur grotendeels al bestaat. Europa telt meer dan 4.000 luchthavens: van grote hubs tot kleine regionale velden. Door die te elektrificeren kan een nieuw mobiliteitsnetwerk ontstaan, met point-to-point vluchten tussen kleinere luchthavens.'Het is veel makkelijker om een laadpaal op een vliegveld te plaatsen dan een heel vliegveld naast een laadpaal te bouwen,' zegt Van Vliet. Van plannen naar praktijk De grootste uitdaging is volgens hem niet technologie, maar samenwerking. De luchtvaartsector is complex en vraagt om een breed ecosysteem van airlines, luchthavens, startups en beleidsmakers.Juist daarom probeert Van Vliet zoveel mogelijk pilots en experimenten te organiseren, bijvoorbeeld met elektrische testvluchten tussen Nederlandse luchthavens. ‘Nederland is voorloper met elektrische auto’s geweest. Dus laten we het nog een keer doen met elektrisch vliegen.’Benieuwd naar de hele podcast? Luister die dan hieronder: Transition 2026 Merlijn van Vliet was één van de winnaars van de Transition Awards die vorig jaar werden uitgereikt tijdens Transition25. Op 23 juni is het tijd voor de editie van dit jaar: Transition26. Het event van Change Inc. brengt de sleutelfiguren in bedrijven bijeen om versnelling te realiseren waar het ertoe doet. Wil je erbij zijn? Koop dan hier een ticket. En mee doen om de Transition Awards dit jaar? Kijk dan hier voor meer informatie over de voorwaarden, of schrijf je gelijk hier in.Bekijk hier de eerste aflevering van de podcastserie:Waarom de klimaatcrisis de ultieme stresstest is voor onze veiligheid