Teun Schröder
14 juni 2024, 13:00

Opmerkelijk: ’s Werelds grootste vliegtuig moet impuls geven aan onbenut potentieel onshore wind

Soms stuit je als redactie op nieuws waarbij een wenkbrauw omhoog schiet. Die ene vreemde innovatie, een onverwacht effect van klimaatverandering of een staaltje menselijke onhandigheid. Opmerkelijk dus. Deze week: een bedrijf dat ’s werelds grootste vliegtuig bouwt voor het transport van gigantische windturbines.

Schermafbeelding 2024 06 13 105709 Via een openslaande neus moeten turbineonderdelen ingeladen worden. | Credits: Radia

In Nederland is de ruimte voor onshore windparken beperkt, laat staan voor windmolens die honderden meters de hoogte in reiken. Maar in uitgestrekte landen als de Verenigde Staten en Australië is de situatie heel anders.

Het vervoeren van windturbineonderdelen naar de juiste plekken over de weg is alleen een helse klus. En met de hedendaagse groeispurt van turbines wordt die uitdaging in de toekomst niet makkelijker. Bruggen, tunnels, leidingen of wegdek dat simpelweg het gewicht van turbineonderdelen niet aankan vormen serieuze obstakels. Niet voor niets zijn de windmolens op zee al gauw twee keer zo groot als hun evenknieën op land.

Vervoer over de weg van windmolens kan een hele uitdaging zijn. | Credit: Radia

Grootste vliegtuig ooit

Maar het Amerikaanse Radia verwacht dat dat in de toekomst gaat veranderen. Het bedrijf wil het grootste vrachtvliegtuig ter wereld bouwen, zodat op plekken die het wegennetwerk niet kan bereiken grote onshore windparken alsnog kunnen floreren.

Het vliegtuig van Radia moet Windrunner gaan heten en heeft een inhoud van 8.200 kubieke meter. Ter vergelijking: het tot nu toe grootste vliegtuig was de Russische Antonov An-225 met een inhoud van 1.160 kubieke meter. De nadruk ligt hier op ‘was’, aangezien het enige exemplaar in een hangar in Kiev onherstelbaar werd beschadigd door een Russisch bombardement in 2022.

Gigantische windturbines

De Windrunner kan volgeladen worden via een neus die omhoog klapt. Het vliegtuig moet een turbineblad kunnen vervoeren van 105 meter lang, of gelijktijdig drie turbinebladen van 85 meter. Volgens Radia hebben de meeste wegen vandaag de dag al moeite met bladen tot 70 meter. Het bedrijf berekende bovendien dat de gemiddelde afstand die een turbineblad aflegt, van fabriek naar windpark, in Europa 850 kilometer is. In de VS is dat 950 kilometer. Je kunt je voorstellen dat zo’n weg behoorlijk wat obstakels kent.

Het vliegtuig kan op een provisorisch gebouwde landingsbaan op de gewenste plek landen. | Credit: Radia

Milieu-impact

Hoewel luchttransport als een dure operatie klinkt, meent Radia dat de kosten min of meer gelijk zijn wanneer alle facetten van wegtransport worden meegenomen; van het verplaatsen van kabels en bruggen tot het inhuren van begeleidend transport. Verder heeft vliegen natuurlijk een stuk hogere milieu-impact dan vervoer over de weg. Over hoe deze vervuiling zich precies verhoudt tot de milieuwinst van nieuwe windturbines laat het bedrijf zich niet uit.

Groene waterstof

Radia ziet vooral potentie in grote onshore windparken aan de oost- en westkust van de VS. Hier waait het minder hard dan in het binnenland, maar wonen wel de meeste mensen. Met lagere windsnelheden zijn bovendien grote turbines nodig die meer wind vangen, zodat windparken rendabel worden. Ook ziet het bedrijf kansen voor windenergie in Noord-Afrika waar windparken in combinatie met elektrolysers kunnen zorgen voor groene waterstof. Op het ontbreken van landingsbanen op afgelegen plekken heeft Radia ook een antwoord. De Windrunner kan landen op een relatief korte en ruwe landingsbaan van 1.800 meter die niet eens volledig geasfalteerd hoeft te zijn.

Aan het roer van het sinds 2016 bestaande bedrijf staat MIT-luchtvaartingenieur Mark Lundstrom. Hij wist inmiddels al 100 miljoen dollar op te halen uit verschillende hoeken, zoals energiebedrijf LS Power en olie- en gasreus ConocoPhilips. Lundstrom wil nog dit decennium meerdere Windrunners de lucht in hebben.

Lees ook:

Hogere importtarieven voor Chinese EV’s slecht voor transitie: ‘Ze gaan vertragend werken’

Op basis van een eigen onderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat Chinese producenten van elektrische auto’s profiteren van ‘oneerlijke subsidiëring’ vanuit hun overheid. Daardoor zouden de bouwers hun EV’s voor bodemprijzen kunnen verkopen in Europa. Het resultaat, zo meent de Commissie: ‘dreigende economische schade voor EV-producenten in de EU’. Om hun concurrentiepositie te verbeteren, gaat de EU hogere importtarieven rekenen voor Chinese batterij-elektrische auto’s. Nu ligt het tarief nog op 10 procent, maar dit zal stijgen naar een hoogte van tussen de 17,4 en 38,1 procent. Welk tarief uiteindelijk gehanteerd wordt, is afhankelijk van de fabrikant. Wel volgt eerst nog een dialoog tussen China en de Unie om te kijken of ze samen tot meer ‘WHO-conforme’ afspraken kunnen komen. Lukt dat niet, dan gaan de hogere heffingen al over drie weken in. Niet veel goedkoper Als het inderdaad zo is dat Chinese fabrikanten staatssteun krijgen om EV’s tegen bodemprijzen Europa binnen te krijgen, dan vindt Maarten Steinbuch het gerechtvaardigd om maatregelen te treffen. Steinbuch is hoogleraar automotive bij de TU Eindhoven en bekleedt daar de leerstoel Systems & Control. “Maar ik heb wel de indruk dat Chinese auto’s eigenlijk niet veel goedkoper zijn dan Europese. Als je een goede Chinese auto koopt met een goed bereik, dan ben je meer dan 40.000 euro kwijt. Dat is vergelijkbaar met de Volkswagen e-Golf, de ID3 en een Tesla. Dat Chinese auto’s voor dumpprijzen worden verkocht, zie ik dus niet zo. Het prijsverschil is niet significant groot.” Traagheid van de transitie Steinbuch is voorstander van het beschermen van de Europese industrie, maar niet als dat ten koste gaat van de transitie naar elektrisch vervoer. En dat dreigt volgens hem met de maatregelen wel te gebeuren. “Ik denk dat hogere importtarieven de traditionele autobouwers beschermen, inclusief hun traagheid om de conversie te maken naar elektrische voertuigen”, zegt Steinbuch. “Dat laatste is het echte zorgpunt. Het gaat vertragend werken voor de transitie. Dat vind ik een belangrijk nadeel aan het besluit.” Het is namelijk plausibel dat autobouwers de hogere importtarieven zullen doorberekenen in de prijs van hun auto’s. En hoewel het aandeel Chinese auto’s in Europa momenteel nog relatief klein is (zo’n 8 procent), zijn er ook Europese fabrikanten die hun auto’s in China produceren. Als er geen uitzonderingen worden ingesteld, dreigen ook zij geraakt te worden door de maatregelen van de Europese Commissie. Marktaandeel De Duitse fabrikanten BMW, Daimler-Mercedes en Volkswagen lieten zich al kritisch uit over de zet van de Europese Commissie. Samen met de Chinese autobouwers hebben ze in Europa een marktaandeel van zo’n 20 procent. Als ze gezamenlijk de prijzen van hun EV’s verhogen, is dat uiteindelijk nadelig voor consumenten. Steinbuch: “En uiteindelijk ook voor de transitie. Dat zou jammer zijn.” Bovendien werkt concurrentie op de EV-markt juist als stimulans voor fabrikanten om sneller hun vloot te elektrificeren. Kijk maar naar de komst van Tesla, zegt Steinbuch. “Tesla heeft enorm veel teweeggebracht, juist omdat die auto’s zo snel op de markt kwamen. Toen moesten de traditionele bouwers wel aan de slag met EV’s. Als we Tesla niet hadden gehad, zaten die nog te rommelen met oude dieselmotoren. Dus hoe minder concurrentie vanuit de elektrische kant, hoe langer de transitie duurt.” Oplossingen Vanuit duurzaamheidsoogpunt zijn de hogere tarieven volgens Steinbuch dus ongewenst. Wat zou dan wél kunnen werken om de eigen industrie te beschermen, maar de transitie naar schoner vervoer niet in de weg te zitten? “Als de EU het geld wat ze verdient met de hogere importtarieven zou doorsluizen naar extra subsidies van Europese merken, waardoor de totale prijs hetzelfde blijft of zelfs zakt, dan zou ik er voorstander van zijn. Dan geloof ik de goede bedoelingen.” Een ander idee is om een systeem op te tuigen vergelijkbaar met dat van de Verenigde Staten. Daar krijgen autobouwers die in hun eigen land produceren subsidie van de overheid. Het leidt er volgens Steinbuch toe dat veel fabrikanten zich in de VS vestigen. “Zoiets zouden we ook in Europa kunnen doen. Of we tuigen een subsidie op voor consumenten die een elektrische auto van een Europees merk kopen. Dat zou me een goed idee lijken.” Volwassen markt Niet alleen op het gebied van mobiliteit worstelt Europa als continent met haar concurrentiepositie. Ook wat betreft zonne-energie groeien de zorgen. Voor de productie van zonnepanelen zijn we sterk afhankelijk van China. Veruit het grootste gedeelte van de wereldwijde capaciteit wordt daar geproduceerd, en Europa is hoofdafnemer met een exportaandeel van ruim 50 procent. In het vorige decennium golden er voor zonnepanelen ook hogere importtarieven, maar die zijn inmiddels al lang niet meer van kracht. Waarom voor panelen dan niet en voor elektrische auto’s wel? “De markt van zonnepanelen is al volwassen”, meent Steinbuch. “En we hebben in Europa simpelweg niet de capaciteit om grootschalig zonnepanelen te maken voor een concurrerende prijs.” Bij elektrische auto’s is dat een ander verhaal, is de gedachte, omdat we in Europa wel eigen EV-bouwers hebben die de elektrificering van het wagenpark aankunnen. Maar of dat ook daadwerkelijk het geval is, moet nog blijken. Lees ook: Elektrische bedrijfsauto al vanaf 2025 goedkoper voor werkgeversPeter Bijvelds (CEO Ebusco) over de opmars van de elektrische bus: 'Nu zijn we niet alleen de schone, maar ook de financieel verstandige keuze'Zakelijke rijder wil best auto delen met collega’s: ‘Dit is echt hoopgevend’