De leerling van vandaag is de werknemer van morgen. Of nou ja, van het volgende decennium. Maar worden leerlingen wel voorbereid op een duurzame toekomst?
Deels, blijkt uit het woensdag gepubliceerde rapport Staat van het Duurzaam Onderwijs. Dat is een aanvulling op de eveneens woensdag gepresenteerde Staat van het Onderwijs 2026. Want ‘wie onderwijskwaliteit onderzoekt, moet ook kijken in hoeverre onderwijs jongeren voorbereidt op hun toekomst in een wereld met ecologische grenzen, sociale rechtvaardigheid en economische veranderingen’, luidt de toelichting.
De toon van het rapport is positief: er zijn al een heleboel duurzame initiatieven. Maar echt snel gaat het allemaal niet, lees je tussen de regels door.
Wel aandacht voor duurzaamheid, maar praktijk blijft achter
De Staat van het Duurzaam Onderwijs wordt jaarlijks uitgebracht door Leren voor Morgen, een coöperatie van onderwijsinstellingen en andere organisaties die werken aan de verduurzaming van het onderwijs.
Dit jaar werd er voor het eerst geen kwantitatief, maar kwalitatief onderzoek gedaan. Daardoor is het lastig de voortgang ten opzichte van voorgaande jaren te zien. Tegelijkertijd kunnen zo trends worden gezien die uit de cijfers (nog) niet blijken, zegt projectleider Nelleke Jacobs. Zoals een voorzichtige ontwikkeling bij gemeenten. ‘We zien dat gemeenten duurzaam onderwijs vaker koppelen aan andere beleidsagenda’s, zoals cultuur en gezondheid. Dat vergroot het draagvlak voor duurzaamheidseducatie.’
Aandacht voor duurzaamheid in het onderwijs is er dus wel degelijk, zowel op scholen als daarbuiten. Maar er zijn ook flinke uitdagingen.
De grootste daarvan is de kloof tussen beleid en uitvoering. Die is in het onderwijs net zo aanwezig als in het bedrijfsleven – of misschien zelfs groter, ziet Leren voor Morgen. Duurzaamheid wordt bijvoorbeeld wel opgenomen in zogenoemde koersplannen van scholen, maar die visies zijn te algemeen om handvatten te bieden in de klaslokalen. Jacobs: ‘In de praktijk worden schoolleiders en opleidingsmanagers daardoor geleefd door andere dingen, zoals doorstroomtoetsen en slagingspercentages.’
Docenten die duurzame ontwikkeling belangrijk vinden zijn daardoor vaak aangewezen op zichzelf. Ze zoeken elkaar wel steeds vaker op om van elkaar te leren, blijkt uit het onderzoek. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij netwerkorganisaties als Teachers for Climate.
Vrijheid van onderwijs als vloek en zegen
Die netwerken raken aan een tweede drempel voor verduurzaming. Om kennis en vaardigheden over te kunnen dragen, moeten docenten ze zelf wel hebben.
Docenten kunnen zich bijscholen. Daarvoor is bijvoorbeeld de Masterclass duurzaam onderwijs opgericht. En de Wageningen Pre-University organiseert docentendagen in het kader van onder meer buitenonderwijs en de eiwittransitie. Voor zulke bijscholing is tijd en geld beschikbaar, zegt Giuseppe van der Helm, directeur van Leren voor Morgen. ‘Maar dat geld wordt bijna nooit uitgegeven.’
Scholen zeggen vaak dat er geen tijd voor is, legt Van der Helm uit. ‘Ze vergeten dat ze die tijd zelf kunnen maken. Ik ken scholen die een aantal weken lang hun lessen verkort hebben, zodat docenten de overgebleven tijd konden besteden aan bijleren of het ontwikkelen van eigen lesmethoden.’
De vrijheid van onderwijs is hierin zowel een vloek als een zegen. Enerzijds mag het Ministerie van Onderwijs niet te veel opleggen, waardoor scholen en docenten vaak aangewezen zijn op zichzelf. Tegelijkertijd is er daardoor veel ruimte om te experimenteren met nieuwe lesmethoden, zegt Van der Helm. ‘Dat maakt het leuk voor leerling én docent. Een docent die veertig jaar lang bestaande methoden gebruikt heeft misschien een makelijk leven, maar geen léuk leven.’
Duurzaamheid? Nee, toekomstgeletterdheid
Hoe moeten die nieuwe methoden eruit zien? Volgens Van der Helm moeten scholen duurzaamheid breder gaan zien dan ze nu doen. Het klimaat wordt nu gezien als een apart thema, naast bijvoorbeeld emancipatie, kolonialisme en circulariteit, zegt hij. ‘Maar duurzaamheid omvat ál die dingen. Het gaat in feite om toekomstgeletterdheid. Duurzaamheid is daarmee geen thema, maar de kern van het onderwijs: kinderen en jongeren voorbereiden op de toekomst.’
Een oplossing is om de focus te verschuiven van kennis naar vaardigheden, zegt Van der Helm. Ja, jongeren moeten weten dat de aarde opwarmt en waar dat door komt. Maar ze moeten vooral weten hoe ze daarmee om moeten gaan en hoe het met andere dingen samenhangt, zoals geopolitiek en vluchtelingenstromen. Van der Helm: ‘Systeemdenken en leren bijdragen aan oplossingen is cruciaal. Dat geeft jongeren ook grip op hun zorgen om klimaat en geopolitiek, die nog boven op de prestatiedruk op scholen komen.’
En de leerling zelf?
De vraag rest: zitten jongeren daar wel op te wachten? Studies naar klimaatstress bij jongeren zijn verre van eenduidig, erkent Jacobs. En recent bleek dat duurzame opleidingen in het hoger onderwijs kampen met flink teruglopende studentenaantallen.
‘Waar leerlingen vroeger een belangrijke drijvende kracht waren achter de aandacht voor duurzaamheid, lijkt dit tegenwoordig minder het geval te zijn’, schrijft Leren voor Morgen in haar rapport. En over de aandacht voor handelingsperspectief: ‘Of deze vraagstukken en didactische aanpak aansluiten bij de belevingswereld van leerlingen is onbekend.’
Maar misschien doet het er ook niet zo veel toe of leerlingen wel of niet meer duurzaamheid willen, zegt Jacobs. Net als in de rest van de wereld ziet zij onder leerlingen twee soorten stemmen die heel erg voor of tegen duurzaamheid zijn. ‘Maar er is ook een heel grote, stille groep die zoekend is. Die zich zorgen maakt, maar zich niet durft uit te spreken. Het is een heel belangrijke taak van het onderwijs om ook die jongeren te helpen hun eigen mening te vormen en hen te leren hoe je een gesprek voert over gepolariseerde onderwerpen. Dat is waar duurzaam onderwijs over gaat.’



