Het kabinet-Jetten zet in op nieuwe wetgeving om Nederland van het stikstofslot te halen en de agrarische sector te verduurzamen. Voor de landbouw heeft dat ingrijpende gevolgen. Of Nederland erin slaagt om de komende tien jaar de omslag te maken naar toekomstbestendige landbouw hangt volgens de Sociaal-Economische Raad (SER) vooral af van gericht beleid dat samenwerking tussen boeren, ketenpartijen en maatschappelijke organisaties stimuleert.
In een nieuw rapport doet de SER een aantal aanbevelingen, gesteund door onder meer landbouwkoepel LTO Nederland, non-profitorganisatie Natuur en Milieu en het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontact (NAJK).
In het rapport worden diverse risico’s benoemd die de transitie naar een duurzamere agrarische sector bemoeilijken. De rode draad is de manier waarop landelijke doelen voor klimaat, ammoniakuitstoot, natuurherstel, waterkwaliteit en biodiversiteit op regionaal en bedrijfsniveau worden uitgewerkt.
Nationale doelen voor klimaat, stikstof, natuurherstel, water en biodiversiteit

Credits: SER
Het grootse risico is dat voor agrariërs vaag blijft wat landelijke doelen precies betekenen voor hun regio en bedrijf. Zonder duidelijk langetermijnperspectief voor de sector blijft het vertrouwen in de overheidsplannen laag.
Sluiten veehouderijen zonder helder plan voor grondbeleid
Een voorbeeld uit het SER-rapport dat het gebrek aan coördinatie illustreert, is het afschalen van veehouderij zonder dat dat goed is ingebed in een regionale visie op grondbeleid.
Zo focust de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) op uitkoop van veehouders om zo de stikstofuitstoot te verlagen. Dat leidt regelmatig tot omzetting van grasland naar akker- en tuinbouw, bomen en bollenteelt, zonder dat de nieuwe grondbestemming is ingebed in ruimtelijk en milieubeleid.
Ondertussen kan veranderend grondgebruik wel weer gevolgen hebben voor waterkwaliteit, waterbeschikbaarheid en bodemkwaliteit. ‘Omschakeling moet daarom in balans zijn met de opgaven in het gebied’, schrijft de SER.
Agrariërs en lokale bestuurders vinden dat de overheid te weinig gericht is op integrale sturing van milieudoelen in combinatie met economisch perspectief voor boeren. In hoofdlijnen zijn daarvoor volgens het SER-rapport drie dingen nodig.
Betere regionale regie
Boeren en ketenpartners hebben op regionaal niveau te maken met een waaier van regelingen en uitvoeringsorganisaties. Dat creëert al snel verwarring, waardoor veel regelingen worden onderbenut. Ook ontstaan er bij regelingen voor ondernemers verschillen in de uitvoering per regio, wat onderling vertrouwen tussen de betrokken partijen niet ten goede komt.
Een gebiedsgerichte regie met duidelijke doelen en randvoorwaarden per gebied is daarom van groot belang, aldus de SER. Daarbij moet het Rijk aangeven wat wel en niet meer kan per gebied. Vervolgens moet samen met het bedrijfsleven beleid worden ontwikkeld rond innoveren, extensiveren, stoppen en verplaatsen.
Bedrijfsspecifieke doelen voor boeren
Een niveau lager hebben agrariërs dringend behoefte aan duidelijke doelen op bedrijfsniveau. Ondernemers zouden hierbij volgens het SER-rapport vrijheid moeten hebben om zelf te bepalen hoe ze doelen willen bereiken. Dat vraagt wel om strakke afspraken over het meten van vooruitgang.
Het SER-rapport erkent dat het uitwerken van nationaal en regionaal beleid op bedrijfsniveau technisch en juridisch ingewikkeld kan zijn. ‘Een zorgvuldige governance, met heldere verantwoordelijkheden, tijdige rechtszekerheid en faciliterend beleid (kennis, scholing, investeringsruimte), is daarom cruciaal om te voorkomen dat ondernemers wel de verantwoordelijkheid maar niet de randvoorwaarden krijgen om aan hun doelen te voldoen.’
Er zou daarom een publiek-private organisatie moeten komen die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling, uitvoering en meting van bedrijfsspecifieke normen met duidelijke prestatie-indicatoren, adviseert de SER.
Nieuwe duurzame verdienmodellen met oog voor kleine boeren
De derde opgave draait om het creëren van verdienmodellen die verduurzaming belonen, zowel voor boeren als voor afnemers van agrarische producten. Het gaat dan om inspanningen voor verduurzaming in brede zin: van technologische innovatie, agrarisch natuurbeheer en het vormgeven van kortere ketens tot biologische keuzes.
Belangrijk in dit verband is het haalbaar maken van kleinschalige verdienmodellen. In het huidige systeem is het voor grotere agrarische bedrijven makkelijker om bankfinanciering te krijgen dan voor kleine. Dat werkt ten nadele van jonge, nieuwe agrariërs en boeren die willen omschakelen naar een kleinschalige, duurzame bedrijfvoering.
Het SER-rapport beveelt aan om op ketenniveau meer samen te werken om eerlijke prijzen te bedingen voor duurzame producten met langjarige contracten. Verder zijn maatregelen nodig op de grondmarkt ter ondersteuning van nieuwe en omschakelende boeren. Dat vergt ook gericht fiscaal beleid voor verschillende soorten verdienmodellen die duurzaamheid belonen.
Lees ook:
- Boeren zetten stappen richting duurzame veehouderij: ‘Dieren blijven onderdeel van ons voedselsysteem’
- Prinsjesdag 2026: dit zijn de opvallendste maatregelen van het kabinet-Jetten op het gebied van klimaat en duurzaamheid
- Bacteriën, schimmels en gisten kunnen de grote problemen in de landbouw oplossen (én voor nieuwe verdienmodellen zorgen)




