Redactie DuurzaamBedrijfsleven.nl 24 oktober 2013, 11:32

Schaliegas biedt VS geen concurrentievoordeel

Ondanks de lage energieprijzen in de VS zijn de productiekosten niet afgenomen. Dit concluderen onderzoekers van de Duitse investeringsbank KfW.

Untitled 11

Deze conclusie trekken zij na het vergelijken van de productieprijzen in Duitsland en de Verenigde Staten. In beide landen blijken de productieprijzen sinds 2010 met 10 procent te zijn gestegen. Schaliegas leidt volgens hen daarom niet tot concurrentievoordeel voor de VS.

Schaliegas zorgt niet voor dalende productiekosten, omdat energie slechts voor 2 procent van de totale productiekosten zorgt. Vooral grondstoffen bepalen de productieprijs, 59 procent in Duitsland en 65 procent in de VS.

Verschillen in de energieprijs hebben daarom een minimale impact op de kosten om producten te maken en op de prijs die de fabrikant hiervoor doorberekent aan zijn afnemers.

 

Geen prikkels voor efficiëntie

 

Naast de beperkte invloed van schaliegas op de productiekosten beperkt de rijkelijke hoeveelheid van het aanwezige schaliegas ook de stimulans om energie-efficiënter te werken stellen de onderzoekers.

Dit komt naar voren in een vergelijking van de energie-intensiteit van Duitsland, de VS en de overige landen binnen de OESO – de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Het blijkt dat de VS de afgelopen jaren als enige geen afname zag in de hoeveelheid energie die voor de fabricage van een product nodig is.

Duitsland heeft zelf vrijwel geen fossiele brandstoffen en moet daardoor veel importeren. Energie-efficiënt werken is daarom financieel voordeliger. Het vermoeden van de onderzoekers is daarom ook dat Duitsland energie-efficiënter is omdat de stimulans groter is.

 

Te dure handel

 

Beurscommentator Hans de Geus is ook sceptisch over schaliegas. Naar aanleiding van het KfW-rapport stelt hij op de website van RTL Z: “Vrij vertaald kun je stellen dat de VS met overvloedig goedkoop gas een interessante variant van de beruchte ‘Dutch Disease’ hebben opgelopen: doordat een prikkel om energie te besparen ontbreekt, is de ‘energie-efficiëntie’ van hun industrie verslechterd ten opzichte van Duitsland.”

De Geus vermoedt daarom ook dat Duitsland zijn gebrek aan eigen fossiele energie succesvol heeft vertaald naar energie-efficiëntie, “een kracht die op lange termijn wel eens veel waardevoller kan blijken te zijn.”

Volgens De Geus moet Nederland daarom niet naar schaliegas gaan boren. Niet alleen vanwege de beperkte impact, maar ook omdat Nederlands schaliegas naar alle waarschijnlijkheid “ongeveer het dubbele van de huidige prijs van Slochteren, en het viervoudige van de prijs in de VS zal zijn. De kans is dus groot dat Nederland schaliegas aan de straatstenen niet kwijt zal kunnen.”

 

Wel concurrentievoordeel

 

Volgens de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) houdt het onderzoek echter geen rekening met de optie om schaliegas om te zetten in grondstoffen. Er wordt in de VS druk gewerkt om schaliegas om te zetten in propaan, butaan en ethaan, de bouwstenen van plastic.

Hierdoor zou de chemie de kostbare en energie-intensieve stap om olie via krakers om te zetten in deze bouwstenen over kunnen slaan. Omdat grondstoffen de grootste kostenpost van het productieproces vormen zou schaliegas, volgens het VNCI, wél voor een fundamenteel concurrentieverschil kunnen zorgen.

Daarnaast stelt het VNCI dat de feiten in het onderzoek tot andere conclusies leiden dan de KfW-onderzoekers trekken. Het aantal aangekondigde nieuwe investeringen van de energie-intensieve chemie is namelijk in de VS veel groter dan in Europa. De schaliegasrevolutie is hier mede voor verantwoordelijk.

 

Opmerkelijk

 

Ook VEMW-directeur Hans Grünfeld betwijfelt of schaliegas ten koste gaat van energie-efficiëntie. “Bij nieuwe investeringen wordt immers de nieuwste technologie gebruikt, en bij de ontwikkeling van nieuwe technologie speelt energie-efficiëntie altijd een grote rol.”

Grünfeld gelooft ook niet dat schaliegasontwikkelingen nauwelijks tot geen effect hebben op de productiekosten. “Naast de directe effecten op de gas gerelateerde kosten, werkt het kostenverschil ook door in de stroomkosten. Het is niet voor niets dat de stroomprijzen in Europa het hoogst zijn in landen met een aanzienlijk deel gasgestookte elektriciteitsproductie, zoals het Verenigd Koninkrijk en Nederland.”

Grünfeld zegt ook een aantal punten in het rapport te missen. “Veel industriële bedrijven functioneren clustergewijs. Dat betekent dat het ene bedrijf toeleverancier is van het andere bedrijf, en daarmee voor zijn voortbestaan ook afhankelijk is van de continuïteit van het gelieerde bedrijf. Wanneer het meest energie-intensieve bedrijf uit deze keten naar de VS vertrekt heeft dit niet alleen gevolgen voor het bedrijf zelf, maar ook voor de andere bedrijven in de keten, ook al zijn deze soms minder of niet energie-intensief. Gezien de opmerkelijke conclusie die de onderzoekers van KfW trekken, betwijfel ik dat al deze aspecten in het onderzoek betrokken zijn.”

Bron: Petrochem

Foto: SkyTruth via Flickr

Een duurzaam bedrijf is als een vrouw die vreemdgaat

Wat is het resultaat van een decennium maatschappelijk verantwoord ondernemen? Heel weinig, zegt Ramon Arratia ontnuchterend in zijn inzichtelijke boekje Full Product Transparency, Cutting the Fluff Out of Sustainability. “Bedrijven hebben zich veel te veel geconcentreerd op goed willen lijken, en bij lange na niet genoeg aandacht gegeven aan daadwerkelijk goed presteren.” Arratia concludeert dat de missverkiezing voor het meest duurzame bedrijf gekarakteriseerd wordt door een teleurstellend laag niveau van resultaat.Arratia is zelf duurzaamheidsdirecteur bij Interface, de Amerikaanse tapijtfabrikant met Nederlandse wortels die zichzelf ten doel heeft gesteld in 2020 geen negatieve impact meer te hebben op het milieu. Dat bedrijf maakt grote stappen: zo heeft het bedrijf sinds de start van Mission Zero – zijn duurzaamheidsprogramma – de hoeveelheid afval per productie-eenheid met 84 procent verminderd. Dat alleen al heeft geleid tot een totaal van $450 mln aan vermeden afvalkosten sinds 1994. Afvalbesparing heeft voldoende middelen opgeleverd om de hele Mission Zero te financieren. Het is vrij triest dat 81 procent van globale CEO’s denkt dat duurzaamheid volledig is ingebed in de strategie en operatie van hun bedrijf Arratia blaast hoog van de toren, maar heeft daar dus reden toe. “Een enquête van Accenture in 2010 (…) vond dat 81 procent van globale CEO’s dacht dat duurzaamheid volledig was ingebed in de strategie en operatie van hun bedrijf,” schrijft hij. “Dat is geen grap. En het is vrij triest.” Wat hij bedoelt te zeggen: een mooi vormgegeven duurzaamheidsverslag van tienduizenden euro’s met selectief gekozen voorbeelden van ‘duurzame’ initiatieven is iets anders dan ‘volledig ingebed’. “Er is geen bedrijf in de wereld die dat heeft bereikt.” Weg met duurzaamheidsverslagen De belangrijkste reden die Arratia ziet voor het gebrek aan resultaat is het gebrek aan transparantie als het aankomt op duurzaamheid. Het is nog steeds niet echt inzichtelijk wanneer een product of dienst ‘duurzaam’ is. Mvo-verslagen geven daar geen antwoord op: ze concentreren zich doorgaans alleen op de activiteiten van het bedrijf zelf en vergeten alle milieu-impact die in de rest van de waardeketen zit. Maar voor een bedrijf als Unilever ligt 95 procent van de impact buiten de eigen operaties. Door processen als outsourcing wordt dat aandeel bovendien steeds groter. Arratia: “Met de komst van outsourcing over de afgelopen 20 jaar, bestaan er nu veel merken die in essentie een marketingafdeling zijn met wat financiële, HR en juridische mensen, en een product design team.”Dat maakt het makkelijk om te zeggen dat je iets doet aan je CO2-voetafdruk zonder echt aan de kern te raken. In plaats daarvan gaat het om dubbelzijdig printen en certificaten voor groene stroom kopen. Unilever neemt overigens wél die verantwoordelijkheid over de hele keten. Keurmerken en labels werken niet. Ze zijn te makkelijk te behalen en imiteren elkaar, waardoor verwarde bedrijven hun producten drie keer laten certificeren op dezelfde factoren. Er is nóg een reden waarom mvo-verslagen niet werken: mensen kopen producten, geen bedrijven. Om een afgewogen keuze te kunnen maken tussen twee producten moet je van beide hun milieu-impact weten. Dat vind je niet in een duurzaamheidsrapport van 150 pagina’s over een heel bedrijf.Keurmerken en labels zijn er (deels) voor bedoeld om dat gat op te vullen, maar ze werken niet. Ze zijn te makkelijk te behalen, te nauw in scope, missen onafhankelijke certificering en imiteren elkaar, waardoor verwarde bedrijven hun producten drie keer laten certificeren op dezelfde factoren. Full Product Transparency Kijk dus naar de producten en diensten die je klanten afnemen – en wees volledig transparant over die milieu-impact. Maar hoe doe je dat? Het antwoord zit in yoghurt. “Er is geen keurmerk dat stelt of yoghurt of een hamburger goed voor je is,” schrijft Arratia. “Je kijkt naar de calorieën en de voedingswaarde en je maakt een keuze. Dat is waar dit boek voor pleit: de milieu-impact van producten – full product transparency.”Voor een bedrijf komt ‘FPT’ grofweg overeen met het opstellen van een lijst van ingrediënten per product (de grondstoffen en materialen) met hun ‘voedingswaarde’ (hun milieu-impact). Zo’n ingrediëntenlijst heet in duurzaamheidsland een environmental product declaration (EPD). Dat gaat niet alleen om CO2, maar ook om bijvoorbeeld verzuring en eutrofiëring. Unilever heeft dergelijke analyses uit laten voeren voor duizenden producten.Een belangrijk voordeel van een EPD is niet alleen dat het transparantie creëert, maar ook dat het kan fungeren als grondstoffenpaspoort. Dat helpt om grondstoffenstromen te matchen.  Zo gebruikt Interface polyamide-6 in zijn tapijttegels en put die voor een deel uit gerecyclede vissersnetten. Als inzichtelijk wordt  in welke andere producten ook polyamide-6 is verwerkt, dan kunnen deze van dezelfde duurzame bronnen gebruik maken. Op deze manier kan de circulaire economie zich verder ontwikkelen. Garen spinnen In zijn boekje geeft Arratia concrete toepassingen van full product transparency, niet in de laatste plaats bij Interface zelf. “Interface ontdekte dat ongeveer 70 procent van de gehele milieu-impact van zijn tapijttegels ontstond bij de ruwe materialen die nodig waren om ze te maken. Hiervan hadden onze nylongaren, een op aardolie gebaseerd product, de allergrootste milieu-impact. Nylon zorgt zelfs voor bijna de helft van de impact over de gehele keten van een tapijtfabrikant.”[caption id="attachment_58495" align="alignright" width="350"] Full Product Transparancy: Door het invoeren van een CO2-label kunnen beleidsmakers beter sturen en consumenten een betere keuze maken (klik op de afbeelding voor een grotere versie)[/caption]Hoewel Interface had kunnen zeggen dat deze milieu-impact was ontstaan buiten zijn eigen bedrijfspoort, besloot het bedrijf er iets aan te doen. Omdat FPT over producten gaat begon dat dan ook bij het productontwerp. Aan de tekentafel bepaal je welke materialen je gebruikt. Aan de tekentafel kies je ervoor om je product bij het gebruik minder stroom te laten verbruiken. Aan de tekentafel kan je ook rekening houden met de end-of-life: dat wil zeggen, een product zo ontwerpen dat het makkelijk uit elkaar te halen is voor recycling en hergebruik. Bij nylon probeerde Interface minder garen te gebruiken, garen te recyclen, en is op zoek gegaan naar biologische alternatieven. Het resultaat? De milieu-impact van nylongaren is gehalveerd.Een ander, overtuigend voorbeeld van full product transparency heeft betrekking op de CO2-uitstoot van het Europese wagenpark. Personenwagens zorgen voor 12 procent van alle Europese CO2-uitstoot. Van die impact zit  77 procent in het gebruik. De EU probeert daarom al sinds eind jaren 90 deze uitstoot terug te dringen. Dat lukte in eerste instantie slechts mondjesmaat met Europese convenanten, maar kwam na 2009 in een stroomversnelling. Transparantie was het missende ingrediënt. Die transparantie werd geïntroduceerd door de Europese norm ‘CO2-uitstoot per kilometer’. Opeens moesten fabrikanten openheid geven over de milieu-impact van hun auto’s. Arratia noemt deze norm als schoolvoorbeeld; zie ook de illustratie.Het Europese beleid is nog zeker niet perfect. De CO2-uitstoot per kilometer meet alleen de milieu-impact in het gebruik, nog niet de impact van het gehele productieproces. Daarnaast is er veel gesjoemel met de tests die zogenaamd bepalen wat de uitstoot per kilometer is en komt er veel tegendruk uit de autolobby. Maar door de invoering van de CO2-standaard hadden beleidsmakers voor het eerst een wapen in handen. Voordelen En dat is een belangrijk voordeel van verhoogde transparantie. Overheden kunnen veel scherper beleid maken op hun doelstellingen. In Nederland laten we de vervuiler nu betalen via de bijtelling. In Londen betalen schone auto’s (minder dan 100 gram CO2 per kilometer) niet de zogeheten ‘congestion charge’. Op Europees niveau kan Brussel nu langetermijnbeleid maken over de samenstelling van het Europese wagenpark in 2020 en verder. Zonder transparantie op productniveau was dat niet mogelijk geweest. En het werkt: In 2008 is de gemiddelde uitstoot van alle auto’s in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk 158,0 gram per kilometer. In 2009 - een jaar na de invoering van het CO2-label - is dat nog 149,5 gram per kilometer.Een belangrijk voordeel voor de eindgebruiker is dat deze nu volledig transparante informatie heeft om te kiezen wat ze willen. “Stem met je aankoopbeslissing,” predikt Arratia. Full product transparancy fungeert als een vliegwiel: de Europese CO2-norm heeft duurzame innovatie in de auto-industrie aangewakkerd En full product transparancy fungeert als een vliegwiel in de industrie. Zo heeft de Europese CO2-norm de duurzame innovatie in de auto-industrie aangewakkerd. Arratia: “Full product transparancy heeft de kracht om iedereen hetzelfde verhaal te laten vertellen. Het stelt je in staat om je productontwerpers hetzelfde te laten vertellen als de verkoopafdeling; wat je tegen je leveranciers vertelt is hetzelfde als wat je tegen je klanten zegt, en wat je rapporteert aan aandeelhouders is hetzelfde als je marketingclaims. Iedereen zingt uit hetzelfde liederenboekje.” Huwelijksaccountant Natuurlijk zitten er haken en ogen aan full product transparency, maar de barrières moeten niet groter worden gemaakt dan ze zijn, vindt Arratia. Is het onmogelijk voor een bedrijf om voor elk product die ingrediëntenlijst EPD te maken? “Dat is alsof je zegt dat Unilever het onmogelijk en duur zou vinden om de voedingswaarde van al zijn producten aan te leveren. En toch lukt het ze."FPT is betrouwbaarder dan een mvo-rapport waarin niet de juiste vragen worden gesteld en die slechts op hoofdlijnen worden gecontroleerd door een accountant. “Stel je dit voorbeeld voor. Je verdenkt je vrouw er van dat ze vreemd gaat. Ze komt terug met een certificaat van haar advocaat, waarin hij verklaart dat ‘hij geen reden heeft om aan te nemen dat je vrouw vreemd gaat’. Aan de andere kant verstrekt je vrouw je een volledige specificatie van haar telefoonrekening. Wie vertrouw je meer? Het certificaat of transparantie?”Foto: Kennisland via Flickr.com