Romy de Weert 23 juni 2021, 16:05

Huishoudboekje voor CO2-uistoot: koop je straks je eigen emissierechten?​

Een ruime meerderheid van de Nederlanders staat achter een CO2-emissiehandelsysteem voor huishoudens, mits bedrijven meer gaan betalen voor hun CO2-emissies. Dat blijkt uit een onderzoek naar het draagvlak door TNO. Ook CE Delft verkent het terrein van emissierechten voor huishoudens. Is dit de oplossing om de klimaatdoelen te behalen?

Adobestock 199807134 Hebben we straks een huishoudboekje met onze CO2-uitstoot? Beeld: Adobe Stock

Huizen isoleren, energiegebruik van zonnepanelen, windmolens, kernenergie en groene waterstof: allemaal manieren om de CO2-uitstoot terug te dringen. Toch is er maar weinig aandacht voor leefstijlbeleid, vinden onderzoekers van TNO. “Wat er tot nu toe vooral gebeurd is inzetten op hernieuwbare energie en energiebesparing: je blijft dezelfde dingen doen, maar met minder energie”, legt onderzoeker Joost Gerdes uit. Dat levert een behoorlijke emissiereductie op, maar uit ramingen van het PBL blijkt dat ook als alle maatregelen van het Klimaatakkoord worden uitgevoerd het doel voor 2030 waarschijnlijk nog niet gehaald wordt. Met een enquête onderzocht TNO of er draagvlak is voor een persoonlijk emissiehandelssysteem – een systeem waarbij ieder huishouden een budget heeft om CO2-emissies te ‘consumeren’, waarmee alle Nederlanders worden gestimuleerd om hun CO2-voetafdruk te verkleinen.

Hoe werkt het?

In het onderzoek kregen zo’n 1.200 mensen een fictief emissiehandelssysteem voorgelegd, waarbij ze persoonlijke emissierechten inleveren voor energie in huis, autobrandstoffen, vlees en vliegtickets. Als het budget op is, kan je emissierechten bijkopen. Wanneer je minder emissierechten gebruikt, kan je ze verkopen. In dit systeem krijgen huishoudens jaarlijks gratis emissierechten die zijn afgestemd op de grootte van het huishouden. Wat blijkt? Slechts 36 procent van de deelnemers was vóór een persoonlijk CO2-emissiesysteem in deze vorm. Ter vergelijking: het draagvlak voor hernieuwbare energie ligt op zo’n 90 procent.

Dat percentage is volgens Gerdes te verklaren door het belang van eerlijkheid. “Eerlijkheid van het systeem bleek veel belangrijker dan gebruiksvriendelijkheid”, licht hij toe. Bij een variant op het systeem waarbij bedrijven meer zouden moeten betalen voor hun CO2-uitstoot dan dat ze nu doen, is al 67 procent van de deelnemers positief. Gerdes: “Ik vermoed dat mensen het idee hebben dat het bedrijfsleven buiten schot blijft”, zegt Gerdes. Dat betekent dat, om voldoende draagvlak te krijgen, bij een uitwerking van een persoonlijk emissiehandelssysteem duidelijk moet zijn hoe bedrijven hun eerlijke bijdrage leveren. “Dat zou door een hogere CO2-prijs voor bedrijven kunnen, en mogelijk ook door substantiële investeringen in productie en producten met minder CO2-uitstoot. Dat heeft als bijkomend voordeel dat de consument minder CO2-rechten nodig heeft om die producten aan te schaffen, wat de afzetmarkt vergroot.”

Gedragsverandering is essentieel

Dat consumenten en bedrijven hun gedrag moeten aanpassen, blijkt ook uit een adviesrapport van CE Delft. Het Klimaat Crisis Beleid Team (KBT) van CE Delft stelde adviezen op om de klimaatdoelen van Parijs te realiseren. Een belangrijk onderdeel volgens het KBT is een beleid dat consumentengedrag kan beïnvloeden én aanpassen. Zo’n CO2 emissiehandelssysteem is volgens hen een goede manier om CO2-uitstoot terug te dringen.

“De inkomsten uit de verkoop van de emissierechten kunnen worden gebruikt om de belasting op arbeid te verlagen, of meer specifiek, lage inkomensgroepen te compenseren”, schrijft auteur Frans Rooijers in een publicatie. In de tussentijd kunnen de bestaande belastingen op energie, zoals energiebelasting, ODE-heffing, accijnzen en motorrijtuigenbelasting worden aangepast naar hun CO2-inhoud, zoals elektriciteit, gas, benzine en diesel. “Het invoeren van generiek beleid, bestaand uit beprijzen en normeren, geeft de overheid de mogelijkheid om met zekerheid de afgesproken Klimaatdoelen voor 2030 en daarna te halen”, schrijft Rooijers.

Zo ziet Gerdes het ook: “Op een gegeven moment zijn de emissierechten voor CO2 op, dus met een emissiehandelssysteem weet je zeker dat je je doel behaalt.” Anders dan met ‘true pricing’, waar de vervuiler betaalt, wordt met ETS (Emission Trading System) de prijs bepaald door het aanbod. “Het hoeft dan niet per se de vorm van een persoonlijk emissiehandelssysteem te zijn, maar je zou ook iets kunnen doen aan de aanbodzijde”, legt Gerdes uit. In dat geval zouden alle bedrijven die producten of diensten leveren CO2-emissierechten moeten bezitten. “Dat betekent dat consumenten geen rechten nodig hebben, maar dat je wél een systeem hebt waarin de emissies die door consumenten worden veroorzaakt binnen een vastgesteld budget blijven.”

Niet zo simpel als het lijkt

Toch kleven er ook nadelen aan het persoonlijke emissiehandelssysteem. De uitvoering zal complex zijn en sommige respondenten hebben twijfels over huurwoningen. Zo zou het kunnen zijn dat minder welgestelden in slecht geïsoleerde huurwoningen harder worden getroffen, omdat ze een groot deel van de emissierechten kwijt zijn aan verwarming en bewoners van huurhuizen weinig invloed hebben op het energieverbruik in huis. Ook mensen die echt afhankelijk zijn van een auto, zouden volgens het onderzoek moeten worden ontzien. Wat door respondenten als bezwaar werd benoemd is dat rijkeren gemakkelijker rechten kunnen bijkopen dan mensen met lagere inkomens.  “Toch is het positief dat er – onder bepaalde voorwaarden – steun en draagvlak is voor een totaal CO2-budget onder consumenten”, zegt Gerdes.

Wat is het emissiehandelssysteem ETS? En hoe werkt het?

De Europese industrielobby strijdt tegen wet om gebruik microplastics te verbieden

De industrie gebruikt polymeren (de technische term voor microplastics) om structuur te geven aan vloeibare substanties, zoals zeep, verfmateriaal en cosmetica. Maar het is een omstreden grondstof. Al in oktober 2020 wees de Europese Commissie op een gebrek aan kennis over de gezondheids- en milieurisico’s. Daarom zouden er vanaf 2022 verplichte tests moeten plaatsvinden. De EU eist basisinformatie over alle chemicaliën die in Europa worden gemaakt of geïmporteerd. Daarnaast zijn veiligheidstests vereist voor alle stoffen met een groter volume. Polymeren zijn de enige uitsluiting, zo laat de website van het Europese Milieubeleid (EEB) weten. Plastic is schadelijk voor mens en dierWetenschappers toonden al eerder aan dat polymeren werden aangetroffen in placenta’s, hersenen, lever en nieren van dier en mens. De schade die deze kleine deeltjes aanrichten, is onomkeerbaar omdat ze onoplosbaar zijn. Maar de industrie heeft via een lobby ingebracht dat door de grootte van de polymeren deze niet in het menselijk of dierlijk lichaam kunnen belanden. De Europese Commissie heeft nu een wetsontwerp ter bespreking ingediend.Met het nieuwe wetsontwerp van de Europese Commissie zal straks slechts 6 procent van de schadelijke stoffen in plastic fabricaten binnen de regelgeving vallen, waardoor 94 procent van de polymeren niet onderzocht hoeft te worden, zo waarschuwt het Europese Milieubureau (EEB). Over het gros van de polymeren hoeft de industrie dus geen informatie te verstrekken. Gevaarlijke ontwikkelingDolores Romano, beleidsmanager chemicaliën bij EEB, vindt dit een gevaarlijke ontwikkeling. “Dat betekent dat we geen basisinformatie meer hebben over de gevaarlijke eigenschappen van de meeste polymeren die in Europa worden gebruikt en die alomtegenwoordig zijn in het milieu. Bedrijven die downstream gebruikers van polymeren zijn, zullen hun klanten, werknemers en consumenten niet kunnen garanderen dat hun producten veilig zijn.” Ze geeft daarbij aan dat het gezondheids- en milieubeleid mens en milieu niet zal beschermen tegen de potentiële risico's van polymeren. “We hebben het over 200.000 chemicaliën, geproduceerd en gebruikt in miljoenen tonnen per jaar.”Gelijk speeldveld voor gelijke kansenWat volgens Romano nodig is, is een krachtig politiek engagement van de Commissie, de lidstaten en het EU-parlement om vervuiling aan te pakken. En, voegt ze toe: “We moeten de gevaarlijkste chemicaliën - inclusief polymeren - verbieden en marktprikkels creëren voor veiligere alternatieven.” Dat betekent dat bedrijven die gevaarlijke stoffen produceren of gebruiken de milieu- en gezondheidskosten van hun activiteiten meerekenen. Het is dan aan die bedrijven om de kosten te dekken die worden gemaakt door handhavingsinstanties om chemicaliën te controleren en te reguleren. Dit zou volgens Romano zorgen voor een gelijk speelveld voor veiligere alternatieven.Designfout om niet natuurlijk te werkenSjoerd Trompetter van persoonlijk verzorgingsmerk Naïf noemt het een designfout dat überhaupt op zo’n grote schaal microplastics worden gebrukt voor personal care. “Schandalig en niet nodig. De industrie verschuilt zich achter het scherm dat het niet onomstotelijk bewezen is dat het schadelijk is.” Hij noemt dat een zwaktebod, want het staat vast dat we het ecosysteem aan het vergiftigen zijn. Hij noemt het voorbeeld van de microbeads, die gebruikt werden in bijvoorbeeld tandpasta of scrubcrèmes. “En die zijn heel recent verboden, dat heeft lang geduurd. Het gebruik van polymeren is de volgende stap: dat moet verboden worden want het wordt ontzettend veel gebruikt omdat het makkelijk en goedkoop is.”Maak de wereld beter, niet slechterDat er wetgeving nodig is om dit gebruik te beteugelen, vindt hij gênant. “Het kan toch niet, dat je als bedrijf pas actie onderneemt als de wet het je voorschrijft? Het is een keuze die je zelf kunt maken, alle bedrijven kunnen die verantwoordelijkheid nemen. Het doel voor ons allemaal is toch de wereld beter achter te laten dan we die hebben aangetroffen?” Dat het kan, laat Trompetter zien met zijn merk Naïf dat van enkel natuurlijke materialen wordt gemaakt. Ja, het is duurder, zegt hij. En het kost tijd. Hij wil dan ook niet het onmogelijke eisen voor grote fabrikanten. Of zoals hij zegt: “Ieder bedrijf moet op haar eigen vakgebied proberen de wereld beter te maken, zeker niet slechter.”Meer weten over microplastics?