Emma Rotman 12 december 2019, 07:00

Bodemgezondheid: ‘Alles is te koop, maar de bodem kun je niet vernieuwen’

De akkerbouw staat voor een behoorlijke uitdaging; voldoende en goed voedsel produceren met minder grond- en hulpstoffen. De gewasproductie moet liefst omhoog en de milieu-impact verder omlaag om een groeiende wereldbevolking te kunnen voeden. Hoe kunnen telers hun opbrengsten op peil houden en hun bedrijf economisch gezond houden, zonder de bodem daarbij uit te putten?

Bodemgezondheid aardappelveld protix

Dirk Peters, agronoom bij aardappelverwerker Lamb Weston / Meijer, ziet de vraag naar frites en andere aardappelproducten wereldwijd toenemen met 3 tot 4 procent per jaar. Maar liefst 85 procent van alle frites die over de hele wereld gegeten wordt, komt uit Noordwest-Europa of Noord-Amerika. Deze regio’s vormen de zogenaamde ‘potato belt’; het klimaat is hier zeer gunstig voor de teelt van aardappelen. “De vraag naar aardappelen in Europa neemt dus toe. En hoe meer aardappelen je teelt, des te groter de kans op bodemziekten en uitputting van de grond.”

Om uitputting te voorkomen roteren telers hun gewassen en telen ze maximaal eens per vier jaar aardappelen op hetzelfde perceel. Uitputting zorgt namelijk voor lagere opbrengsten. Om in de toekomst leveringszekerheid te garanderen is het voor Lamb Weston / Meijer en haar telers belangrijk om de bodem gezond te houden. “Als we nu geen actie ondernemen, dan moeten we in de toekomst onze aardappelen ergens anders telen”, voorspelt Peters.

Foto onder: Lamb Weston / Meijer werkt met verschillende telers in Nederland samen in een duurzame teeltprogramma. Onderdeel daarvan zijn veldbezoeken, waarbij telers van elkaar kunnen leren.

Bodemgezondheid is de basis

De fritesproducent stelt zichzelf ten doel om een rendabele aardappelteelt te realiseren. Daarbij halen de telers over 20 jaar minimaal dezelfde opbrengst per hectare als nu, maar met minder hulpstoffen. Via het duurzame teeltplan stuurt het bedrijf op vijf thema’s om dit te bewerkstelligen: verbetering van de bodemgezondheid, stimulering van de biodiversiteit, minder watergebruik, minder gewasbeschermingsmiddelen en een lagere uitstoot van broeikasgassen.

Bodemgezondheid vormt de basis voor een duurzame teelt. Peters noemt enkele voorbeelden: “Een gezonde bodem met voldoende organische stof is beter in staat om vocht, meststoffen en nutriënten vast te houden. Daardoor hoef je minder te beregenen, heb je minder meststoffen nodig en stoot je tevens minder broeikasgassen uit. Bovendien zorgt een gezonde bodem voor weerbare planten, waardoor je minder gewasbeschermingsmiddelen nodig hebt.”

'Als je alle gegevens naast elkaar legt, dan baart de bodemgezondheid ons zorgen'

Voor Vincent Coolbergen, directeur van Koninklijke Maatschap de Wilhelminapolder, is de bodem daarom prioriteit nummer één. Het grootste particuliere landbouwbedrijf van Nederland levert onder andere aan Lamb Weston / Meijer. Coolbergen wil nog niet spreken van een probleem, maar ziet wel dat de opbrengsten per hectare niet langer stijgen, zoals voorheen. “Wij willen onze bodem in topconditie houden. Machines, meststoffen; alles is te koop, maar de bodem kun je niet vernieuwen.”

Maatregelen

“Als je allerlei verschillende gegevens naast elkaar legt, dan baart de bodemgezondheid ons zorgen”, zegt Peters. Een uitdaging is te komen tot een eenduidig meetinstrument. Lamb Weston / Meijer werkt daar hard aan, maar wil in de tussentijd ook stappen zetten. Het bedrijf werkt intensief samen met een achttal vooruitstrevende telers in Nederland in het duurzame teeltprogramma. “Daarbij kijken we naar de maatregelen die zij nemen om de bodemgezondheid op peil te houden.”

Er zijn veel manieren waarop een teler de bodemgezondheid positief kan beïnvloeden. Bijvoorbeeld door niet te intensief te telen, gewasbeschermingsmiddelen te beperken en tussendoor rustgewassen te zetten. Granen leggen bijvoorbeeld minder druk op de bodem dan maïs. Tegelijkertijd zit er aan al die keuzes ook een economische kant; graan levert ook minder inkomsten op dan maïs. Lamb Weston / Meijer werkt samen met de telers aan het vinden van een juiste balans voor een goede bodemgezondheid én een rendabel bedrijf.

Alles op het goede moment

Volgens Coolbergen is timing het allerbelangrijkst voor bodemgezondheid. “Wij proberen om alles op het juiste moment te doen. Vervolgens bekijken we voor elke handeling: wat kan er beter?” Wanneer het nat is, probeert hij bijvoorbeeld zoveel mogelijk uit het land te blijven. Ook kiest hij voor ondieper ploegen, waardoor bodemleven, organische stof en mineralen meer geconcentreerd blijven bovenin de bodem. “Alles is erop gericht om de bodem zo min mogelijk te belasten.”

'Alles is erop gericht om de bodem zo min mogelijk te belasten'

Verder kijkt Coolbergen naar innovaties, zoals precisielandbouw. Daarbij krijgt elk stukje land exact de juiste hoeveelheid bemesting en bespuiting, met behulp van technologie. Bij plaats-specifiek planten geven taakkaarten inzicht in de specifieke eigenschappen van elk stukje grond. Afhankelijk van die eigenschappen, zoals het organische stofgehalte, wordt een stuk grond zwaarder beplant of juist ontzien. “Enerzijds reduceer je daardoor meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Anderzijds vergroot je de effectiviteit. Dat is duurzaamheid in optima forma.”

Vooruit denken

Het reduceren van gewasbeschermingsmiddelen heeft nog een reden; telers moeten volgens Coolbergen ook inspelen op veranderende wet- en regelgeving. “De Europese toelatingen voor chemische gewasbeschermers worden op den duur gereduceerd. Je kunt dus maar beter vooruit denken.”

De oplossingen voor het wegvallen van gewasbeschermingsmiddelen moeten volgens Coolbergen niet alleen uit de hoek van de telers komen. Hij doet een oproep aan plantveredelingsbedrijven om plantenrassen met goede ziekteresistentie te ontwikkelen. “We zoeken nu de oplossing in de teelt, terwijl die genetisch meegenomen zou moeten worden in de plantjes. Dat kan gewoon.”

Insectenhuidjes

Soms komen oplossingen uit een onverwachte hoek. In Bergen op Zoom, op een steenworp afstand van de fritesfabriek van Lamb Weston / Meijer, staat namelijk ook de insectenkwekerij van Protix. Het bedrijf maakt eiwitten en vetten van insecten, die onder andere worden gebruikt in diervoeders. Protix staat voor een circulair voedselsysteem en gebruikt reststromen uit de levensmiddelenproductie als voedingsbodem voor de insecten. Er loopt momenteel een project om de zetmeelresten die vrijkomen bij het blancheren van de frites van Lamb Weston / Meijer te gebruiken als voedingsbodem voor de vliegenlarven van Protix.

Lees ook het interview met Green Leader Kees Aarts van Protix: Een logisch verhaal, geleerd uit de natuur

Protix levert vervolgens een eigen product terug aan telers van Lamb Weston / Meijer. De insectenhuidjes die na het verwerkingsproces overblijven, blijken een perfecte bodemverbeteraar te zijn. Het product, genaamd Flytilizer (zie foto rechts), bevat naast de huidjes ook uitwerpselen en overgebleven voedingsstoffen. Deze bodemverbeteraar wordt inmiddels door verschillende telers van Lamb Weston / Meijer toegediend als praktijkproef binnen het duurzame teeltplan.

“Het is een natuurlijke meststof die rijk is aan nutriënten en organische stof. Bovendien vormen de huidjes een voedingsbron voor goedaardige bodembacteriën, waardoor de bodem en gewassen weerbaarder worden tegen ziektes en plagen”, legt salesmanager Thijs Kapteijns van Protix uit. "Omdat het een reststroom is, heeft het bovendien een lage CO2-voetafdruk.”

Kapteijns spreekt overigens niet over reststromen. “Alles wat uit het proces van insectenkweek komt, heeft een eigen rol in het circulaire systeem en heeft dus een toegevoegde waarde. We kijken voor elke stroom naar mogelijke toepassingen.”

Lees ook dit artikel over reststromen verwaarden: Er gaan 2 kilo aardappelen in 1 kilo frites. Waar blijft de rest?

Gedeelde verantwoordelijkheid

Naast innovatieve technologieën moet het landbouwsysteem verschuiven van korte naar lange termijn denken, stelt Coolbergen. “Alleen zo kunnen we goede opbrengsten in de toekomst garanderen. Het is begrijpelijk dat een boer die zich in de schulden gestoken heeft bij een bank zich genoodzaakt ziet om te intensiveren. We zijn met z’n allen in dat systeem gegroeid, maar we moeten dat langzaam weer ombuigen.” Daar moet wel financiële ruimte voor zijn. “Voor een groter bedrijf is het makkelijker om investeringen te doen.”

'Lange termijn denken is belangrijk om goede opbrengsten in de toekomst te garanderen'

Telers hebben volgens Coolbergen de steun van afnemers nodig om te kunnen investeren. Bodemgezondheid is de verantwoordelijkheid van de gehele keten. “Afnemers moeten zich realiseren dat ze de boer nodig hebben, net zoals wij hen nodig hebben. Lamb Weston / Meijer laat zien dat ze niet zonder ons kunnen, dat stimuleert ons om stappen te zetten.”

Lees ook hoe Lamb Weston / Meijer en McDonald's voedselverspilling tegengaan:  'Een circulaire economie vraagt vooral om ondernemerschap'

Goede opbrengst boven snelle inkomsten

Kennisdeling is een van de manieren waarop Lamb Weston / Meijer die verschuiving van de korte naar de lange termijn stimuleert. Zo ging Peters met een groep telers op bezoek bij een teler in het noorden, die een oplossing had voor de aaltjes (wormpjes) die daar vaak in de zandgrond zitten. Aaltjes tasten de aardappelen aan en daar gebruikte de teler voorheen chemische gewasbeschermers voor.

Een bepaald type afrikaantjes (eenjarige bloemen) blijkt de volledige populatie aaltjes in de bodem te kunnen vernietigen. “Deze afrikaantjes leveren weliswaar geen geld op, maar het jaar erop heb je wel een hogere gewasopbrengst. Voorheen kozen telers daar niet voor, maar nu ze de resultaten van deze teler zien, wordt het ook voor hen een aantrekkelijke optie”, vertelt Peters.

Het is wederom een voorbeeld dat laat zien dat het mogelijk is om meer opbrengsten te hebben met minder hulpstoffen. Voor Coolbergen is dat dan ook de definitie van duurzaamheid. “Wij willen blijven boeren, dus we moeten vooroplopen.”

Foto links: Telers delen hun kennis tijdens een van de veldbezoeken die Lamb Weston / Meijer organiseert. Het gezond houden van de bodem is hierbij een belangrijk speerpunt.

5 december: ​World Soil Day

Elke vijf seconde raakt een stuk grond ter grootte van een voetbalveld uitgeput. Wereldwijd is meer dan een derde van de bodem al uitgeput; als er geen actie wordt ondernomen kan dit tussen nu en 2050 oplopen naar 90 procent. Om bodemgezondheid onder de aandacht te brengen en organisaties op te roepen om duurzamer om te gaan met de bodem, hebben de Verenigde Naties 5 december uitgeroepen tot World Soil Day (Wereldbodemdag).

Hoofdbeeld & beeld Flytilizer: Protix | Overige beelden: Lamb Weston / Meijer

Welk voedsel ligt er in de supermarkt van de toekomst?

Naar verwachting leven er in 2050 zo’n tien miljard mensen op deze planeet. Op dit moment consumeren we wereldwijd 280 miljoen ton vlees, een vraag die tegen die tijd verdubbeld zal zijn. Ons huidige voedselsysteem is dus onhoudbaar. Hoe kunnen we de groeiende wereldbevolking op zo’n manier voeden dat we de aarde niet uitputten?De supermarkt als gezondheidscentrumVolgens food designer Chloé Rutzerveld moeten we, als het om de toekomst van voedsel gaat, vooral kijken naar technologische en sociale innovaties. Rutzerveld voorziet dat het aantal supermarkten over dertig jaar drastisch is afgenomen. “De consument haalt de boodschappen dan vooral online. De supermarkt wordt een plek waar je informatie en ideeën kan uitwisselen over voeding en gezondheid. Ontmoeten, experimenteren, proeven, beleven en kennis zullen centraal staan.”“Een voedselapotheek hoort dan ook bij de supermarkt van de toekomst. Daar geven voedselexperts advies over voeding en gezondheid. Bovendien kun je in het gezondheidslab een poepmonster inleveren en op basis daarvan een persoonlijk voedingsadvies ontvangen.”Lees ook: Hoe lokale voeding medicijnen kan vervangenKweekvleesIn de supermarkt van de toekomst zien we steeds meer kweekvlees in het schap liggen. Dat is vlees dat in een laboratorium wordt gekweekt en afkomstig is uit de stamcellen van dieren. Kweekvlees kan uitkomst bieden voor het dierenwelzijn, de groeiende vraag naar vlees en de hoge grondstofkosten die de vleesproductie met zich meebrengt.  Het slachten van dieren zal steeds minder gebeuren. Volgens een rapport van het Amerikaanse consultancybureau A.T. Kearney bestaat in 2030 al ongeveer 10 procent van de vleesconsumptie uit kweekvlees. De verwachting is dat het in 2040 zo’n 35 procent van onze mondiale vleesconsumptie omvat.Lees ook: Hoe kan Nederland in de toekomst de wereld blijven voeden?“De consument wil weten waar het voedsel vandaan komt, wat de smaak is en wat er precies in zit”, zegt Rutzerveld. Die zal het kweekvlees als iets normaals gaan beschouwen als hij het productieproces met eigen ogen kan zien. “Hierdoor begrijpt de consument beter wat hij koopt.”InsectenvoedingIn Nederland zijn we niet gewend om een sabelsprinkhaan in onze mond te stoppen, maar in Afrika is het een heuse delicatesse. In de supermarkt van de toekomst liggen insecten die zijn doorgefokt tot grotere formaten, voorziet Rutzerveld. “Ze zijn opgeblazen tot formaat plofinsect”, zegt de food designer.Wereldwijd eten we al 1.900 verschillende soorten insecten, zoals krekels, sprinkhanen en kevers. Vooral in Afrika, China en Japan worden ze al veel gegeten. Volgens de Food and Agriculture Organization of the United Nations (FAO) hebben insecten zes keer minder voer nodig dan runderen om dezelfde hoeveelheid eiwit te produceren.In het Brabantse Dongen ontwikkelt Protix insectenvoeding voor dieren. Volgens Kees Aarts, CEO van Protix, wil het bedrijf op de lange termijn ook humane voeding produceren op basis van insecten. “Het grote voordeel is dat insecten barstensvol eiwitten en vitamines zitten en daardoor een enorm potentieel hebben als voedsel, ook voor mensen”, zegt Aarts.ZeewierOok algen en zeewier behoren tot het voedsel van de toekomst. Velen denken daarbij aan de groene smurrie die zomers in plassen voorbijdrijft, maar ze kunnen een uitstekende vegetarische optie zijn. Ze bevatten namelijk veel eiwitten, ijzer en vitamine B1.In Afrika is de sabelsprinkhaan een heuse delicatesseHet Voedingscentrum legt uit wat het verschil is tussen microalgen en zeewier: “Algen die groter worden en meer cellen hebben, noemen we zeewieren. Zeewieren lijken op planten, omdat ze bladeren, wortels en stengels hebben.” Microalgen zijn microscopisch klein en met het blote oog niet zichtbaar. Het verschil zit dus hoofdzakelijk in de grootte en moleculaire structuur.Volgens Wageningen University & Research (WUR) kan met een duurzame zeewierteelt de groeiende wereldbevolking van voldoende voedsel worden voorzien, met maar 2 procent van het totale zeeoppervlak. Hoewel ons aardoppervlakte voor 70 procent uit water bestaat, komt op dit moment slechts 17 procent van ons voedsel uit de zee.Meer over algen: Waarom algen de voedselindustrie gaan veroverenIn sommige delen van de wereld is zeewier al big business, maar in Europa is het nog relatief onbekend. “In Azië wordt het al eeuwenlang gegeten. Het wordt daar uit de zee geoogst en onder meer toegepast in sushi, maar ook gebruikt voor het maken van bijvoorbeeld bindmiddel”, vertelt Lolke Sijtsma, onderzoeker en projectleider bij WUR.Algen“Van de tienduizenden micro-algensoorten die er bestaan, wordt slechts een tiental industrieel geproduceerd, waarvan enkelen voor voedseltoepassingen”, legt Sijtsma uit. “Als ze goed groeien, bevatten ze veel eiwitten van goede kwaliteit. Dat past uitstekend in de toenemende vraag naar niet-dierlijke eiwitten.”"Algen bevatten veel eiwitten van goede kwaliteit"De eiwitrijke alternatieven kunnen bijvoorbeeld worden verwerkt in pasta of tot vegetarische vleesvervangers, zoals een Chlorella burger. “Sommige onderdelen van algen, zoals de blauwe kleurstof van Spirulina, worden in smarties gebruikt zodat ze blauw kleuren”, vertelt Sijtsma. Afhankelijk hoe je algen behandelt, eet je ze bijvoorbeeld vers of gedroogd, is de smaak verschillend. “Microalgen hebben van zichzelf weinig structuur, wat je er nog meer aan toevoegt bepaalt de smaak”, zegt Sijtsma. “We weten eigenlijk nog te weinig wat topkoks er allemaal mee kunnen doen.”Voordat algen in grote getale te koop zijn in de supermarkt, zijn er verschillende obstakels die we eerst moeten overwinnen. Dat zijn het opschalen van de productie en de bijkomende kosten. Ook het veranderen van de bestaande wetgeving omtrent het introduceren van voedingsmiddelen en ingrediënten (novel foods), die niet voor 15 mei 1997 binnen de Europese Unie als voedingsmiddel werden verkocht, is een uitdaging. “Alles wat niet voor 1997 werd gegeten in Europa, heeft een strikte toelating”, zegt Sijtsma hierover.Ten slotte moet de consument het voedsel van de toekomst leren accepteren. Dat geldt zowel voor algen, zeewier, kweekvlees als het eten van insecten. De consument moet daarom meegenomen worden in het productieproces, zodat die leert te begrijpen hoe producten worden gemaakt. “Op die manier gaan ze het accepteren én consumeren”, besluit Rutzerveld.Lees meer: Op zoek naar het gezondste dieet ter wereldBeeld: Adobe Stock.