Rianne Lachmeijer 21 maart 2021, 10:25

Wat werkt beter voor verduurzaming: bedrijven buiten sluiten of ermee in gesprek gaan?

Financiële instellingen willen een rol spelen in de verduurzaming van de economie. Dat kunnen zij vooral via hun klanten: door invloed uit te oefenen of bepaalde projecten juist wel of niet te financieren. In de sector vallen in dat geval vaak de termen engagement en uitsluiten: de dialoog aangaan of stoppen met investeren. Welke aanpak maakt de meeste impact? “In die hele discussie over wat effectief engagement of desinvesteren is, zitten heel veel algemeenheden en aannames die naar mijn idee niet altijd kloppen”, zegt Piet Sprengers van ASN Bank. Hoe zit dat? Samen met Irina van der Sluijs, legt hij het uit.

Adobestock 261925415 fossiel wind energie ASN Bank kiest ervoor om niet te investeren in fossiele bedrijven, maar andere financiële instellingen kiezen voor de dialoog. Bron: Adobe Stock.

ASN Bank staat bekend om zijn fossiele uitsluitingsbeleid, maar dat is slechts een onderdeel van een grotere strategie. Met andere sectoren gaat de bank juist de dialoog aan; engagement heet dat. “Ik hoop niet dat het idee van het artikel is om ze tegenover elkaar te zetten”, zegt Irina van der Sluijs over desinvesteren en engagement. Haar opmerking toont aan hoe de bank in de wedstrijd zit. “We proberen het zo doordacht mogelijk te doen.”

Van der Sluijs, mensenrechtendeskundige bij ASN Bank en voorzitter van het Platform Living Wage Financials (PLWF), houdt zich met name bezig met de kledingsector. ASN Bank ontwikkelde een engagement-strategie voor die sector, want ondanks milieu- en mensenrechtenproblematiek ziet de bank heil in de kledingbranche. “Kleding is een basisproduct”, aldus Van der Sluijs.

Uitsluiten versus engagement

Voor de fossiele sector is dat een heel ander verhaal, vindt Piet Sprengers. De manager duurzaamheidsstrategie en beleid bij ASN Bank benadrukt dat we van de kernactiviteit van de fossiele sector af willen: olie- en aardgaswinning. Een andere sector die de bank volledig uitsluit is de wapenindustrie.

'Als je weet hoe je olie boort, dan weet je nog niet hoe je een windmolenpark beheert'

De afgelopen jaren komen er geregeld berichten naar buiten van financiële instellingen die hun beleid voor die sectoren aanpassen. Zo is het al langere tijd not done om in (controversiële) wapens te investeren. Daarnaast zetten meerdere instellingen stappen op het gebied van steenkolen. De kolenindustrie is één van de grootste CO2-uitstoters. Daarnaast krijgt de vervuilende energiebron steeds meer concurrentie van duurzame alternatieven. Dat maakt het voor investeerders minder interessant om erin te beleggen. Investeerders zien de steenkolenindustrie steeds vaker als een verloren zaak, maar zij beleggen vaak nog wel in grote olie- en gasbedrijven. ASN Bank niet.

Sprengers ziet wel wat in een soort sterfhuisconstructie voor de fossiele sector. “Die moet gewoon beheerst afgebouwd worden.” Sprengers verwacht namelijk niet dat fossiele bedrijven de omslag kunnen maken naar duurzame energiewinning. “Dat vraagt om een hele andere organisatie van het bedrijf met hele andere kennis. Als je weet hoe je olie moet boren dan weet je nog niet hoe je een windmolenpark moet beheren”, stelt Sprengers.

En Ørsted dan?

Toch bestaat er een voorbeeld van een fossiel bedrijf dat de omslag wel maakte: het Deense Ørsted. Dat veranderde zijn kernactiviteit én zijn naam van olie en gas naar hernieuwbare energie. (Het heette eerst Dong: Dansk Olie og Naturgas). Ørsted staat bekend om de bouw van de eerste en grootste windparken op zee en het bedrijf wil in 2021 twee gigantische zonneparken in de Verenigde Staten aanleggen. “Zeg nooit, nooit”, reageert Sprengers daarop. Feit blijft dat het merendeel van de olie- en gasbedrijven blijven inzetten op fossiele zaken, zoals de zoektocht naar nieuwe olie- en gasvelden. “Wat telt is in hoeverre bedrijven hun fossiele activiteiten écht afbouwen en niet alleen hoeveel duurzame energie ze er bij bouwen”, aldus Sprengers.

Sommige beleggers kiezen ervoor om te beleggen in dit soort bedrijven om dan via aandeelhoudersvergaderingen verandering te weeg te brengen. Activistisch Shell-aandeelhouder Follow This kiest die route. Het brengt klimaatresoluties in stemming op vergaderingen in de hoop dat andere aandeelhouders, zoals Nederlandse pensioenfondsen, daarin meestemmen.

Aandeel als ingang

Financiële instellingen hebben invloed door te kiezen wat zij met hun geld doen. Het terugtrekken van investeringen geeft bijvoorbeeld een belangrijk signaal af. Helemaal als meerdere partijen dat doen. Sprengers heeft moeite met het argument dat financiële instellingen alleen invloed kunnen uitoefenen als zij aandeelhouder zijn (en blijven) van een bedrijf. “Dat is te zwartwit.” Hij vraagt zich af of er nog een andere reden achter zit: geld verdienen. Hij benadrukt dat bijvoorbeeld grote pensioenfondsen en banken ook met bedrijven praten waarin zij nog niet investeren. En voor ASN Bank gold dat zij juist in gesprek kwamen met de DSM-directie toen zij besloten te stoppen met beleggen. Dat besloot de bank toen bleek dat er een link was tussen de producten van DSM en de ontwikkeling van wapens.

'Bij Amerikaanse bedrijven ben ik weleens uit een call gezet'

Van der Sluijs is het met hem eens. “Bij Amerikaanse bedrijven ben ik weleens uit een call gezet, omdat wij geen aandeelhouder waren, maar je kunt ook contact zoeken via de media of via een brief of wat dan ook. Dus het is allemaal niet super zwartwit.” Wel snapt zij dat andere financiële instellingen misschien andere keuzes maken dan ASN Bank. Voor haar is het belangrijkste dat daar een strategie achter zit. “Heb erover nagedacht en zorg ervoor dat het complementair is; dat je op een gegeven moment ook consequenties stelt.” Dat is dan ook de manier waarop ASN Bank de strategie voor de kledingsector inricht. “Meaningful engagement”, noemt Van der Sluijs dat.

Lees ook: Problemen in de kledingsector: 'We zijn verslaafd aan lage prijzen'

De wortel en de stok

Van der Sluijs legt uit wat betekenisvol ‘engagen’ volgens haar inhoudt. Ten eerste gebeurt het vaak in samenwerking met andere partijen uit de financiële sector én daarbuiten. Ten tweede is het cruciaal om zelf te meten. Dat is nodig als je, zoals in het geval van ASN Bank in de kledingsector, verder wil gaan dan alleen kinderarbeid afschaffen, maar ook leefbaar loon nastreeft. (Leefbaar loon is het loon dat iemand nodig heeft om onder andere te eten, te wonen en de kinderen naar school te sturen). Ten derde gaat het om een lange adem hebben, zodat bedrijven de tijd hebben om te veranderen. Ten vierde vindt zij het belangrijk dat er publieke en open communicatie over de resultaten plaatsvindt. “Zodat we er ook verantwoording over kunnen afleggen.” Tot slot gaat het om mijlpalen stellen. Als blijkt dat bedrijven die mijlpalen consequent niet halen, gaat ASN Bank over tot uitsluiten. “Want als je naast die wortel niet ook de stok hebt, dan is het weinig betekenisvol.”

Sprengers vindt dat er nog een strategie besproken moet worden. “Je hebt engagen en desinvesteren, maar je hebt ook investeren. Dus dat je juist probeert om het geld wat de klant je heeft toevertrouwd zoveel mogelijk in de richting te sturen die de klant en jij belangrijk vinden.” Het investeren zelf moet ook als aparte strategie benoemd worden, vindt Sprengers.

De kracht van de financiële sector

Van der Sluijs merkt op dat steeds meer financiële instellingen inzien dat duurzaamheid financiële waarde heeft. Zij hoopt dat deze instellingen op termijn maatschappelijk rendement even zwaar gaan wegen als financieel rendement. Dan kan de impact groot zijn. Het maakt volgens haar namelijk meer indruk als een financiële instelling een bedrijf opbelt om over milieu of mensenrechten te praten dan als een NGO dat doet. “Dan worden ze daar wakker, want dan zit je over een verdienmodel te praten.”

Zij vindt dat de transitie naar een duurzame economie vraagt om een nieuwe houding van financiële instellingen. “Als de afgelopen tien à twintig jaar ons iets heeft geleerd is dat we echt van een aandeelhoudersmodel naar een stakeholdermodel moeten, dus van shareholder naar stakeholder, willen we echt met zijn allen die transitie maken. Anders blijven we sleutelen aan een bestaand systeem dat nooit compatible is met duurzaamheid.”

Financiële instellingen lijken voorzichtig een duurzamere richting op te gaan, bijvoorbeeld door het vrijwillig ondertekenen van het Klimaatakkoord. En Sprengers herinnert zich een bijeenkomst van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) waarin werd gesproken over de rol die banken kunnen spelen bij de coronacrisis. Voor hem een voorbeeld van hoe banken meer nadenken over hun eigen toegevoegde waarde aan de samenleving. Sprengers wil dat gegeven niet te veel opblazen, maar stelt hij: “Het staat wel op de agenda. Er wordt serieus over nagedacht.” Kortom, het begin is er.

Afbeelding: Adobe Stock

‘We kunnen de energietransitie versnellen door alles naar gelijkstroom over te zetten’

Algemeen directeur Marc Speijer van CityTec, dat voortkomt uit netwerkbedrijf Stedin, typeert zijn bedrijf als ‘systeem integrator’. “We houden ons bezig met het ontwerpen, realiseren, beheren en financieren van installaties in de openbare ruimte: lichtmasten, verkeersinstallaties, parkeersystemen, laadpalen. In samenwerking met diverse partijen integreren we al die systemen met de energie-infrastructuur, we koppelen dat aan het internet en voegen er intelligentie aan toe.” Energie Dat levert futuristische toekomstbeelden op. “Alle systemen worden straks aangesloten op het internet. Daarmee kunnen we de openbare ruimte veiliger en comfortabeler maken”, schetst Speijer. “Als sensoren ’s nachts rumoer in een bepaalde wijk registreren, kunnen we daar de lichtsterkte opvoeren. Of we kunnen verkeerslichten op groen zetten als een ambulance naar een ongeval onderweg is.”  Renkum ‘Smart City ready’ Technologie heeft veel in zijn mars, maar de eerlijkheid gebied de CityTec-directeur te zeggen “dat Nederland nog niet ver” is op Smart City-gebied. Het bedrijf is wel betrokken bij een project in de gemeente Renkum, dat ‘Smart City ready’ wil worden. Circa drieduizend lichtmasten en zesduizend armaturen worden vervangen en voorzien van duurzame en slimmere openbare verlichting. Als gevolg daarvan voldoet Renkum al in 2022 aan de klimaatdoelstellingen, en niet pas in 2030.  De lichtmasten kunnen op afstand gedimd en uitgelezen worden. In combinatie met de LED-armaturen levert dit een verwachte energiebesparing op van 60 procent. In de toekomst kunnen de lichtmasten worden uitgerust met sensoren voor het meten van de luchtkwaliteit en het reguleren van verkeersstromen. Ook kunnen lichtmasten gebruikt worden voor mobiel internet, als oplaadpunt voor elektrische auto’s, camerabeveiliging voor de openbare orde en veiligheid en andere Smart City-toepassingen.  Overheden zijn aan zet De ambitie van overheden zoals de gemeente Renkum is hard nodig. “De openbare ruimte is in beheer bij overheden. Dus overheden zijn primair aan zet bij het ontwikkelen van Smart Cities”, vindt Speijer.  Het bedenken van businessmodellen is nog wel een uitdaging, al is het maar omdat de baten bij bedrijven en burgers vallen, terwijl het vooral overheden zullen zijn die de investeringen moeten dragen. Samen met partners heeft Citytec een businessmodel ontwikkeld zodat de baten bij bedrijven, burgers en gemeenten vallen. “Gemeenten gaan er financieel op vooruit”, stelt Speijer.  “Telecombedrijven moeten straks voor de aanleg van 5g-netwerken een zeer fijnmazige infrastructuur aanleggen. Gemeenten kunnen hun slimme lichtmasten verhuren aan de telco’s zodat die er hun 5g-apparatuur op kunnen installeren.”  Verslimmen van de openbare ruimte De toekomstschets van de Smart Cities is illustratief voor de missie van CityTec: ‘het verduurzamen en verslimmen van de openbare ruimte om het welzijn van de gebruikers te verhogen’. Speijer: “We leveren daarmee een bijdrage aan het vergroten van de leefbaarheid en de veiligheid van burgers. Het verduurzamen van de energievoorziening hoort daarbij.” Een essentieel onderdeel in het verduurzamen en intelligenter maken van de energievoorziening, is volgens Speijer het omzetten van alle energiesystemen en -netwerken naar gelijkstroom. Nu werken nog veel zaken op basis van wisselstroom. “Alle elektronica die we gebruiken werkt op gelijkstroom. Smartphones, laptops, alles waar een batterij in zit, tot en met elektrische auto’s aan toe. Bij het transporteren en omzetten van wisselspanning van het net naar gelijkspanning voor batterijen gaat veel energie verloren. Het is daarom veel logischer om alles naar gelijkstroom te schakelen”, aldus Speijer.  Gelijkstroom is een goede businesscase Gelijkstroom heeft behalve minder energieverlies nog meer voordelen. Zo is gelijkstroom veiliger, omdat het duizend keer sneller af te schakelen is. Maar minstens zo belangrijk: voor gelijkstroom is een minder zwaar uitgevoerd leidingnetwerk nodig. “Je bespaart al snel 60 procent koper”, aldus de CityTec-directeur. “Als je gebruik maakt van bestaande kabels kun je minimaal driemaal zoveel meer elektriciteit transporteren, waarmee je een substantiële bijdrage aan de energietransitie levert.” Tot slot hebben installaties die op gelijkstroom werken een langere levensduur, omdat een wisselstroom-installatie meer kwetsbare componenten bevat. “Denk aan LED-lampen, die veel langer meegaan dan ouderwetse gloeilampen.”  Alle netten in Nederland overzetten op gelijkstroom vraagt een stevige investering, maar vanwege de voordelen zijn er volgens de CityTec-directeur vooral bij nieuwbouw gelijkstroom businesscases, die 25 procent goedkoper zijn dan het alternatief waarbij wisselstroom wordt gebruikt.  Bedrijventerrein Ridderkerk op gelijkstroom CityTec heeft in Nederland al circa dertig gelijkstroom-projecten opgeleverd, waaronder één in Ridderkerk. Op het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard is het grootste openbare verlichtingssysteem op gelijkstroom aangelegd. De toepassing van een lichtmanagementsysteem met sensorbesturing dimt de verlichting wanneer dit kan. Dat zorgt voor een flinke energiebesparing.  Omdat gelijkstroom-netwerken aangelegd kunnen worden in ringen, zijn hierdoor ook 80 procent minder schakelkasten nodig dan bij wisselstroomnetten. In Ridderkerk zijn voor circa vierhonderd lichtmasten vier ringen aangelegd met een totale kabellengte van ruim veertien kilometer, verbonden door slechts één schakelkast.  Lokale opwekking, lokale grids In de toekomst zal de infrastructuur decentraler worden. “We zullen meer gaan naar lokale opwekking met zon en wind. Lokale smart grids koppelen lokale duurzame energieopwekking aan energieconsumenten. Nu is nog maar een paar procent van de auto’s elektrisch. Als dat straks 30 of 40 procent is, dan moeten we daar de capaciteit van de infrastructuur op afstemmen. Zonnepanelen, laadpleinen en accupakketten voor opslag”, schetst Speijer, die zelf in een Tesla rijdt.  Enorme versnelling energietransitie Speijer is enthousiast over de voordelen van gelijkstroom. “De jaren van kinderziektes zijn voorbij, en er komen steeds meer leveranciers die zich op deze markt richten”, zegt hij. “De hele wereld is hier mee bezig.” Wat de verdere opmars gaat helpen, zijn Europese of internationale richtlijnen en standaarden. Daar wordt ook door CityTec aan gewerkt. “We hebben standaarden nodig zodat fabrikanten weten hoe ze hun elektrische apparaten moeten bouwen. Zodra we dat punt bereiken, zal er een enorme versnelling komen, voor de energietransitie, maar ook voor Smart Cities.”